Hoofdstuk acht
Vaishampayana begint
Vyasa komt
Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel II, De voorouders · 27 min. lezen
'Kind,' zei Shaunaka, 'je hebt me deze lange geschiedenis verteld, te beginnen bij het nageslacht van Bhrigu, en ik ben heel tevreden over je. Nu vraag ik je opnieuw: vertel me de geschiedenis die Vyasa heeft gemaakt. Bij dat offer, dat zo lang duurde, werden in de pauzes tussen de plechtigheden allerlei wonderlijke verhalen verteld, te midden van de sadasya's. Ik wil ze van je horen, en ook waar ze over gingen. Vertel ze me volledig.'
'In de pauzes hadden de brahmanen het over veel dingen die op de Veda's berusten,' zei Sauti. 'Maar Vyasa droeg de grote geschiedenis voor die de Bharata heet, vol wonderen.'
'Die heilige geschiedenis, de Mahabharata, die de roem van de Pandava's verbreidt,' zei Shaunaka, 'die Krishna Dvaipayana in de pauzes tussen de plechtigheden liet voordragen toen Janamejaya erom vroeg: die wil ik horen, zoals het hoort. Ze komt voort uit de geest van de grote rishi, die zich door yoga had gezuiverd en wiens geest zo wijd was als de oceaan. Vertel haar me, want alles wat je tot nu toe hebt verteld, heeft mijn dorst nog niet gestild.'
'Ik zal u de Mahabharata, de geschiedenis die Vyasa heeft gemaakt, van het begin af vertellen,' zei Sauti. 'Luister naar het hele verhaal, brahmaan. Ik vertel het graag.'
En Sauti vertelde.
Al bij het begin, toen Vyasa hoorde dat Janamejaya voor het slangenoffer was gewijd, was hij erheen gegaan. Vyasa, die ook Krishna Dvaipayana heet, was de grootvader van de Pandava's. Zijn moeder was Satyavati, die hem baarde toen ze nog een ongetrouwd meisje was; zijn vader was Parashara, de zoon van Shakti. Zodra hij geboren was, liet hij zijn lichaam door zijn wil alleen volgroeien. Wat niemand verwerft door ascese, door studie van de Veda's, door geloften, door vasten, door nakomelingen of door offers, verwierf hij moeiteloos. Hij beheerste de Veda's met hun hulpwetenschappen en alle overleveringen, en hij was het die de Veda in vier delen verdeelde. Hij kende het brahman, de allerhoogste werkelijkheid, hij zag het verleden als in een visioen, hij was heilig en hield van de waarheid. En hij verwekte Pandu, Dhritarashtra en Vidura om het geslacht van Shantanu voort te zetten.
Met zijn leerlingen, die net als hij de Veda's en hun hulpwetenschappen kenden, betrad Vyasa de offerhal van de koninklijke wijze Janamejaya. De koning zat op het offerterrein, omringd door de sadasya's, door gewijde koningen uit allerlei landen en door bekwame offerpriesters. Hij zag de rishi komen en ging hem met zijn gevolg en zijn verwanten haastig tegemoet. Met instemming van de sadasya's gaf hij hem een gouden zetel, zoals Indra een zetel gaf aan Brihaspati, de leraar van de goden. Toen de rishi zat, eerde de koning hem volgens de voorgeschreven riten. Hij bood zijn voorvader water om zijn voeten en zijn mond te wassen, en ook de arghya, het water dat men een geëerde gast aanbiedt, en een koe. Vyasa nam de gaven aan en liet de koe gaan. De koning boog voor hem, ging zitten en vroeg hoe het met hem ging; de rishi keek hem aan, vroeg hetzelfde en eerde op zijn beurt de sadasya's, die hem eerst hadden geëerd.
Daarna vouwde Janamejaya zijn handen en stelde hem, samen met al zijn sadasya's, een vraag. 'Brahmaan, u hebt de daden van de Kuru's en de Pandava's met eigen ogen gezien. Ik wil dat u hun geschiedenis vertelt. Waarom raakten ze verdeeld, en waarom leidde dat tot zulke buitengewone daden? En waarom werd er tussen al mijn voorvaders, wier heldere verstand door het lot was verduisterd, die grote slag geleverd die ontelbare schepselen het leven kostte? Vertel me alles, precies zoals het gebeurd is.'
Vyasa wendde zich tot zijn leerling Vaishampayana, die naast hem zat. 'De tweedracht die er vroeger was tussen de Kuru's en de Pandava's: vertel de koning er alles over, zoals je het van mij hebt gehoord.'
En op bevel van zijn leraar vertelde Vaishampayana de koning, de sadasya's en alle vorsten die daar bijeen waren de hele geschiedenis: de vijandschap tussen de Kuru's en de Pandava's, en hoe ze ten onder gingen.
Vaishampayana begint
Eerst boog Vaishampayana voor zijn leraar, met acht delen van zijn lichaam tegen de grond, en hij eerde de hele vergadering van brahmanen en geleerden. Toen zei hij tegen Janamejaya: 'Ik zal u volledig vertellen wat ik heb gehoord van de grote rishi Vyasa, de wijste in de drie werelden. U bent het waard de Bharata te horen, en nu mijn leraar het mij opdraagt, ben ik niet bang.
Luister, koning, waarom de Kuru's en de Pandava's verdeeld raakten, en waarom de Pandava's na het dobbelspel in ballingschap naar de wouden moesten, omdat de Kuru's de heerschappij voor zich alleen wilden.
Na de dood van hun vader kwamen de vijf Pandava's naar huis, en al gauw waren ze bedreven in het boogschieten. Ze waren sterk en scherp van geest, de burgers hielden van hen en het geluk was met hen, en de Kuru's werden jaloers. Duryodhana, de oudste zoon van Dhritarashtra, begon hen te vervolgen, samen met zijn vriend Karna en met Shakuni, zijn oom van moederskant, de zoon van Subala. Hij gaf Bhima gif en liet hem in zijn slaap vastgebonden in de Ganga gooien, maar Bhima verteerde het gif, scheurde de touwen stuk en overleefde zelfs de beten van de zwarte slangen in het water. Bij al die aanslagen was het Vidura, hun oom, die de kwade plannen van de Kuru's verijdelde en de Pandava's redde.'
Vaishampayana vertelde verder, in het kort, hoe Duryodhana met medeweten van Dhritarashtra een huis van lak liet bouwen in Varanavata, en hoe de Pandava's met hun moeder er een jaar woonden, op hun hoede voor Purochana, de spion van Duryodhana. Hij vertelde hoe ze op aanwijzing van Vidura een gang onder de grond lieten graven, het huis in brand staken en Purochana erin lieten verbranden, en hoe ze daarna met hun moeder vluchtten. Hij vertelde hoe Bhima in het woud een rakshasa doodde en met diens zuster Hidimbi trouwde, die hem Ghatotkacha schonk; hoe de broers als leerlingen van de Veda in Ekachakra woonden, waar Bhima de rakshasa Baka doodde; hoe ze in Panchala Draupadi wonnen; hoe Dhritarashtra en Bhishma hun Khandavaprastha gaven om tweedracht te voorkomen, en hoe ze daar machtig werden en de vier broers de vier windstreken onderwierpen, tot het leek alsof de aarde zes zonnen had. Hij vertelde hoe Yudhishthira Arjuna voor lange tijd het woud in stuurde, en hoe Arjuna in Dvaraka met Subhadra trouwde, de zuster van Krishna, de zoon van Vasudeva; hoe hij met Krishna het Khandava-woud aan Agni gaf en van Agni de boog Gandiva kreeg, een koker die nooit leeg raakte en een wagen met Garuda op het vaandel; hoe hij Maya, de bouwmeester van de asura's, uit het vuur redde, en hoe Maya voor de Pandava's een hemelse vergaderzaal bouwde. Duryodhana begeerde die zaal. Hij liet Shakuni voor zich dobbelen, won met bedrog van Yudhishthira en stuurde de Pandava's voor twaalf jaar het woud in, en een dertiende jaar in vermomming. Toen ze in het veertiende jaar terugkwamen en hun bezit opeisten, kregen ze het niet. Er brak oorlog uit; de Pandava's roeiden het hele geslacht van de kshatriya's uit, doodden koning Duryodhana en kregen hun verwoeste rijk terug.
'Dat is de geschiedenis van de Pandava's, die zich nooit door kwade hartstochten lieten leiden,' zei Vaishampayana. 'Zo raakten de Kuru's hun rijk kwijt, en zo overwonnen de Pandava's.'
'U hebt me de geschiedenis van de grote daden van de Kuru's in het kort verteld,' zei Janamejaya. 'Maar vertel haar me nu volledig, die wonderlijke vertelling. Ik wil er alles van weten, en met zo'n korte samenvatting ben ik niet tevreden. Het kan geen kleine reden zijn geweest waarom de rechtvaardigen doodden wie ze niet hadden mogen doden, en waarom de mensen hen daar toch om prijzen. Waarom verdroegen zij, die onschuldig waren en zich op hun vijanden konden wreken, zo kalm de vervolging door de slechte Kuru's? Waarom bedwong Bhima, zo sterk als tienduizend olifanten, zijn woede toen hem onrecht werd aangedaan? Waarom verbrandde Draupadi, de dochter van Drupada, die door die ellendelingen werd gekrenkt en hen met haar woedende blik had kunnen verbranden, de zonen van Dhritarashtra niet? Waarom volgden Bhima en Arjuna en de twee zonen van Madri, die zelf ook gekrenkt waren, Yudhishthira, die het dobbelspel niet kon laten? Waarom verdroeg Yudhishthira, de zoon van Dharma, de rechtvaardigste van allen, zoveel leed? En waarom verdroeg Arjuna dat alles, met Krishna als zijn wagenmenner, hij die met zijn pijlen die onversaagde legermacht naar de wereld van de doden stuurde? Vertel me alles zoals het gebeurd is, en alles wat die grote wagenstrijders hebben gedaan.'
'Bepaal een tijd om ernaar te luisteren,' zei Vaishampayana. 'De geschiedenis zoals Vyasa haar heeft verteld, is lang; wat ik u vertelde, was pas het begin. Ik zal u het hele werk van de grote rishi vertellen. De Bharata telt honderdduizend heilige verzen en is gelijk aan de Veda's. Wie haar aan anderen voordraagt en wie ernaar luistert, bereikt de wereld van Brahma en wordt aan de goden gelijk. Ze leert over dharma, voorspoed en verlangen, en ze richt het hart op de bevrijding. Wie haar hoort, hoe wreed hij ook is, komt vrij van zijn kwaad, zoals de zon vrijkomt uit de muil van Rahu, het hoofd dat zon en maan verslindt, als de verduistering voorbij is. Deze geschiedenis heet Jaya, overwinning; wie wil overwinnen, moet haar horen. Wat er over dharma, voorspoed, verlangen en bevrijding gezegd kan worden, is ook elders te vinden; maar wat hier niet in staat, is nergens te vinden.'
Het meisje dat naar vis rook
En Vaishampayana vertelde.
Er was een koning die Vasu heette, uit het geslacht van Puru. Hij was rechtvaardig en hield van jagen, en op aanwijzing van Indra veroverde hij het mooie rijk van Chedi. Later legde hij zijn wapens neer, trok zich terug in de eenzaamheid en begon aan een zware ascese. De goden, met Indra voorop, dachten dat hij zo de plaats van Indra wilde innemen, en ze gingen naar hem toe. Met vriendelijke woorden brachten ze hem ervan af.
'Zorg dat de dharma op aarde niet afneemt,' zeiden de goden. 'Als jij haar beschermt, zal zij alles wat bestaat beschermen.'
'Bescherm de dharma op aarde, koning,' zei Indra. 'Ik woon in de hemel van de goden en jij op aarde, en toch ben je mijn vriend. Woon in het land van Chedi, dat rijk is aan vee, graan en edelstenen, waar de mensen eerlijk en tevreden zijn en zelfs voor de grap niet liegen, en waar de zonen het bezit van hun vader niet opdelen. Ik geef je een wagen van kristal, zoals alleen de goden die hebben, en daarmee zul je als enige sterveling door de lucht rijden. En ik geef je een krans van lotussen die nooit verwelken; wie hem draagt, kan in de strijd door geen wapen gewond worden.'
Indra gaf de koning ook een bamboestok, ter bescherming van de eerlijke en vreedzame mensen. Na een jaar plantte de koning die stok in de grond om Indra te eren, en sindsdien planten alle koningen naar het voorbeeld van Vasu een paal voor het feest van Indra en tooien hem met gouden doek, geuren en kransen. Indra verscheen in de gedaante van een gans om die verering te aanvaarden, en hij beloofde dat wie zijn feest zo vierde, roem en overwinning zou hebben. Vasu had vijf zonen, en hij gaf ieder van hen een eigen gewest; een van hen was Brihadratha, die over Magadha heerste. En omdat de koning in zijn wagen van kristal door de lucht reed, noemde men hem Uparichara, hij die hoog boven rijdt.
Langs zijn hoofdstad stroomde een rivier, de Shuktimati. Eens raakte Kolahala, een levende berg, dol van begeerte naar die rivier, en hij greep haar vast. Vasu zag het en schopte de berg, en door de deuk die zijn voet in de berg sloeg, kwam de rivier vrij. Maar de berg had bij de rivier een tweeling verwekt. Uit dankbaarheid gaf de rivier de kinderen aan Vasu. De zoon maakte hij tot aanvoerder van zijn leger, en met de dochter, Girika, trouwde hij.
Toen haar bloeding voorbij was, reinigde Girika zich met een bad en liet haar man weten dat ze vruchtbaar was. Maar diezelfde dag kwamen de voorouders van Vasu naar hem toe en vroegen hem herten te jagen voor hun shraddha, het offer aan de voorouders. De koning vond dat hij dat bevel niet mocht weigeren, en hij ging jagen, maar hij dacht alleen aan Girika. Het was lente, en het woud was zo mooi als de tuinen van de koning van de gandharva's. Er bloeiden ashoka's, champaka's en mangobomen, en alles was dronken van het zingen van de kokila, de vogel met de zoetste stem van het woud, en van het zoemen van de bijen. Het verlangen greep de koning, en zijn vrouw was niet bij hem. Hij ging zitten in de schaduw van een ashoka vol bloemen, en in de geur van het seizoen kon hij zijn gedachten niet van Girika afhouden.
Vlak bij hem zat een snelle havik. De koning kende de fijne waarheden van dharma en van artha, de voorspoed, en hij ging naar de vogel toe. 'Breng dit zaad naar mijn vrouw Girika,' zei hij, 'en geef het haar. Haar tijd is gekomen.'
De havik nam het aan en vloog snel weg. Onderweg zag een andere havik hem, dacht dat hij vlees droeg en viel hem aan. Terwijl ze in de lucht met hun snavels vochten, viel het zaad in de Yamuna. In dat water woonde Adrika. Ze was een apsara, een danseres uit de hemel van de goden, maar door de vloek van een brahmaan was ze in een vis veranderd. Zodra het zaad van Vasu uit de klauwen van de havik in het water viel, zwom ze erheen en slikte het in.
Na een tijd werd die vis door vissers gevangen. Het was de tiende maand sinds ze het zaad had ingeslikt. Uit de buik van de vis kwamen een jongen en een meisje. De vissers verbaasden zich en gingen ermee naar koning Uparichara, want ze waren zijn onderdanen. 'Koning,' zeiden ze, 'deze twee wezens in mensengedaante zijn in het lichaam van een vis gevonden.' Uparichara nam de jongen mee; die werd later de rechtvaardige koning Matsya.
Met de geboorte van de tweeling was de apsara vrij van haar vloek. De brahmaan die haar had vervloekt, had haar gezegd dat ze als vis twee mensenkinderen zou baren en dat de vloek dan voorbij zou zijn. Toen de vissers haar doodden, legde ze het lichaam van de vis af, nam haar eigen gedaante weer aan en steeg op langs het pad van de siddha's, de wezens die de volmaaktheid hebben bereikt, en van de rishi's en de charana's, de zangers die de lof van de goden zingen.
Het meisje rook naar vis, en de koning gaf haar aan de vissers. 'Laat zij jullie dochter zijn,' zei hij. Ze heette Satyavati. Ze was beeldschoon, ze had alle goede eigenschappen en een lieve glimlach, maar doordat ze bij vissers woonde, bleef ze een tijd naar vis ruiken. Om haar pleegvader te helpen, zette ze met een boot mensen over de Yamuna.
Op een van zijn zwerftochten zag de grote rishi Parashara haar. Ze was zo mooi dat zelfs een asceet haar zou begeren, en zodra de wijze haar zag, wilde hij haar hebben. 'Geef je aan mij,' zei hij tegen de dochter van Vasu.
'Gezegende,' zei Satyavati, 'kijk, aan beide oevers van de rivier staan rishi's. Hoe kan ik doen wat u wilt als zij ons zien?'
Toen liet de asceet uit het niets een mist opkomen, die de hele streek in duisternis hulde. Het meisje verbaasde zich over die mist, en machteloos als ze was, bloosde ze. 'Bedenk dat ik een maagd ben, onder het gezag van mijn vader,' zei ze. 'Als ik me aan u geef, verlies ik mijn maagdelijkheid. Hoe kan ik dan nog naar huis? Ik zou niet meer kunnen leven. Denk daaraan, en doe wat er gedaan moet worden.'
De rishi was ingenomen met wat ze zei. 'Je blijft een maagd, ook als je me mijn wens vervult. En vraag de gunst die je wilt. Mijn welgezindheid is nog nooit zonder vrucht gebleven.'
Ze vroeg dat haar lichaam een zoete geur zou verspreiden in plaats van de geur van vis, en de rishi vervulde die wens. Ze had haar gunst gekregen, en meteen kwam haar vruchtbare tijd. Ze gaf zich aan de rishi. Van toen af heette ze Gandhavati, zij die geurt, en omdat haar geur een yojana ver reikte, een oude maat voor een grote afstand, noemde men haar ook Yojanagandha. Daarna ging Parashara terug naar zijn hermitage.
Satyavati rook nu zoet, en ze was maagd gebleven. Ze werd zwanger van Parashara, en nog diezelfde dag bracht ze op een eiland in de Yamuna een krachtig kind ter wereld. Met toestemming van zijn moeder zette de jongen zijn zinnen op ascese, en hij ging weg met de woorden: 'Zodra je aan me denkt, als het nodig is, zal ik bij je verschijnen.'
Dat kind was Vyasa, de zoon van Satyavati en Parashara. Omdat hij op een eiland werd geboren, heette hij Dvaipayana, de op het eiland geborene. Hij zag hoe de dharma, die in het eerste tijdperk op vier benen staat, in elk volgend tijdperk een been verliest, en hoe de levensduur en de kracht van de mensen met de tijdperken afnemen, en daarom ordende hij de Veda's. Vandaar zijn naam Vyasa, de ordenaar. Hij onderwees de Veda's aan Sumantu, Jaimini, Paila, zijn zoon Shuka en Vaishampayana, met de Mahabharata als vijfde Veda, en via hen maakte hij de Bharata bekend.
Later werden de helden geboren die in de grote oorlog zouden vechten. Uit Ganga, de godin van de rivier, werd bij koning Shantanu Bhishma geboren, een man van kracht en roem, voortgekomen uit de delen van de Vasu's, een schare van acht goden. Uit het zaad van de rishi Bharadvaja, bewaard in een pot, kwam Drona voort. Het zaad van Sharadvat, een rishi uit het geslacht van Gautama, viel op een pol riet, en daaruit werd een tweeling geboren: Kripa, en Kripi, die later de moeder van Ashvatthama werd. Uit het offervuur werd Dhrishtadyumna geboren, met een boog in de hand: hij moest Drona doden. Uit het offeraltaar kwam Draupadi voort, stralend en mooi. En Drupada kreeg een dochter, Shikhandini, die later in een man werd veranderd: de yaksha Sthuna deed dat, omdat hij het goed met haar voorhad. Van de koningen die in die oorlog tegen elkaar vochten, zijn er honderdduizenden; hun namen zijn in tienduizend jaar niet op te sommen. Dit waren de voornaamsten.
De last van de aarde
'Brahmaan,' zei Janamejaya, 'ik wil alles horen over de koningen die u hebt genoemd en die u niet hebt genoemd, en over de duizenden anderen. En vertel me vooral waarom die grote wagenstrijders op aarde geboren werden, mannen die de goden evenaarden.'
'Wat u vraagt, koning, is zelfs voor de goden een geheim, zo hebben we gehoord,' zei Vaishampayana. 'Toch zal ik het u vertellen, nadat ik heb gebogen voor hem die uit zichzelf bestaat.'
En Vaishampayana vertelde.
Parashurama, Rama met de bijl, de zoon van Jamadagni, had de aarde eenentwintig keer van haar kshatriya's beroofd, en daarna trok hij naar de berg Mahendra om daar ascese te beoefenen. In die tijd, toen er op aarde geen kshatriya's meer waren, gingen de kshatriya-vrouwen die kinderen wilden naar de brahmanen. En brahmanen met strenge geloften kwamen bij hen, alleen in hun vruchtbare tijd, nooit uit begeerte en nooit op een ander moment. Duizenden van die vrouwen werden zwanger, en er werden jongens en meisjes geboren, sterker dan voorheen: het geslacht van de kshatriya's bloeide weer op. Zo kregen de vier standen, met de brahmanen voorop, opnieuw hun plaats.
Iedere man kwam toen alleen bij zijn vrouw als haar vruchtbare tijd was gekomen, nooit uit begeerte, en zelfs de vogels deden het zo. Honderdduizenden schepselen werden geboren, allemaal rechtvaardig, zonder verdriet en zonder ziekte. De kshatriya's regeerden weer over de aarde tot aan de oceaan, en ze regeerden rechtvaardig: ze lieten de ondeugden van begeerte en woede varen en straften alleen wie straf verdiende. Indra zag het, en hij liet de regen op de juiste tijd en de juiste plaats vallen. Niemand stierf jong. De brahmanen bestudeerden de Veda's met hun hulpwetenschappen en de upanishads, de leerteksten die de Veda afsluiten, en geen brahmaan verkocht de Veda voor geld. De vaishya's, de boeren en handelaars, lieten het land met ossen bewerken, en het vee dat mager was, verzorgden ze goed. Geen koopman gebruikte een valse weegschaal. Ieder hield zich aan de plichten van zijn stand, de dharma nam niet af, de bomen droegen bloemen en vruchten op de juiste tijd, en zo brak het krita-tijdperk aan, het eerste en volmaakte van de vier tijdperken, en de aarde raakte vol schepselen.
Maar toen het zo goed ging op aarde, begonnen de asura's in koninklijke geslachten geboren te worden. De daitya's, de zonen van Diti, waren keer op keer verslagen door de goden, de zonen van Aditi, en ze hadden hun heerschappij en hun plaats in de hemel van de goden verloren. Nu lieten ze zich op aarde geboren worden. Ze wilden heersen, en ze kwamen ter wereld onder allerlei schepselen: onder koeien, paarden, ezels, kamelen en buffels, onder rakshasa's en andere wezens, onder olifanten en herten. Door al wie er al geboren was en nog geboren werd, kon de aarde zichzelf niet meer dragen. Sommige zonen van Diti en Danu, die uit de wereld van de goden waren verdreven, werden op aarde koningen vol hoogmoed. In allerlei gedaanten bedekten ze de aarde tot aan de oceaan, en met hun kracht onderdrukten ze brahmanen, kshatriya's, vaishya's, shudra's en alle andere schepselen. In benden van honderden en duizenden trokken ze rond, joegen alle schepselen schrik aan en doodden hen. Ze kenden geen waarheid en geen dharma, ze waren trots op hun kracht en dronken van overmoed, en ze beledigden zelfs de grote rishi's in hun hermitages.
De aarde leed onder de asura's, die sterk waren en over veel middelen beschikten. De danava's drukten zo zwaar op haar dat Shesha, de slang die de aarde draagt, en vele anderen als hij al hun krachten moesten bundelen om haar met al haar bergen te dragen. De Aarde was bang, en ze zocht bescherming bij de Grootvader van alle schepselen. Ze zag Brahma, de schepper van de werelden, die nooit vergaat, omringd door de goden, de brahmanen en de grote rishi's, en vereerd door de gandharva's en de apsara's. In het bijzijn van alle hoeders van de windstreken vertelde de Aarde hem alles. Maar wat ze kwam vragen, wist hij al, hij die alles weet en uit zichzelf bestaat. Hij had de wereld geschapen: hoe zou hij niet weten wat er omgaat in de geest van zijn schepselen, van de goden en de asura's?
'Jij die alle rijkdom draagt,' zei Brahma tegen haar, 'voor het doel waarvoor je bij me bent gekomen, zal ik alle goden inzetten.'
Met die woorden nam Brahma afscheid van de Aarde. Hij beval alle goden: 'Ga, en laat een deel van jullie wezen op aarde geboren worden, om haar van haar last te bevrijden. Zoek de strijd met de asura's die daar al geboren zijn.' En hij riep ook alle geslachten van de gandharva's en de apsara's bij zich en zei tegen hen: 'Ga, en word met een deel van jullie wezen onder de mensen geboren, in de gedaanten die jullie willen.'
Alle goden, met Indra voorop, hoorden wat Brahma zei, en ze aanvaardden zijn woorden, die waar waren, bij het ogenblik pasten en heil brachten. Ze besloten met een deel van hun wezen naar de aarde af te dalen, en ze gingen naar Narayana, dat is Vishnu, de god die de wereld in stand houdt, in Vaikuntha, zijn wereld. Hij draagt de werpschijf en de knots, zijn kleed is geel, hij straalt, uit zijn navel groeit een lotus, hij verslaat de vijanden van de goden, zijn blik rust in yoga op zijn brede borst, hij is de heer van de prajapati's en de vorst van alle goden, en op zijn borst draagt hij het gunstige teken van de krul. Toen zei Indra tegen hem: 'Daal af en word geboren.'
'Het zal zo zijn,' antwoordde Vishnu.
De geslachten
Indra overlegde met Narayana hoe die met alle goden, elk met een deel van zijn wezen, naar de aarde zou afdalen. Hij gaf alle goden zijn bevel en keerde terug uit het verblijf van Narayana. En een voor een lieten de goden zich op aarde geboren worden, om de asura's te vernietigen en voor het welzijn van de drie werelden. Ze kwamen ter wereld in de geslachten van brahmaanse en koninklijke wijzen, zoals ze zelf wilden, en ze doodden danava's, rakshasa's, gandharva's, slangen en andere mensenetende wezens. Al als kinderen waren ze zo sterk dat niemand hen kon doden.
'Ik wil vanaf het begin horen hoe alle schepselen zijn ontstaan,' zei Janamejaya, 'de goden, de danava's, de gandharva's, de apsara's, de mensen, de yaksha's en de rakshasa's. Vertel het me.'
'Dat zal ik doen,' zei Vaishampayana. 'Maar eerst buig ik voor hem die uit zichzelf bestaat.'
En Vaishampayana vertelde verder.
Brahma had zes zonen die hij uit zijn geest had voortgebracht: Marichi, Atri, Angiras, Pulastya, Pulaha en Kratu. De zoon van Marichi was Kashyapa, en uit Kashyapa kwamen de schepselen voort. Daksha, de prajapati, was gesprongen uit de rechterteen van Brahma, en zijn vrouw uit de linker. Hij had vijftig dochters en geen zonen, en daarom maakte hij hen tot putrika's, dochters die voor hun vader als zoon gelden: hun zonen zouden zowel bij hem als bij hun man horen. Dertien van hen gaf hij aan Kashyapa, onder wie Aditi, Diti, Danu, Kala, Krodha, Vinata en Kadru. Tien gaf hij aan Dharma, de god van de dharma, en zevenentwintig aan Soma, de god van de maan. Die zevenentwintig werden de maanhuizen, die de tijd aanwezen en de wereld in haar loop bijstonden. Zo werd Kashyapa de vader van de werelden, van de goden en van de asura's.
Aditi baarde de twaalf Aditya's, de heersers over alles wat bestaat. Onder hen waren Mitra, Indra, Varuna, Vivasvat en Tvashtri, en de jongste was Vishnu, die hen allemaal overtrof.
Diti had één zoon, Hiranyakashipu, en haar nakomelingen noemde men de daitya's. Hiranyakashipu had vijf zonen. De oudste was Prahlada, en onder de anderen waren Samhlada, Anuhlada en Vashkala. Danu kreeg veertig zonen, de danava's; daitya's en danava's samen vormden de asura's, de oude rivalen van de goden. De oudste van de danava's was Viprachitti, en onder de anderen waren Namuchi, Vrishaparvan en Ashvapati. Ook Rahu, de vijand van de zon en de maan, was de zoon van een van die dochters van Daksha, en een andere baarde Vala en de grote asura Vritra. De zonen van Kala sloegen hun vijanden neer als Yama, de god van de dood. Hun zonen en kleinzonen waren niet te tellen.
Shukra, de zoon van Bhrigu, werd de leraar van de asura's. Hij leefde als leerling van de Veda, met strenge geloften, en op bevel van Brahma, die uit zichzelf bestaat, trok hij als planeet langs het hemelgewelf: hij gaf en onthield de regen, zond rampen en nam ze weg, en hield zo het leven van de schepselen in de drie werelden in stand. Door de kracht van zijn ascese deelde hij zich in tweeën, en daardoor werd hij de leraar van de daitya's én van de goden.
Vinata werd de moeder van Garuda en Aruna. Kadru baarde de slangen; de voornaamsten waren Shesha, die ook Ananta heet, Vasuki en Takshaka. Van twee andere dochters stamden de gandharva's, onder wie Chitraratha, Vishvavasu, Haha, Huhu en Tumburu, en ook de apsara's, onder wie Tilottama en Rambha. En volgens de purana, de oude overlevering, kwamen de brahmanen en de koeien, en ook gandharva's en apsara's, uit nog een andere dochter voort.
Behalve de zes wijzen had Brahma nog een zoon, Sthanu; de elf Rudra's waren zijn zonen. Angiras had drie zonen, van wie Brihaspati de voornaamste was. De nakomelingen van Pulastya waren de rakshasa's, de apen, de yaksha's en de kinnara's, wezens die in de bergen zingen; van Pulaha stamden de leeuwen, de tijgers, de beren en de wolven; en uit Kratu kwamen de Valakhilya's voort, de metgezellen van Surya.
Brahma had ook een zoon die Manu heette, en Manu had een zoon die Prajapati heette. Diens zonen waren de Vasu's, een schare van acht goden: Dhara, Dhruva, Soma, Aha, Anila, Anala, Pratyusha en Prabhasa. De zoon van Dhruva was de Tijd, de vernietiger van de werelden. Soma had een zoon, de stralende Varchas. Anala, het vuur, werd de vader van Kartikeya, die in een rietbos werd geboren en zo heet omdat de Krittika's, de sterren van het maanhuis dat hun naam draagt, hem opvoedden. En de zuster van Brihaspati, een vrouw die altijd de waarheid zei en als asceet over de aarde trok, werd de vrouw van Prabhasa, de achtste Vasu. Zij bracht Vishvakarma ter wereld, de bouwmeester van de goden, die duizend kunsten bedacht en hun hemelwagens maakte. Daarmee waren er drieëndertig goden: de acht Vasu's, de elf Rudra's, de twaalf Aditya's, Prajapati, de heer van de schepselen, en Vashatkara, de heilige uitroep van het offer.
Ook Dharma kwam uit Brahma voort: in een menselijke gedaante trad hij naar buiten uit Brahma's rechterborst. Zijn drie zonen droegen met hun kracht de werelden: de Kalmte, Kama, de god van de liefde, en de Vreugde. Bhrigu scheurde de borst van Brahma open en kwam naar buiten. Na Shukra kreeg hij nog een zoon: Chyavana, die in woede uit de schoot van zijn moeder viel en haar van de rakshasa bevrijdde. Chyavana trouwde met een dochter van een van de Manu's, de stamvaders van de mensen, en uit haar dij werd Aurva geboren. Aurva verwekte Richika, Richika verwekte Jamadagni, en de jongste van de vier zonen van Jamadagni was Parashurama, die later de kshatriya's versloeg.
Toen de schepselen uit gebrek aan voedsel elkaar begonnen te verslinden, werd Adharma geboren, het onrecht, dat elk schepsel te gronde richtte. Van zijn vrouw stamden de rakshasa's af. Ze had nog drie wrede zonen: de Angst, de Verschrikking en Mrityu, de Dood, die alles ombracht wat geboren was en daarom geen vrouw en geen zoon had. Ook de vogels en de dieren hadden hun moeders. Van de vijf dochters van Tamra, weer een dochter van Daksha, stamden de kraaien, de haviken, de ganzen en de papegaaien. Uit de negen dochters van Krodha kwamen de herten en de beren voort, de apen en de paarden, de leeuwen en de tijgers en de olifanten, onder wie Airavata, de olifant van Indra. En Surabhi, een van die dochters van Krodha, kreeg een dochter van wie alle koeien afstammen.
De delen van de goden
'Brahmaan,' zei Janamejaya, 'ik wil precies horen hoe de goden, de danava's, de gandharva's, de rakshasa's en alle andere schepselen onder de mensen geboren werden, en wat ze deden toen ze eenmaal een mensengedaante hadden.'
En Vaishampayana vertelde.
Eerst werden de danava's en de andere asura's als koningen op aarde geboren. Viprachitti, de oudste van de danava's, werd Jarasandha. Hiranyakashipu, de zoon van Diti, werd Shishupala. Samhlada, de jongere broer van Prahlada, werd Shalya, de koning van de Valhika's, het volk van Madra. Anuhlada werd Dhrishtaketu, Vashkala Bhagadatta. Vrishaparvan werd Dirghaprajna, en zijn broer Ajaka werd Shalva van Saubha. Ashvapati werd Hardikya, Vritra werd Manimat, en Rahu, de vijand van de zon en de maan, werd Kratha. De oudste van de acht zonen van Kala werd Jayatsena van Magadha. Uit de Krodhavasha's, een geslacht van asura's, kwamen Rukmi, Dantavakra en Ekalavya voort. En Kalanemi, een danava van grote kracht en rijk aan geluk, werd Kamsa, de zoon van Ugrasena.
Drona, de zoon van Bharadvaja, werd uit geen vrouw geboren; hij kwam voort uit een deel van Brihaspati. Geen boogschutter kon zich met hem meten; hij kende alle wapens en ook de Veda's. Zijn zoon Ashvatthama kwam voort uit de delen van Shiva, van Yama, van Kama en van Krodha, de Woede, samen. Door de vloek van Vasishtha en op bevel van Indra werden de acht Vasu's uit de godin Ganga geboren, bij haar man Shantanu. De jongste van hen was Bhishma. Hij nam de Kuru's hun angst, hij kende de Veda's en dunde de rijen van de vijand uit, en hij vocht zelfs tegen Parashurama. Kripa, een brahmaan in wie alle mannelijke kracht was samengebracht, kwam voort uit de schare van de Rudra's. Shakuni, die zijn vijanden verpletterde, was Dvapara, de gestalte van het derde tijdperk. Satyaki, Drupada, Kritavarman en Virata kwamen voort uit de Maruts, de stormgoden.
Dhritarashtra werd uit het zaad van Vyasa geboren. Hij was sterk van arm, maar blind door de fout van zijn moeder en de woede van de rishi. Zijn jongere broer Pandu hield zich aan waarheid en dharma, en in hem was niets onzuivers. Duryodhana kwam voort uit een deel van Kali, de gestalte van het laatste en slechtste tijdperk. Hij richtte de roem van de Kuru's te gronde, liet alle schepselen doden en de aarde verwoesten, en hij blies het vuur van de vijandschap aan dat ten slotte alles verteerde. De zonen van Pulastya, de rakshasa's, werden geboren als de honderd broers, met Duhshasana voorop. En behalve die honderd had Dhritarashtra nog een zoon, Yuyutsu, bij een vrouw uit de stand van de vaishya's, en een dochter, Duhshala, die hij later op aanraden van Shakuni aan Jayadratha gaf, de koning van de Sindhu's.
Yudhishthira was een deel van Dharma, Bhima van Vayu, de god van de wind, Arjuna van Indra, de koning van de goden, en Nakula en Sahadeva, de mooisten van alle schepselen, waren delen van de tweelinggoden, de Ashvins. Varchas, de zoon van Soma, werd Abhimanyu, de zoon van Arjuna, en hij zou wonderlijke daden verrichten. Voor hij geboren werd, had Soma tegen de goden gezegd: 'Mijn zoon geef ik niet af; hij is me liever dan mijn leven. Maar laat dit onze afspraak zijn, en laat niemand haar breken. De vernietiging van de asura's op aarde is het werk van de goden, en daarmee ook het mijne. Laat Varchas daarom gaan, maar laat hij er niet lang blijven. Nara, de metgezel van Narayana, zal geboren worden als de zoon van Indra, en men zal hem kennen als Arjuna, de sterke zoon van Pandu. Mijn jongen zal zijn zoon worden, en nog als kind zal hij een groot wagenstrijder zijn. Laat hij zestien jaar op aarde blijven. In zijn zestiende jaar zal de slag plaatsvinden waarin allen die uit jullie delen geboren zijn, grote strijders zullen vernietigen. Maar er zal een gevecht zijn waarin Nara en Narayana geen van beiden meedoen. Dan zullen jullie delen vechten in de slagorde die het wiel heet, de chakravyuha. Mijn zoon zal alle vijanden voor zich uit drijven; hij zal die ondoordringbare slagorde binnendringen, er onbevreesd in rondgaan en in een halve dag een vierde van het vijandelijke leger naar het rijk van de koning van de doden sturen. En als tegen het einde van de dag ontelbare helden en grote wagenstrijders op hem aanstormen, zal mijn jongen met zijn sterke armen weer bij mij verschijnen. Hij zal één heldhaftige zoon krijgen, die het bijna uitgestorven geslacht van Bharata zal voortzetten.'
'Het zal zo zijn,' zeiden de goden, en samen eerden ze Soma. Dat is de herkomst van Abhimanyu, de grootvader van koning Janamejaya.
Dhrishtadyumna was een deel van Agni, en Shikhandi, die eerst een vrouw was, was een rakshasa die op aarde werd geboren. De vijf zonen van Draupadi waren de Vishvadeva's, een schare van goden. Krishna, die ook Vasudeva heet, was onder de mensen een deel van Narayana, de god van de goden, de eeuwige. Balarama, de oudere broer van Krishna, was een deel van de naga Shesha, en sterk als geen ander. Een deel van Shri, de godin van geluk en glans, werd op aarde geboren in het geslacht van Bhishmaka, om Narayana te behagen, en zij heette Rukmini. De onberispelijke Draupadi kwam voort uit een deel van Shachi, de koningin van de goden, en werd geboren in het geslacht van Drupada. Ze was slank van middel, niet klein en niet groot, ze geurde naar de blauwe lotus, haar ogen waren zo groot als lotusbladeren, haar dijen waren rond en mooi en haar zwarte haar viel in dichte krullen. Haar huid glansde als een donkere edelsteen, ze droeg alle gunstige tekenen, en ze veroverde het hart van de vijf voornaamste mannen. De godinnen Siddhi en Dhriti, Voltooiing en Standvastigheid, werden de moeders van die vijf: Kunti, die als kind aan Kuntibhoja was gegeven, en Madri. En Mati, het Inzicht, werd Gandhari, de dochter van Subala.
Zo werden de goden, de asura's, de gandharva's, de apsara's en de rakshasa's met een deel van hun wezen op aarde geboren, als koningen die in de strijd niet te overwinnen waren, in het wijdvertakte geslacht van de Yadu's en in andere geslachten, als brahmanen, kshatriya's en vaishya's.