Boek 1 · bijlage
Hymnen
Over deze hymnen
In het epos bidden en prijzen de personages vaak lang, met herhalingen en met reeksen namen en beelden. Zo'n hymne was voor de oude luisteraars een handeling: wie hem uitsprak of hoorde, deed er iets mee. In het verhaal van dit boek zijn een paar van die hymnen ingekort tot hun dragende beelden. Hier staan ze volledig.
Ze zijn, net als het verhaal, naverteld uit de Engelse vertaling van Kisari Mohan Ganguli (1883–1896). Soms zet Ganguli een eigen verklaring tussen haakjes in de tekst; die zijn hier niet overgenomen. Bij elke hymne staat bij welk stuk van het verhaal hij hoort.
Twee andere hymnen staan al volledig in het verhaal: de lofzang van de goden op Garuda in "De weddenschap" (hoofdstuk 4) en Kadru's hymne aan Indra in "De slavendienst" (hoofdstuk 5). Van die laatste ontbreekt in het verhaal alleen één regel, die hieronder staat.
Sauti's aanroeping
In hoofdstuk 1, bij "Het woord Jaya", waar Sauti buigt voordat hij het verhaal van Vyasa begint te vertellen.
Ik buig voor Ishana, het oerwezen, aan wie velen offeren en dat velen vereren; dat het ware en onvergankelijke is, het brahman, zichtbaar en onzichtbaar, eeuwig; dat niet is, en dat tegelijk is en niet is; dat alles is wat bestaat, en toch onderscheiden van alles wat is en wat niet is; de schepper van hoog en laag; de oude, de verhevene, de onuitputtelijke; dat Vishnu is, goed en de goedheid zelf, het waardigst om te kiezen, zuiver en zonder smet; dat Hari is, die over de zintuigen heerst en alles leidt wat beweegt en wat stilstaat. Nu ik voor hem gebogen heb, vertel ik de heilige gedachten van de wijze Vyasa, wiens daden wonderbaarlijk zijn en die hier door iedereen vereerd wordt.
Upamanyu's hymne aan de Ashvins
In hoofdstuk 2, bij "De oorringen van de koningin", waar Upamanyu blind in een put ligt en op aanwijzing van zijn leraar de Ashvins aanroept, de tweelinggoden die de artsen van de goden zijn. Het epos noemt het woorden uit de Rigveda.
U bestond vóór de schepping. U bent de eerstgeborenen, en u bent zichtbaar in deze wonderlijke wereld van vijf elementen. Ik wil u bereiken met de kennis die uit het horen komt, en met meditatie, want u bent oneindig. U bent de loop van de natuur zelf, en het bewuste Zelf dat die loop doordringt. U bent vogels met prachtige veren, neergestreken op het lichaam, dat op een boom lijkt. U bent vrij van de drie hoedanigheden die elk wezen binden. U bent onvergelijkbaar. Met uw geest in alles wat geschapen is, doordringt u alles wat bestaat. U bent gouden arenden. U bent het wezen waarin alle dingen verdwijnen. U vergist u niet en u vergaat niet. Uw snavels zijn mooi, ze slaan nooit onrechtvaardig toe, en u wint elke strijd. U overwint de Tijd. U hebt de zon gemaakt, en u weeft het wonderlijke kleed van het jaar met de witte draad van de dag en de zwarte draad van de nacht. Met dat kleed hebt u twee wegen van handelen vastgelegd, die van de goden en die van de voorouders. De vogel van het leven, die de kracht van het oneindige Zelf is en die door de Tijd gegrepen werd, laat u vrij en brengt u naar het grote geluk. Wie in diepe onwetendheid leeft, zolang zijn zintuigen hem misleiden, denkt dat u een gedaante hebt, u die aan de hoedanigheden van de stof niet gebonden bent. Driehonderdzestig koeien, de driehonderdzestig dagen, brengen samen één kalf voort, en dat kalf is het jaar. Het schept alles en het vernietigt alles. Wie de waarheid zoekt, langs welke weg ook, melkt er de melk van de ware kennis mee. U, Ashvins, hebt dat kalf gemaakt. Het jaar is de naaf van een wiel met zevenhonderdtwintig spaken, de dagen en de nachten. De rand van dat wiel, de twaalf maanden, heeft geen einde. Het wiel is vol begoocheling en slijt niet, en het raakt alle schepselen, in deze wereld en in de andere. Ashvins, u zet dat wiel van de tijd in beweging. Het wiel van de Tijd, dat het jaar is, heeft de zes seizoenen als naaf, en aan die naaf zitten twaalf spaken, de twaalf tekens van de dierenriem. Dat wiel van de Tijd brengt de vruchten van alle daden aan het licht. De goden die over de tijd gaan, wonen erin. Ik ben eraan onderworpen en ik lijd eronder: maak mij los van dat wiel van de Tijd, Ashvins. U bent deze wereld van vijf elementen. U bent alles wat men geniet, in deze wereld en in de andere. Maak mij onafhankelijk van de vijf elementen. En al bent u het hoogste brahman, toch gaat u over de aarde in gedaanten die genieten van wat de zintuigen geven. In het begin schiep u de tien windstreken. Daarna zette u de zon en de hemel erboven. De rishi's brengen hun offers volgens de loop van diezelfde zon, en ook de goden en de mensen brengen hun offers zoals het hun is opgedragen, en ze genieten de vruchten van die daden. U hebt de drie kleuren gemengd en daaruit alles gemaakt wat men kan zien. Uit die dingen is de wereld ontstaan waarop de goden en de mensen hun werk doen, en alle schepselen die leven. Ashvins, ik vereer u. Ik vereer ook de hemel, die u hebt gemaakt. U bepaalt de vruchten van alle daden, en zelfs de goden ontkomen daar niet aan. Zelf bent u vrij van de vruchten van uw daden. U bent de ouders van alles. Als mannen en als vrouwen eet u het voedsel dat daarna het levenwekkende vocht en het bloed wordt. Het pasgeboren kind zuigt aan de borst van zijn moeder: u bent het die de gedaante van dat kind aanneemt. Ashvins, geef mij mijn ogen terug, zodat ik kan leven.
De regel over de tijd in Kadru's hymne aan Indra
In hoofdstuk 5, bij "De slavendienst", waar Kadru Indra om regen vraagt voor haar zonen, de slangen, die door de zon verschroeid worden. In het verhaal staan de kleinste tijdmaten niet bij naam. Volledig luidt die regel:
U bent, god, geheel amrita, en de soma die men het meest vereert. U bent het ogenblik en de dag van de maan; u bent de bala en de kshana. U bent de lichte halve maand en ook de donkere. U bent de kala, de kashtha en de truti.
Bala, kshana, kala, kashtha en truti zijn namen van kleine eenheden van tijd; In de Engelse vertaling is de bala een minuut en de kshana vier minuten. Iets eerder in dezelfde hymne heet Indra "Aditya en Vibhavasu"; in het verhaal staat daar "de zon en het vuur".
Astika's lofrede op het offer
In hoofdstuk 7, bij "Blijf", waar de jonge Astika het offerterrein van koning Janamejaya binnenkomt en de koning, de priesters, de sadasya's en het offervuur prijst, voordat hij zijn gunst vraagt.
Soma, Varuna en Prajapati hebben vroeger in Prayaga offers gebracht. Maar uw offer, eerste van het geslacht van Bharata, zoon van Parikshit, doet voor geen van die offers onder. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! Indra bracht honderd offers. Maar dit offer van u, eerste van het geslacht van Bharata, zoon van Parikshit, weegt op tegen tienduizend offers van Indra. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! Uw offer, eerste van het geslacht van Bharata, zoon van Parikshit, is als dat van Yama, van Harimedha, van koning Rantideva. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! Uw offer is als dat van Gaya, van koning Shashabindu, van koning Vaishravana, en als dat van Nriga, van Ajamidha, van de zoon van Dasharatha, eerste van het geslacht van Bharata, zoon van Parikshit. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! Uw offer is als het offer van koning Yudhishthira, de zoon van een god, uit het geslacht van Ajamidha, waarvan men zelfs in de hemel heeft gehoord, eerste van het geslacht van Bharata, zoon van Parikshit. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! Uw offer is als het offer van Vyasa, de zoon van Satyavati, waarbij hij zelf de hoofdpriester was, eerste van het geslacht van Bharata, zoon van Parikshit. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! De offerpriesters en de sadasya's die hier uw offer volbrengen, een offer als dat van Indra, die Vritra versloeg, stralen als de zon. Er is niets meer wat zij niet weten, en wat men hun geeft, brengt onuitputtelijke verdienste. Ik ben ervan overtuigd dat er in alle werelden geen offerpriester is die gelijk is aan Dvaipayana. Zijn leerlingen trekken als offerpriesters over de aarde, bekwaam in hun taak. Agni, de grootmoedige drager van de offergaven, die ook Vibhavasu en Chitrabhanu heet, wiens zaad goud is en wiens pad getekend is door zwarte rook, laait op met vlammen die naar rechts buigen, en hij brengt uw offerboter naar de goden. In deze wereld van de mensen is geen koning die u gelijk is in het beschermen van zijn onderdanen. Uw zelfbeheersing stemt mij altijd blij. U bent Varuna, of Yama, de god van de dood, die recht spreekt. Zoals Indra met de bliksem in de hand, zo beschermt u in deze wereld alle schepselen. Op aarde is geen mens zo groot als u, en geen koning is u gelijk in het offeren. U bent als Khatvanga, Nabhaga en Dilipa. In kracht bent u als Yayati en Mandhatri. U straalt als de zon, en in uw geloften bent u als Bhishma. Zoals Valmiki houdt u uw kracht verborgen. Zoals Vasishtha hebt u uw woede bedwongen. U heerst als Indra. U straalt als Narayana. Zoals Yama weet u recht te doen. Als Krishna bezit u elke deugd. In u woont het geluk van de Vasu's, en bij u vinden de offers hun toevlucht. In kracht bent u gelijk aan Dambhodbhava. Zoals Rama, de zoon van Jamadagni, kent u de leerboeken en de wapens. In gloed bent u gelijk aan Aurva en Trita. Met uw blik wekt u ontzag, zoals Bhagiratha.
In de vierde strofe staat in de Engelse vertaling een zinsdeel dat bij de strofe over Vyasa hoort. Hier is het weggelaten, zodat die strofe dezelfde bouw heeft als de andere. Vibhavasu en Chitrabhanu zijn hier namen van Agni, het vuur; de rishi Vibhavasu in het verhaal van Garuda is een ander.