Hoofdstuk één
Het woord Jaya
Deel 1 · Het huis van de Kuru's · Boek I, Het slangenoffer · 29 min. lezen
Om. Wie het woord Jaya, overwinning, wil uitspreken, buigt eerst voor Narayana en voor Nara, de hoogste onder de mensen, en voor Sarasvati, de godin van het woord.
Op een dag kwam Sauti het woud binnen, moe van de weg. Hij was een suta, een man uit het geslacht van barden en wagenmenners dat de oude verhalen bewaart. Zijn eigen naam was Ugrashrava; zijn vader heette Lomaharshana, hij die de haren overeind doet staan.
Het woud heette Naimisha. Shaunaka, het hoofd van een grote gemeenschap van asceten, hield er een offer dat twaalf jaar zou duren. De wijzen die daarvoor waren samengekomen, brahmanen met strenge geloften, zaten bij elkaar nu het werk van de dag gedaan was. Tweemaal geborenen noemden zij zich, omdat hun wijding in de Veda een tweede geboorte was geweest. Sauti naderde hen met gebogen hoofd, groette hen allemaal met de handpalmen tegen elkaar en vroeg hoe het ging met hun ascese, de tapas waarmee een asceet in de loop van jaren kracht opbouwt. Ze ontvingen hem zoals het hoort, en toen iedereen weer zat, nam hij bescheiden de plaats in die ze hem wezen.
Een van de rishi's, de zieners, wachtte tot hij was uitgerust. 'Waar kom je vandaan, Sauti? Waar ben je al die tijd geweest?'
'Ik heb de verhalen gehoord die Vyasa in zijn Mahabharata heeft samengebracht,' zei Sauti. Vyasa, de dichter, heet ook Krishna Dvaipayana; hij is een andere dan de Krishna die in zijn verhaal een van de hoofdrollen speelt. 'Zijn leerling Vaishampayana heeft ze in hun geheel voorgedragen bij het slangenoffer van koning Janamejaya, de zoon van Parikshit, en de koning zat er zelf bij. Daarna ben ik rondgetrokken, langs heilige wateren en heiligdommen, tot ik in Samantapanchaka kwam, het land dat de tweemaal geborenen vereren. Daar is de oorlog uitgevochten tussen de kinderen van Kuru en de kinderen van Pandu, met alle vorsten van de aarde aan de ene of de andere kant. Daarvandaan kom ik nu; ik wilde u zien. Wat zal ik u vertellen? De oude verhalen over dharma, de orde waaraan ieder gebonden is, en over voorspoed? Of de daden van grote wijzen en van koningen?'
'Vertel ons het verhaal van Vyasa,' zei de rishi. 'Het heilige verhaal dat de goden en de zieners hebben gehoord en dat de betekenis van de vier Veda's bevat; het verhaal dat de angst voor het kwade verdrijft. Vertel ons de Bharata, zoals Vaishampayana haar vol vreugde heeft voorgedragen bij het slangenoffer van Janamejaya.'
Voor hij begon, boog Sauti en zei een aanroeping op. 'Ik buig voor Ishana, het oerwezen, aan wie velen offeren en dat velen vereren; dat het ware en onvergankelijke is, het brahman, de allerhoogste werkelijkheid, zichtbaar en onzichtbaar, eeuwig, dat is en niet is en voorbij beide ligt; dat alles is wat bestaat en er toch van onderscheiden is, de schepper van hoog en laag; dat Vishnu is, goed en de goedheid zelf, zuiver en zonder smet; dat Hari is, die over de zintuigen heerst, die alles leidt wat beweegt en wat stilstaat. Nu ik gebogen heb, vertel ik u de gedachten van Vyasa.
Anderen hebben deze geschiedenis al verteld, anderen leren haar nu, en weer anderen zullen haar later over de aarde verspreiden. Sommigen beginnen haar bij het openingsgebed, anderen bij het verhaal van Astika, weer anderen bij dat van Uparichara, en er zijn brahmanen die het geheel bestuderen.'
En Sauti begon bij het begin van alles.
Toen de wereld nog zonder glans en zonder licht was, overal gehuld in volstrekt donker, ontstond als eerste oorzaak van de schepping een reusachtig ei, het ene onuitputtelijke zaad van alle wezens. Mahadivya heet het, het grote goddelijke, en het werd gevormd aan het begin van het tijdperk. Daarin was, zo wordt ons verteld, het brahman, het ware licht, eeuwig, wonderbaarlijk en onvoorstelbaar, overal tegelijk aanwezig: de onzichtbare, subtiele oorzaak, die deelheeft aan zijn en niet-zijn. Uit dat ei kwam Brahma, de Grootvader, de ene Prajapati, de heer van de schepselen, en met hem kwamen Suraguru, de leraar van de goden, en Sthanu, die ook Shiva heet. Daarna verschenen de eenentwintig stamvaders van alle geslachten; het wezen van onvoorstelbare aard dat alle rishi's kennen; de goden in al hun groepen; de halfgoddelijke wezens van hemel en aarde en de voorouders; en na hen de heilige zieners uit de brahmaanse en uit de koninklijke geslachten. En zo ontstonden het water, de hemel, de aarde, de lucht en de windstreken, de jaren, de seizoenen, de maanden en de halve maanden, en dag en nacht, die elkaar aflossen: alles wat de mensen kennen.
Alles wat in de wereld is geschapen, levend of levenloos, valt aan het einde van het tijdperk weer ineen. Aan het begin van een nieuw tijdperk wordt alles vernieuwd, en de dingen volgen elkaar op zoals de vruchten van de aarde, elk in zijn seizoen. Zo draait in de wereld, zonder begin en zonder einde, het wiel dat alles vernietigt.
Er waren, kort gezegd, drieëndertigduizend, drieëndertighonderd en drieëndertig goden. Uit de zonen van de hemel kwamen geslachten voort, elk tien keer talrijker dan het vorige, tot in de miljoenen, en uit hen stammen de grote huizen van de mensen: dat van Kuru, dat van Yadu en dat van Bharata, dat van Yayati en dat van Ikshvaku, en al die van de koninklijke zieners.
Alles wat er aan geheime kennis bestaat, de Veda's, het onderscheidend inzicht en de yoga, de oefening waarmee men geest en zinnen bedwingt; alles wat er te weten valt over dharma, over artha, de voorspoed, en over kama, het verlangen; de regels voor het leven van de mensen, de geschiedenissen en de leringen: wat de rishi Vyasa daarvan heeft gezien, staat hier in de juiste volgorde. Hij heeft al die kennis zowel uitvoerig als beknopt vastgelegd, en de geleerden willen beide kennen. Sommigen blinken uit in de uitleg, anderen in het onthouden.
Vyasa, de zoon van Satyavati en de wijze Parashara, had door ascese en meditatie de eeuwige Veda geordend, en daarna maakte hij dit heilige verhaal. Toen het af was, vroeg hij zich af hoe hij het zijn leerlingen moest leren. Brahma, de leraar van de wereld, wist van zijn zorg en kwam zelf naar de plaats waar Vyasa woonde, uit genegenheid voor de wijze en om de mensen te helpen. Vyasa zat tussen de wijzen die bij hem woonden. Hij zag Brahma, stond verrast op, legde zijn handen tegen elkaar, boog en liet een zetel brengen. Eerbiedig liep hij om Brahma heen, om de gouden kiem van alles wat bestaat, en bleef naast de zetel staan tot Brahma zei dat hij kon gaan zitten. Toen pas ging hij zitten, dicht bij hem.
'Grootvader,' zei Vyasa, 'ik heb een gedicht gemaakt dat hoog in aanzien staat. Het geheim van de Veda staat erin, en alles wat ik verder heb uitgelegd: de riten van de upanishads met hun hulpwetenschappen; de purana's en de geschiedenis, genoemd naar de drie delen van de tijd, verleden, heden en toekomst. Het spreekt over de aard van verval, angst en ziekte, van bestaan en niet-bestaan; over de vormen van dharma en de levensfasen, de regels voor de vier standen, de ascese en de plichten van de leerling. Het geeft de maat van zon en maan, van de planeten, de sterrenbeelden en de sterren, en de duur van de vier tijdperken. Het bevat de Rig-, de Sama- en de Yajurveda en de kennis van het Zelf, dat in alle schepselen woont; de logica, de uitspraak en de geneeskunst; het geven en de dienst aan Shiva; geboorten onder goden en onder mensen; de pelgrimsplaatsen, de rivieren, bergen, wouden en de oceaan, de hemelse steden en de wereldtijden; de oorlogskunst; de volken en hun talen, hun zeden, en de geest die alles doordringt. Dat alles staat erin. Maar op aarde is niemand te vinden die het kan opschrijven.'
'Om je kennis van de goddelijke geheimen heb ik meer achting voor je dan voor al deze vermaarde wijzen, hoe heilig hun leven ook is,' zei Brahma. 'Ik weet dat je van je geboorte af de Veda in de taal van de waarheid hebt uitgesproken. Je noemt je werk een gedicht; dan zal het een gedicht zijn. Geen dichter zal het ooit evenaren, zoals geen van de drie andere levensfasen opweegt tegen die van de huisvader. Denk aan Ganesha, wijze. Hij moet het voor je opschrijven.'
Brahma ging terug naar zijn eigen verblijf, en Vyasa richtte zijn gedachten op Ganesha, de aanvoerder van de gana's, de scharen die Shiva volgen; hij neemt hindernissen weg en vervult de wensen van wie hem vereert. Nauwelijks dacht Vyasa aan hem, of hij was er. Ze groetten elkaar, Ganesha ging zitten, en Vyasa zei: 'Leider van de gana's, schrijf voor mij de Bharata op die ik in mijn geest heb gevormd en die ik u nu ga voorzeggen.'
'Ik schrijf je werk op,' zei Ganesha, 'als mijn pen maar geen ogenblik stil hoeft te staan.'
'Goed,' zei Vyasa. 'Maar waar u iets niet begrijpt, stopt u met schrijven.'
Ganesha stemde toe met de klank Om en begon te schrijven, en Vyasa begon te spreken. Voor zijn plezier legde hij knopen in zijn verzen, zo strak dat ze nauwelijks los te krijgen waren, en zo hield hij zich aan de afspraak.
'Achtduizend achthonderd van die verzen ken ik,' zei Sauti, 'en Shuka kent ze, de zoon van Vyasa, en misschien ook Sanjaya. Hun betekenis is zo verborgen dat tot op vandaag niemand die verzen kan doorgronden. Zelfs Ganesha, die alles weet, moest er telkens even over nadenken, en in dat ogenblik maakte Vyasa alweer vele nieuwe verzen. Zoals de zon het duister verdrijft, zo verdrijft de Bharata de onwetendheid van de mensen, met haar leer over dharma, voorspoed, verlangen en moksha, de bevrijding uit de kringloop van geboorte en dood.
Dit werk is een boom. De inhoudsopgave is het zaad. De verhalen over Pauloma en Astika zijn de wortels, het boek van de geboorten is de stam. Het boek van de vergaderzaal en het boek van het woud zijn de takken waar de vogels op rusten, en het verhaal van Arani vormt de knoesten; het boek van Virata en het boek van de inspanning zijn het merg; het boek van Bhishma is de grote tak, het boek van Drona het blad, het boek van Karna de bloemen, het boek van Shalya hun geur; het boek van de vrouwen en het verhaal van het grashalmwapen geven de koele schaduw; het boek van de vrede is de grote vrucht, het boek van het paardenoffer het onsterfelijke sap, het boek van het verblijf in de ashram de grond waarin de boom staat, en het boek van de knotsen, dat de brahmanen in ere houden, bevat de kern van de Veda's. Zoals de wolken onuitputtelijk zijn voor de mensen, zo zal deze boom alle dichters voeden die na ons komen.'
Daarna vertelde Sauti van de bloemen en de vruchten van die boom.
Op last van Bhishma, de zoon van de riviergodin Ganga, en van zijn eigen moeder Satyavati, verwekte Vyasa voor het huis van Vichitravirya, een koning die kinderloos was gestorven, drie zonen die als drie offervuren waren: Dhritarashtra, Pandu en Vidura. Daarna keerde hij terug naar zijn hermitage om zijn ascese voort te zetten. Pas toen die drie geboren waren, opgegroeid en gestorven, maakte Vyasa de Bharata bekend in de wereld van de mensen. Koning Janamejaya en duizenden brahmanen vroegen hem erom, en hij gaf zijn leerling Vaishampayana, die naast hem zat, opdracht haar voor te dragen. Die droeg haar voor te midden van de leden van de offervergadering, in de pauzes tussen de plechtigheden van het offer, en telkens drongen ze aan dat hij verder zou gaan.
Vyasa heeft de grootheid van het huis van Kuru volledig beschreven, de deugd van Gandhari, de vrouw van Dhritarashtra, de wijsheid van Vidura en de standvastigheid van Kunti, de vrouw van Pandu. Hij heeft ook de goddelijkheid beschreven van Vasudeva, de Krishna uit het geslacht van de Yadava's; de rechtschapenheid van de zonen van Pandu; en het kwaad dat de zonen van Dhritarashtra en hun aanhang deden.
Het werk heeft meer dan één omvang. Zonder de nevenverhalen telt het vierentwintigduizend verzen, en alleen dat noemen de geleerden de Bharata. Daarna maakte Vyasa een samenvatting van honderdvijftig verzen, en die leerde hij eerst aan zijn zoon Shuka. En hij maakte nog een verzameling, zo groot dat de goden, de voorouders en de gandharva's, de hemelse muzikanten, er elk een eigen deel van kennen; honderdduizend verzen kennen de mensen. Narada droeg ze voor aan de goden, Devala aan de voorouders, Shuka aan de gandharva's, de yaksha's en de rakshasa's, en in deze wereld droeg Vaishampayana ze voor, de leerling van Vyasa, een rechtvaardig man en de eerste van allen die de Veda's kennen. 'Ook ik heb die honderdduizend verzen voorgedragen,' zei Sauti.
Yudhishthira, de oudste zoon van Pandu, is een grote boom van dharma. Arjuna is de stam, Bhima de takken, de tweeling Nakula en Sahadeva, de zonen van Pandu's tweede vrouw Madri, zijn de rijpe vruchten en de bloemen, en de wortels zijn Vasudeva, Brahma en de brahmanen.
Pandu had met zijn wijsheid en zijn kracht veel landen onderworpen. Daarna ging hij als jager bij de asceten in een woud wonen, en daar haalde hij zich een zware vloek op de hals: hij doodde een hert dat met zijn wijfje paarde. Voor de prinsen van zijn huis bleef dat een waarschuwing zolang zij leefden. Door die vloek kon hij zelf geen zonen meer verwekken. Daarom lieten zijn vrouwen, Kunti en Madri, zodat aan de voorschriften van de dharma werd voldaan, in zijn plaats de goden bij zich toe: Dharma, de god van de dharma, Vayu, de wind, Indra, de koning van de goden, en de tweelinggoden, de Ashvins. Hun kinderen groeiden op onder de zorg van hun twee moeders, tussen asceten, in heilige bossen en hermitages, en Pandu zelf stierf in dat woud. Toen de jongens groot waren, brachten rishi's hen, gekleed als leerlingen en met het haar in een knot op het hoofd, naar Dhritarashtra en zijn zonen. 'Dit zijn onze leerlingen,' zeiden ze. 'Ze zijn als uw zonen, uw broers en uw vrienden. Het zijn de Pandava's.' En met die woorden verdwenen de wijzen.
Aan het hof van de Kuru's juichten de voornaamste burgers luid toen ze hen zagen, voorgesteld als de zonen van Pandu. Sommigen zeiden dat het niet Pandu's zonen waren, anderen dat ze het wel waren, en een paar vroegen hoe het zijn kinderen konden zijn, nu hij al zo lang dood was. Toch riep men van alle kanten: 'Ze zijn welkom, hoe dan ook! Door de gunst van de goden zien we het huis van Pandu terug! Heet ze welkom!' Toen het gejuich wegstierf, klonk uit alle windstreken de bijval van onzichtbare geesten. Er regende geurige bloemen, schelphoorns en keteltrommels schalden, en het vreugdegeroep van de burgers reikte tot in de hemel.
De Pandava's bestudeerden de Veda's en vele leerboeken en woonden daar, door iedereen gerespecteerd en voor niemand bang. De voornaamsten waren ingenomen met de zuiverheid van Yudhishthira, de moed van Arjuna, de dienstbaarheid van Kunti tegenover haar ouderen en de bescheidenheid van de tweeling.
Enige tijd later won Arjuna de hand van Draupadi op een svayamvara, een bruidskeuze waarbij prinsen om een bruid wedijveren: te midden van een menigte koningen slaagde hij in een uiterst moeilijke proef met de boog. Van toen af stond hij in aanzien bij alle boogschutters, en op het slagveld kon geen vijand hem aankijken, zoals niemand in de zon kan kijken. Hij versloeg alle omringende vorsten en alle belangrijke volken, en zo maakte hij het voor zijn oudste broer mogelijk de rajasuya te brengen, het koningsoffer waarmee een koning zich tot opperkoning laat wijden.
Door de wijze raad van Vasudeva en de kracht van Bhima en Arjuna vielen Jarasandha, de koning van Magadha, en de hoogmoedige koning van de Chedi's, en zo verwierf Yudhishthira het recht op de rajasuya, rijk aan voorraden en offergaven. Ook Duryodhana, de oudste zoon van Dhritarashtra, kwam naar dat offer. Hij zag de rijkdom van de Pandava's overal uitgestald, de offergaven, de edelstenen, het goud en de juwelen, de koeien, olifanten en paarden, de kostbare stoffen, gewaden en mantels, de sjaals, de pelzen en de tapijten van hertenhuid, en de nijd vrat aan hem. Toen hij de vergaderzaal zag, laaide zijn woede op. Maya, de bouwmeester van de asura's, de oude rivalen van de goden, had haar gebouwd als een hof in de hemel. In die zaal liet hij zich misleiden door het gezichtsbedrog van de bouwmeester, en Bhima lachte hem uit in het bijzijn van Vasudeva, als iemand van lage komaf.
Men vertelde Dhritarashtra dat zijn zoon, te midden van alle genoegens en kostbaarheden, mager werd en bleek. Uit liefde voor zijn zoon stemde Dhritarashtra enige tijd later toe dat er met de Pandava's gedobbeld werd. Toen Vasudeva dat hoorde, werd hij heel boos. Ontevreden als hij was, deed hij niets om de twist te voorkomen: hij liet het dobbelspel gebeuren en alle gruwelijke en onvergeeflijke daden die eruit voortkwamen, en ondanks Vidura, Bhishma, Drona en Kripa, de ouderen en de leraren van het hof, bracht hij de kshatriya's, de stand van krijgers en koningen, ertoe elkaar te doden in de verschrikkelijke oorlog die volgde.
Het slechte nieuws van de overwinningen van de Pandava's bereikte de blinde koning Dhritarashtra, en hij dacht terug aan de besluiten van zijn zoon Duryodhana, van diens vriend Karna en van Shakuni, de broer van zijn vrouw Gandhari. Hij zweeg een tijd, en toen richtte hij zich tot Sanjaya, zijn wagenmenner en raadsman.
'U hoort nu namen die u pas later zult leren kennen,' zei Sauti. 'Het was een blinde man die ze noemde, en hij had alles al gehoord.'
'Luister, Sanjaya,' zei Dhritarashtra, 'naar alles wat ik ga zeggen, en minacht me niet. Je kent de leerboeken, je bent verstandig en wijs. Ik heb nooit oorlog gewild, en de ondergang van mijn geslacht bracht me geen vreugde. Ik maakte geen verschil tussen mijn eigen kinderen en de kinderen van Pandu. Mijn eigen zonen waren eigenzinnig en keken op me neer, omdat ik oud ben. Blind als ik ben, in mijn ellende en uit vaderliefde, heb ik het allemaal verdragen. Dwaas liep ik de onnadenkende Duryodhana achterna, die steeds dwazer werd. Hij had de rijkdom van de zonen van Pandu gezien, en om zijn onhandigheid bij het betreden van de zaal werd hij uitgelachen. Dat kon hij niet verdragen. Hij kon de Pandava's op het slagveld niet verslaan, en ook al was hij een krijger, hij wilde zijn geluk niet door eigen inspanning verwerven. Met Shakuni, de koning van Gandhara, beraamde hij een vals dobbelspel.
Hoor nu wat er daarna gebeurde, Sanjaya, en wat mij werd verteld. Als je alles gehoord hebt en je herinnert hoe het ging, zul je weten dat ik de dingen heb zien aankomen.
Toen ik hoorde dat Arjuna de boog had gespannen, het wonderlijke doel had doorboord en neergehaald, en Draupadi had weggevoerd voor de ogen van alle prinsen, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Subhadra, de zuster van Krishna, in Dvaraka door Arjuna was geschaakt en getrouwd, en dat Krishna en Balarama, haar broers, dat niet kwalijk namen en als vrienden naar Indraprastha kwamen, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Arjuna met zijn hemelse pijlen de regen van Indra, de koning van de goden, had tegengehouden en het Khandava-woud aan Agni, de god van het vuur, had gegeven om te verteren, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat de vijf Pandava's met hun moeder Kunti waren ontsnapt uit het huis van lak dat voor hen in brand was gestoken, en dat Vidura voor hen werkte, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Jarasandha, de koning van Magadha, die straalde tussen de krijgers, door Bhima met blote handen was gedood, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Draupadi, met tranen in haar stem en pijn in haar hart, voor het hof was gesleurd in één enkel gewaad, terwijl ze ongesteld was en volgens de regels afgezonderd had moeten blijven, en dat zij, die beschermers had, werd behandeld alsof ze er geen had, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat de schurk Duhshasana, de broer van Duryodhana, haar dat ene gewaad probeerde af te trekken en alleen een grote berg stof van haar lichaam trok zonder ooit het einde te bereiken, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Yudhishthira door Shakuni bij het dobbelspel was verslagen en zijn koninkrijk kwijt was, en dat zijn broers, sterke mannen allemaal, hem toch bleven volgen, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Arjuna in een gevecht de god van de goden, de drieogige Shiva, die zich als jager had vermomd, tevreden had gesteld en het grote wapen Pashupata had gekregen, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Dharma, de god zelf, in de gedaante van een yaksha, een halfgoddelijk wezen, Yudhishthira vragen had gesteld, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat mijn zonen de Pandava's niet hadden ontdekt, terwijl die met Draupadi vermomd in het rijk van koning Virata woonden, en dat de voornaamste mannen van mijn kant daar allemaal door Arjuna waren verslagen, met één enkele wagen, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Vasudeva, die met één voet de hele aarde bedekte, het welzijn van de Pandava's ter harte ging, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Narada had verklaard dat Arjuna en Krishna Nara en Narayana zijn, en dat hij hen samen had gezien in de wereld van Brahma, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Krishna, die de vrede wilde, voor het welzijn van de mensen naar de Kuru's was gekomen en weer vertrok zonder iets te hebben bereikt; dat hij, toen Karna en Duryodhana hem gevangen wilden nemen, alles wat bestaat in zichzelf liet zien; en dat Kunti bij zijn vertrek bedroefd naast zijn wagen stond en door hem werd getroost, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Arjuna op zijn wagen door moedeloosheid werd overmand en dreigde in te storten, en dat Krishna hem alle werelden in zijn eigen lichaam liet zien, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Bhishma zelf had aangegeven hoe hij verslagen kon worden, en dat de Pandava's dat vol vreugde hadden uitgevoerd; dat Arjuna Shikhandi voor zich op zijn wagen had gezet en zo Bhishma had verwond, die nooit te verslaan was geweest; en dat Bhishma op een bed van pijlen lag en dorst had, en dat Arjuna de grond doorboorde om hem water te geven, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat onze slagorde, die niemand kon doorbreken en die Drona zelf verdedigde, door Abhimanyu, de zoon van Arjuna en Subhadra, in zijn eentje was binnengedrongen, en dat onze grote wagenstrijders, die Arjuna niet aankonden, samen de jongen hadden omsingeld en met vrolijke gezichten hadden gedood, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat de hemelse speer die Indra aan Karna had gegeven, door de listen van Krishna op de rakshasa Ghatotkacha, de zoon van Bhima, werd geworpen, dezelfde speer die voor Arjuna bestemd was, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Dhrishtadyumna, de broer van Draupadi, Drona tegen de wetten van de strijd in had gedood, terwijl die alleen op zijn wagen zat en besloten had te sterven, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Bhima het bloed van zijn neef Duhshasana had gedronken op het slagveld, zonder dat iemand hem kon tegenhouden, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Karna, de dapperste van allen, die in de strijd niet te verslaan was, door Arjuna was gedood in die oorlog tussen broers, raadselachtig zelfs voor de goden, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Shakuni, de wortel van het dobbelspel en van de vete, door Sahadeva in de strijd was gedood, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Duryodhana, uitgeput, naar een meer was gegaan en zich in het water had verschanst, alleen, zonder kracht en zonder wagen; dat de Pandava's met Krishna aan de oever stonden en mijn zoon, die geen belediging verdroeg, honend toespraken; en dat hij, terwijl hij in cirkels allerlei kunstige slagen met de knots liet zien, op aanraden van Krishna oneerlijk werd gedood, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Ashvatthama, de zoon van Drona, en de anderen de Panchala's en de zonen van Draupadi in hun slaap hadden gedood, een gruwelijke en schandelijke daad, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Toen ik hoorde dat Ashvatthama, achtervolgd door Bhima, het eerste van alle wapens had losgelaten en daarmee het kind in de schoot van Uttara, de dochter van Virata, had getroffen, en dat Vyasa en Krishna hem daarom hadden vervloekt, toen, Sanjaya, had ik geen hoop meer op overwinning.
Arme Gandhari. Zij heeft geen kinderen meer, geen kleinkinderen, geen ouders, geen broers en geen verwanten. Zwaar is wat de Pandava's hebben volbracht: zij hebben een koninkrijk teruggewonnen dat niemand hun meer betwist.
Ik heb gehoord dat de oorlog er maar tien heeft laten leven: drie van onze kant, zeven van de Pandava's. Achttien akshauhini's, achttien volledige legers, zijn in die vreselijke strijd gevallen. Alles om mij heen is donker. Mijn geest raakt in de war, suta, mijn bewustzijn verlaat me.'
Zo klaagde Dhritarashtra, en de pijn overmande hem zo dat hij een tijd buiten bewustzijn raakte. Toen hij bijkwam, zei hij tegen Sanjaya: 'Na alles wat er gebeurd is, wil ik meteen een einde aan mijn leven maken. Waarom zou ik het nog rekken?'
Zijn adem siste als die van een slang, en telkens weer viel hij flauw. Toen begon Sanjaya, de zoon van Gavalgana, hem toe te spreken.
'U hebt gehoord, koning, van de mannen over wie Vyasa en de wijze Narada hebben gesproken: mannen uit grote koningshuizen, stralend van deugden, bedreven in de hemelse wapens, in glorie gelijk aan Indra; mannen die de wereld met rechtvaardigheid veroverden, offers brachten met de juiste gaven, in deze wereld beroemd werden en ten slotte zwichtten voor de macht van de Tijd. Vierentwintig van zulke koningen heeft de hemelse rishi Narada ooit opgesomd voor koning Shaivya, toen die treurde om het verlies van zijn kinderen. Srinjaya was erbij, groot onder de veroveraars, en Rantideva, Nala, Vishvamitra, Ambarisha, Marutta, Manu, Ikshvaku, Gaya en Bharata, Rama de zoon van Dasharatha, Bhagiratha, en Yayati, die offers bracht met de goden zelf als helpers, en wiens offeraltaren en offerpalen de hele aarde tekenen. En vóór hen zijn er nog anderen geweest, Puru, Kuru, Yadu, Raghu, Sagara, Nimi, en honderden, duizenden, miljoenen anderen, vorsten van grote wijsheid, die overvloedige genoegens moesten achterlaten en stierven, zoals uw zonen gestorven zijn. Hun dapperheid en hun vrijgevigheid, hun vertrouwen, hun waarheid, hun zuiverheid, hun eenvoud en hun mededogen zijn door geleerde barden in de oude kronieken bekendgemaakt. Ze bezaten alle deugden, en toch moesten ze hun leven geven. Uw zonen waren hebzuchtig, verteerd door hartstocht en kwaadwillig van aard.
U kent de leerboeken, koning, u bent verstandig en wijs, en wie zich door de leerboeken laat leiden, bezwijkt niet onder tegenspoed. U kent de mildheid en de hardheid van het lot; deze angst om uw kinderen past u niet. Treur niet om wat moest gebeuren. Wie kan met zijn wijsheid afwenden wat het lot beschikt? Niemand kan de weg verlaten die voor hem is uitgezet.
Bestaan en niet-bestaan, genot en pijn: alles heeft de Tijd als wortel. De Tijd brengt alle dingen voort en vernietigt alle schepselen. Hij verbrandt de schepselen, en het is weer de Tijd die het vuur dooft. Alle toestanden in de drie werelden, de goede en de kwade, komen voort uit de Tijd. Hij snijdt alles af en brengt het opnieuw voort. Alleen de Tijd is wakker als alles slaapt. De Tijd is niet te overwinnen; hij gaat over alle dingen heen en laat zich door niets ophouden. U weet dat alles wat voorbij is, alles wat komen zal en alles wat nu bestaat, voortkomt uit de Tijd. Werp dus uw verstand niet weg.'
Zo troostte de zoon van Gavalgana koning Dhritarashtra, die door verdriet om zijn zonen was overmand, en hij bracht zijn geest tot rust.
'Uit deze gebeurtenissen maakte Vyasa een heilige upanishad, een geheime leer,' zei Sauti, 'die geleerde barden in hun purana's aan de wereld hebben doorgegeven.
Wie de Bharata bestudeert, verwerft verdienste. Wie er met vertrouwen ook maar één versregel van leest, wordt gereinigd van al het kwaad dat hij deed. Hierin wordt gesproken over goden, over hemelse zieners en over rechtschapen brahmaanse zieners, en ook over de yaksha's en de grote naga's, het slangenvolk. Hierin wordt ook de eeuwige Vasudeva beschreven, die de zes goddelijke eigenschappen bezit. Hij is het ware en rechtvaardige, het zuivere en heilige, het eeuwige brahman, het hoogste Zelf, het ware, blijvende licht, wiens goddelijke daden de wijzen vertellen; uit hem is alles wat bestaat voortgekomen, dat is en niet is, met geboorte en groei, met sterven en opnieuw geboren worden. Ook wordt hier gesproken over het Zelf dat deelheeft aan de eigenschappen van de vijf elementen; over de purusha, de geest die boven alle namen staat; en over wat de grootste asceten, die aan het gewone lot zijn ontstegen, door meditatie en tapas in hun eigen hart zien wonen, als een beeld in een spiegel.
Zoals de boter in de wrongel is, de brahmaan onder de tweevoeters, het Aranyaka, de woudleer, onder de Veda's en de nectar onder de geneesmiddelen; zoals de zee de eerste is onder de wateren en de koe onder de viervoeters, zo is de Bharata onder de geschiedenissen. Wie er ook maar één versregel van laat voordragen aan brahmanen bij het shraddha, het offer aan de voorouders, maakt zijn gaven van voedsel en drank aan hun geesten onuitputtelijk. Met de geschiedenis en de purana's kan men de Veda uitleggen, maar de Veda is bang voor wie weinig weet. Wie deze Veda van Vyasa aan anderen voordraagt, heeft er baat bij; zelfs een kwaad als het doden van een ongeboren kind kan erdoor worden uitgewist. Wie er elke dag met eerbied naar luistert, verwerft een lang leven en roem en stijgt op naar de hemel van de goden.
Aan ascese kleeft geen smet, aan studie niet, aan de voorschriften van de Veda voor alle standen niet, en aan rijkdom die met eigen inspanning is verworven ook niet. Pas wanneer men ze misbruikt, worden ze een bron van kwaad.
Eens legden de goden, die daarvoor bijeen waren gekomen, de vier Veda's in de ene schaal van een weegschaal en de Bharata in de andere. En de Bharata woog zwaarder dan de vier Veda's met al hun geheimen. Daarom heet het werk sindsdien in de wereld de Mahabharata, de grote Bharata: om zijn inhoud, en om het gewicht van wat het betekent. Wie weet wat het betekent, is van al zijn kwaad bevrijd.'
Vijf meren van bloed
'Zoon van de suta,' zeiden de rishi's, 'je noemde een plek die Samantapanchaka heet. Daar willen we alles over horen.'
'Luister dan, brahmanen,' zei Sauti. 'Het is een heilige overlevering, en u bent het waard haar te horen.'
En Sauti vertelde.
De wereld kent vier tijdperken, de yuga's, die elkaar steeds opnieuw opvolgen, en in elk volgend tijdperk staat de dharma zwakker. In de overgang van het tweede naar het derde, van de Treta- naar de Dvapara-yuga, leefde Rama, de zoon van Jamadagni, uit het geslacht van Bhrigu. Men noemt hem Parashurama, Rama met de bijl, en hij is een ander dan Rama, de zoon van Dasharatha. Geen strijder was groter dan hij. Onrecht kon hij niet verdragen, en keer op keer sloeg hij de kshatriya's neer, tot er van die edelen niemand meer over was. Als een brandende meteoor raasde hij. En bij Samantapanchaka maakte hij vijf meren van bloed.
Men vertelt dat de woede hem het verstand had benomen. Hij stond midden in het bloedwater van die meren en bracht zijn voorouders plengoffers van bloed, waar anderen water plengen. Toen verschenen zijn voorouders, met Richika voorop, en ze zeiden: 'Rama, beste Rama, nazaat van Bhrigu, je eerbied voor je voorouders en je kracht behagen ons. Ik wens je alle goeds. Vraag de gunst die je wenst.'
'Als u mij gunstig gezind bent, vaders,' zei Rama, 'dan vraag ik dit: dat ik vrijkom van het kwaad dat ik op me heb geladen door de kshatriya's in mijn woede uit te roeien, en dat de meren die ik heb gemaakt in de wereld beroemd worden als tirtha's, heilige badplaatsen waar pelgrims naartoe trekken.'
'Het zal zo zijn,' zeiden de voorouders. 'Maar kom nu tot bedaren.'
En Rama kwam tot bedaren. Sindsdien heet de streek rond die meren van bloed Samantapanchaka, de heilige plaats van de vijf meren. De wijzen zeggen dat elk land een naam moet dragen die herinnert aan wat het beroemd heeft gemaakt.
Toen de Dvapara-yuga overging in de Kali-yuga, het laatste van de vier, waarin de dharma het zwakst is en waarin wij nu leven, werd bij Samantapanchaka de strijd uitgevochten tussen de legers van de Kaurava's en de Pandava's. In die heilige, effen streek verzamelden zich achttien akshauhini's van strijders die hunkerden naar de slag. En daar, op die ene plek, zijn ze allemaal gesneuveld. Zo is die streek heilig en lieflijk geworden, en beroemd in de drie werelden.
'Wat betekent dat woord akshauhini, zoon van de suta?' vroegen de rishi's. 'Vertel ons precies hoeveel voetvolk, paarden, wagens en olifanten er in een akshauhini gaan. Jij weet het.'
'Eén wagen, één olifant, vijf voetknechten en drie paarden vormen samen een patti,' zei Sauti. 'Drie patti's heten een senamukha. Drie senamukha's zijn een gulma, drie gulma's een gana, drie gana's een vahini, drie vahini's een pritana, drie pritana's een chamu, drie chamu's een anikini. En tien anikini's vormen een akshauhini.
De rekenmeesters komen zo op eenentwintigduizend achthonderdzeventig wagens in één akshauhini, en evenveel olifanten, honderdnegenduizend driehonderdvijftig voetknechten en vijfenzestigduizend zeshonderdtien paarden. Zo waren ze opgebouwd, de achttien akshauhini's van de Kaurava's en de Pandava's samen.'
De Tijd, wiens werken wonderbaarlijk zijn, bracht hen op die ene plek bijeen, maakte de Kaurava's tot de aanleiding en vernietigde hen allemaal. Tien dagen vocht Bhishma, de oude grootoom van beide partijen, die elk wapen kende. Vijf dagen beschermde Drona, hun wapenleraar, de legers van de Kaurava's. Twee dagen vocht Karna, de vriend van Duryodhana, en een halve dag Shalya, de koning van Madra. Daarna duurde het knotsgevecht tussen Duryodhana, de oudste zoon van de blinde koning, en Bhima, de sterkste van de Pandava's, een halve dag. En in de nacht die daarop volgde, vernietigden Ashvatthama, de zoon van Drona, en Kripa, de oom van Ashvatthama, het leger van Yudhishthira, de oudste van de Pandava's, dat sliep zonder gevaar te vermoeden.
'Wijzen,' zei Sauti, 'bij uw offer ben ik nu aan de Bharata begonnen. Een verstandige leerling van Vyasa heeft haar al eens voorgedragen, bij het offer van Janamejaya. Ze is verdeeld in vele delen, en aan het begin staan de verhalen van Paushya, van Pauloma en van Astika. De koningen zijn erin beschreven in al hun dapperheid en roem; de beschrijvingen, de taal en de betekenis zijn afwisselend en wonderlijk; de zeden en de riten van vele mensen staan erin. De wijzen nemen haar aan zoals wie naar moksha verlangt, naar de bevrijding, de onthechting aanneemt. Wat het Zelf is onder de dingen die een mens kan weten en het leven onder de dingen die hem dierbaar zijn, dat is deze geschiedenis onder alle leerboeken: zij wijst de weg naar de kennis van het brahman. Er is in deze wereld geen verhaal in omloop dat niet op haar steunt, zoals het lichaam steunt op het voedsel dat het eet. Alle dichters dienen haar, zoals knechten die vooruit willen een meester van goede huize dienen.
Vyasa heeft haar in honderd delen gemaakt, en die zijn verdeeld over achttien boeken: het boek van het begin; het boek van de vergaderzaal; het boek van het woud; het boek van Virata, de koning bij wiens hof de Pandava's een jaar in vermomming leefden; het boek van de inspanning, waarin om de vrede wordt onderhandeld en de oorlog wordt voorbereid; de boeken van Bhishma, van Drona, van Karna en van Shalya, de aanvoerders; het boek van de slapenden; het boek van de vrouwen; het boek van de vrede; het boek van de voorschriften; het boek van het paardenoffer; het boek van het verblijf in de ashram; het boek van de knotsen; het boek van de grote tocht; en het boek van de opgang naar de hemel. In het aanhangsel staan nog de Harivamsha, het geslacht van Hari, en de Bhavishya, het boek van wat komen zal; de Harivamsha alleen telt twaalfduizend verzen.
Achttien akshauhini's kwamen samen, en de strijd duurde achttien dagen. Wie de vier Veda's kent met al hun hulpwetenschappen en upanishads, maar deze geschiedenis niet, kan niet wijs genoemd worden. Vyasa, wiens verstand geen grenzen kent, heeft de Mahabharata een leer genoemd over voorspoed, over dharma en over verlangen. Wie ernaar geluisterd heeft, kan geen ander verhaal meer aanhoren, zoals wie de kokila heeft horen zingen, de vogel met de zoetste stem van het woud, het krassen van de kraai niet meer verdraagt. Uit de vijf elementen ontstaan de drie werelden; uit dit werk ontstaat de inspiratie van alle dichters. De purana's steunen op deze geschiedenis zoals alle schepselen steunen op de ruimte waarin ze bestaan, en alle riten en deugden steunen erop zoals de zintuigen op de geest. En zoals de levensfase van de huisvader door geen van de drie andere wordt overtroffen, zo overtreft geen dichter dit gedicht.
Asceten, schud uw traagheid af. Richt uw hart op de dharma, want de dharma is de enige vriend van wie naar de andere wereld is gegaan. Zelfs de verstandigste mens kan rijkdom en vrouwen nooit werkelijk de zijne maken, hoe hij ze ook vasthoudt; geen van beide blijft. De Bharata, uit de mond van Vyasa, is onvergelijkbaar. Zij is de dharma zelf, en heilig. Zij neemt het kwaad weg en brengt het goede voort. Wie ernaar luistert terwijl ze wordt voorgedragen, hoeft niet meer te baden in de heilige wateren van Pushkara. Wat een brahmaan overdag met zijn zintuigen aan kwaad doet, daarvan komt hij vrij als hij 's avonds de Bharata opzegt; wat hij 's nachts aan kwaad doet in daad, woord of gedachte, daarvan komt hij vrij als hij haar opzegt bij het ochtendgloren. Wie honderd koeien met verguld beslagen horens schenkt aan een brahmaan die thuis is in de Veda's, verwerft evenveel verdienste als wie elke dag luistert naar de heilige verhalen van de Bharata.
De oceaan is wijd, maar met een schip kom je er gemakkelijk over. Dit overzicht van haar delen is het schip voor deze geschiedenis.'