Boek 1 · vooraf
Voor je begint
De Mahabharata is het grote epos van India. In de kern vertelt het over één koninklijk geslacht, de Kuru's, dat in twee takken uiteenvalt: de vijf zonen van koning Pandu tegenover de honderd zonen van zijn blinde broer Dhritarashtra. Die neven komen tegenover elkaar te staan in een oorlog waarin bijna iedereen sterft. Om dat verhaal heen staat een hele wereld: goden en wijzen, vloeken en geloften, verhalen over koningen van lang geleden, gesprekken over wat juist is en wat een mens te doen staat. Het werk zegt van zichzelf dat het honderdduizend verzen telt, en ook: wat hier niet in staat, is nergens te vinden.
Dit is het eerste boek van een hervertelling in hedendaags Nederlands. Het vertelt ruim de eerste helft van de eerste van de achttien parva's van de Mahabharata, het boek van het begin.
Wie vertelt aan wie
In de Mahabharata vertelt altijd iemand aan iemand, op een bepaalde plek en met een bepaalde reden. En in dat verhaal gaan de personages zelf ook weer vertellen. Van buiten naar binnen:
| Wie vertelt | Aan wie | Waar |
|---|---|---|
| Sauti, een verteller van beroep | Shaunaka en de wijzen | in het woud van Naimisha, bij een offer dat twaalf jaar duurt |
| Vaishampayana, een leerling van de dichter Vyasa | koning Janamejaya | bij het slangenoffer van de koning |
| de personages zelf | elkaar | overal in het verhaal |
Op de eerste bladzijde komt Sauti moe van de weg het woud binnen, waar Shaunaka en een grote gemeenschap van asceten bijeen zijn, en de wijzen vragen hem om verhalen. Sauti is een suta, iemand uit het geslacht van barden en wagenmenners dat de oude verhalen bewaart. Hij heeft de Mahabharata zelf horen voordragen, en hij spreekt de wijzen met u aan, zoals een verteller zijn brahmaanse gehoor aanspreekt.
Wie droeg het toen voor? Vaishampayana. Hij vertelde het hele werk aan koning Janamejaya, tijdens het slangenoffer, op last van zijn leraar Vyasa. Sauti is dus de verteller van een verteller. Vyasa zat er zelf bij. Hij is de dichter van het geheel, maar hij speelt ook een rol in zijn eigen verhaal: hij is de grootvader van de neven die elkaar later bestrijden. En Janamejaya is een nazaat van de zonen van Pandu. Hij hoort de geschiedenis van zijn eigen voorouders, en hij onderbreekt de verteller geregeld met een vraag.
En in het verhaal dat Vaishampayana vertelt, nemen de personages zelf het woord. Een meisje in een hermitage vertelt een koning waar ze vandaan komt, een koningin vertelt wat haar als meisje overkwam, een koning in het woud vertelt zijn vrouw hoe het vroeger ging tussen mannen en vrouwen.
Aan de aanhalingstekens zie je steeds wie er spreekt. Als Sauti of Vaishampayana zich rechtstreeks tot zijn toehoorders richt, staat dat tussen enkele aanhalingstekens, met zijn naam erbij. Een korte regel als "En Sauti vertelde." of "En Vaishampayana vertelde." laat zien dat hij nu aan het verhaal zelf begint. Daarna loopt het zonder aanhalingstekens door. Staat er midden in het verhaal ineens "koning", dan is dat Vaishampayana die zich tot Janamejaya wendt.
Kort na het begin van deel II hoor je Sauti niet meer, en aan het slot van dit boek komt hij ook niet terug. Zo gaat het in de Mahabharata zelf. Toch is hij er nog: alles wat je daarna leest, vertelt Sauti na, zoals hij het van Vaishampayana hoorde.
Waarom het met slangen begint
Wie een boek over het huis van de Kuru's opslaat, leest eerst over slangen, een reusachtige vogel en een offer waarin de slangen moeten verbranden. Dat komt doordat het verhaal verteld wordt bij het slangenoffer van koning Janamejaya. Daar werd de Mahabharata voor het eerst onder mensen voorgedragen, en de wijzen in het woud willen eerst weten hoe het tot dat offer kwam. Ook de voorouders van Shaunaka zelf komen aan de beurt. Waar het verhaal precies begint, staat trouwens niet eens vast. Sauti zegt in hoofdstuk 1 dat sommigen de geschiedenis bij het openingsgebed beginnen, anderen bij het verhaal van Astika en weer anderen bij dat van Uparichara. In dit boek komen ze alle drie aan bod, na elkaar, verdeeld over drie delen.
Deel I, Het slangenoffer (hoofdstuk 1 tot en met 7). Sauti vertelt in het woud. Na de opening en een overzicht van het hele epos gaat het over de oorzaken van het offer: waarom de slangen gedoemd zijn, wie hun moeder was en wie haar zuster, en hoe Janamejaya's vader aan zijn einde kwam.
Deel II, De voorouders (hoofdstuk 8 tot en met 11). Vyasa komt naar het offer en Vaishampayana begint te vertellen. Het hoofdverhaal opent bij koning Uparichara en de geboorte van Vyasa zelf. Janamejaya wil alles weten, van de oorsprong van de geslachten tot de oude koningen van zijn lijn: Shakuntala en haar zoon Bharata, en koning Yayati.
Deel III, Het huis van de Kuru's (hoofdstuk 12 tot en met 16). Van de riviergodin Ganga en koning Shantanu tot de geboorte van de vijf zonen van Pandu en het einde van een generatie.
Het huis van de Kuru's staat dus pas in het derde deel op het toneel. Wat ervoor komt, zijn de verhalen waar de toehoorders om vroegen, en veel ervan komt later terug: vloeken die doorwerken, geloften die binden, kinderen van wie de vader verborgen blijft.
Lijsten, stambomen en lofzangen
Het epos somt graag op. Je krijgt de rekensom van een legereenheid, de namen van de achttien parva's, geslachtsregisters van goden en koningen, en lange lofzangen op goden en helden. Voor de oude luisteraars hoorde dat bij het genoegen, en wie het van een voordracht in de mandir, de tempel, kent, herkent de lof op het verhaal zelf en op de verdienste van wie ernaar luistert.
Je mag zulke passages vlot lezen of overslaan. Wie in een lijst voorbijkomt en later een rol speelt, wordt bij zijn eerste echte optreden opnieuw voorgesteld. Lofzangen en verzen staan ingesprongen gedrukt, zodat je ziet waar ze beginnen en ophouden. Een paar lange namenlijsten en hymnen zijn in het verhaal ingekort; achterin staan ze volledig.
Namen
Iedereen heeft in dit boek één vaste naam, in de Sanskrietvorm en zonder accenten: Arjuna, Bhima, Yudhishthira, Duryodhana. Wie de verhalen uit het Hindi kent of van de televisie, kent ze misschien als Arjun, Bhim, Yudhishthir of Duryodhan. Het zijn dezelfde mensen. Spreek ze uit zoals je gewend bent.
Veel personages hebben daarnaast bijnamen, en de verteller gebruikt die graag. Zo'n bijnaam wordt eerst uitgelegd; pas daarna kom je hem zonder uitleg tegen. Sommige namen worden door verschillende personen gedragen. Er is een koning Dhritarashtra en een slang met dezelfde naam; Rama met de bijl is een ander dan Rama, de zoon van Dasharatha; Krishna Dvaipayana, een andere naam van de dichter Vyasa, is een ander dan de Krishna die in het verhaal een hoofdrol speelt. Er staat telkens bij wie er bedoeld is. En drie woorden die op elkaar lijken: Brahma is een god, de Grootvader van alle schepselen; een brahmaan is iemand uit de stand van priesters en geleerden; het brahman is de allerhoogste werkelijkheid.
Achterin vind je een lijst van de personages van dit boek, stambomen met de namen die op elkaar lijken, een woordenlijst, en een register van alle namen met de bladzijden waar ze voorkomen.
Je weet het al
In hoofdstuk 1 klaagt de blinde koning Dhritarashtra tegen zijn raadsman over alles wat er is gebeurd. Zo hoor je al van het dobbelspel, van de vernedering van Draupadi en van de oorlog, lang voordat de mensen om wie het gaat geboren zijn. Sauti waarschuwt zijn gehoor ervoor: 'U hoort nu namen die u pas later zult leren kennen.'
Dat je het einde aan het begin al ziet doorschemeren, is geen vergissing: zo vertelt de Mahabharata. Janamejaya weet heel goed hoe het met zijn voorouders is afgelopen. Wat hij Vyasa vraagt, is waarom: waarom ze verdeeld raakten en waarom het tot die oorlog kwam. Die vraag draagt het verhaal. Je hoeft de namen uit het eerste hoofdstuk niet te onthouden. Ze komen terug, een voor een, en dan leer je ze kennen.