Hoofdstuk zeven
Het slangenoffer
Er is
Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel I, Het slangenoffer · 33 min. lezen
Intussen trok de grote asceet Jaratkaru over de hele aarde, en waar de avond viel, daar was zijn huis voor de nacht. Hij hield geloften die voor een onrijp mens te zwaar zijn, en hij baadde in de heilige wateren. Hij leefde van lucht, hij verlangde niets van de genoegens van de wereld, en hij werd elke dag magerder.
Op een dag zag hij zijn voorouders in een kuil hangen, met het hoofd omlaag, aan een touw dat gevlochten was van de wortels van viranagras. Van dat touw was nog maar één draad heel, en ook aan die ene draad knaagde langzaam een grote rat die in de kuil woonde. De voorouders hadden niets te eten, ze waren uitgemergeld en ellendig, en ze snakten ernaar gered te worden.
Jaratkaru ging nederig naar hen toe. 'Wie bent u, die aan dit touw hangt?' vroeg hij. 'De rat die hier woont, heeft het al bijna opgegeten, en aan de ene zwakke wortel die nog over is, knaagt hij met zijn scherpe tanden. Straks is ook die doorgebeten, en dan valt u met het gezicht omlaag in deze kuil. Ik zie u zo hangen, in deze nood, en ik heb medelijden met u. Wat kan ik voor u doen? Zeg me snel of deze ramp af te wenden is met een vierde van mijn ascese, met een derde, of zelfs met de helft. Of red uzelf met al mijn ascese: ik sta het u toe, doe wat u wilt.'
'Je leeft in onthouding en je wilt ons redden,' zeiden de voorouders, 'maar met je ascese kun je onze nood niet wegnemen. Kind, ook wij hebben de vrucht van onze ascese. Maar we vallen in deze onreine diepte omdat we geen nakomelingen hebben. De Grootvader zelf heeft gezegd dat een zoon een grote verdienste is. Nu we op het punt staan in deze kuil te vallen, is ons denken niet meer helder, en daarom herkennen we je niet, hoewel je naam op aarde bekend is. Luister, brahmaan, wie we zijn. We zijn rishi's, yayavara's, streng in onze geloften, en omdat we geen nageslacht hebben, zijn we uit een heilige wereld gevallen. Wat we door onze ascese verwierven, is niet verloren, en we hebben nog één draad. Maar of die er nu is of niet, maakt weinig uit. Die ene draad van ons, ongelukkig als we zijn, heet Jaratkaru. Hij heeft de Veda's en hun hulpwetenschappen bestudeerd en leeft alleen voor zijn ascese. Omdat hij zich zo volledig beheerst, zo trouw is aan zijn geloften en naar niets verlangt, zijn wij in deze toestand geraakt. Hij heeft geen vrouw, geen zoon, geen verwanten. Daarom hangen we hier, buiten bewustzijn, als mensen voor wie niemand zorgt. Als je hem ontmoet, zeg hem dan uit medelijden met ons: "Je voorouders hangen in hun verdriet met het hoofd omlaag in een kuil. Neem een vrouw en krijg kinderen. Jij bent de enige draad die in de lijn van je voorouders nog over is."
Het touw van viranagras waaraan je ons ziet hangen, brahmaan, is ons geslacht, dat ooit zo talrijk was. De draden die je opgegeten ziet, zijn wijzelf: de Tijd heeft ons opgegeten. De wortel die half is doorgebeten en waaraan we nog hangen, is hij die alleen voor zijn ascese leeft. En de rat die je ziet, is de Tijd, met zijn eindeloze kracht. Die maakt ook Jaratkaru langzaam zwak, de man die zich aan zijn ascese vastklampt om de vrucht ervan, zonder wijsheid en zonder hart. Wat hij zo verwerft, kan ons niet redden. Kijk: onze wortels zijn afgescheurd, we zijn uit hogere werelden verstoten, de Tijd heeft ons het bewustzijn ontnomen, en we zakken weg als mensen die kwaad hebben gedaan. En als wij met al onze verwanten in deze kuil vallen, opgegeten door de Tijd, zal ook hij met ons in de diepte zinken. Kind, ascese, offers of wat er verder aan heilige daden is: het haalt het allemaal niet bij een zoon. Je hebt alles gezien. Vertel het die Jaratkaru precies, en zeg hem alles wat hem ertoe kan brengen een vrouw te nemen en kinderen te krijgen. Maar wie ben jij, die zo met ons meeleeft als een vriend? Ben je een van zijn vrienden, of van ons geslacht? We willen weten wie je bent.'
Jaratkaru's stem smoorde in tranen. 'U bent mijn vaders en grootvaders, die mij zijn voorgegaan,' zei hij. 'Zeg me dus wat ik voor u moet doen. Ik ben die slechte zoon van u, Jaratkaru. Straf me voor wat ik heb misdaan. Ik ben een ellendeling.'
'Zoon, het is een geluk dat je op je tochten hier bent gekomen,' zeiden de voorouders. 'Waarom heb je geen vrouw genomen?'
'Vaders,' zei Jaratkaru, 'ik heb altijd dit lichaam, met bedwongen zaad, naar de andere wereld willen dragen. Ik had me voorgenomen geen vrouw te nemen. Maar nu ik u als vogels zie hangen, geef ik mijn gelofte van onthouding op. Ik zal doen wat u wilt. Ik zal trouwen, als ik ooit een meisje ontmoet dat dezelfde naam heeft als ik, dat zich uit eigen beweging aan mij geeft, zoals een aalmoes aan een bedelende asceet, en voor wie ik niet hoef te zorgen. Vind ik zo'n meisje, dan trouw ik. Anders niet. Dat is de waarheid. En het kind dat bij haar verwekt wordt, zal u redden. Dan zult u voor altijd gelukkig en zonder angst leven.'
Daarna trok de asceet opnieuw over de aarde. Maar hij was oud, en hij vond geen vrouw. Toch bleef hij zoeken, zoals zijn voorouders hem hadden opgedragen. Hij ging het woud in en huilde luid. Omdat hij zijn voorouders wilde helpen, zei hij daar drie keer duidelijk: 'Ik vraag om een bruid.' En hij zei: 'Alle schepselen die hier zijn, wat beweegt en wat stilstaat, en wie hier onzichtbaar is: luister naar mijn woorden! Mijn voorouders hebben me in hun verdriet opgedragen, mij, die de zwaarste ascese beoefen: "Trouw, om een zoon te krijgen." Op hun bevel trek ik in armoede en verdriet over de wijde wereld, om te trouwen met een meisje dat ik als aalmoes kan krijgen. Wie van de schepselen die ik aanspreek een dochter heeft, laat hem haar aan mij geven, die overal rondtrek. Een bruid met dezelfde naam als ik, als aalmoes gegeven, en voor wie ik niet hoef te zorgen: geef haar aan mij!'
De slangen die Vasuki op het spoor van Jaratkaru had gezet, begrepen wat hij wilde, en ze brachten Vasuki het bericht. De koning van de naga's nam het meisje in al haar sieraden mee het woud in en bood haar daar de rishi als aalmoes aan. Maar de rishi nam haar niet meteen aan. Hij dacht dat ze misschien niet dezelfde naam had als hij, en wie er voor haar zou zorgen, stond ook nog niet vast. Hij aarzelde even. Toen vroeg hij Vasuki hoe het meisje heette, en hij zei erbij: 'Ik zal niet voor haar zorgen.'
'Dit meisje heeft dezelfde naam als u,' zei Vasuki. 'Ze is mijn zuster, en ze heeft door ascese verdienste verworven. Ik zal voor uw vrouw zorgen, neem haar aan. Ik bescherm haar met alles wat ik kan. Ik heb haar voor u opgevoed.'
'Dan is dit onze afspraak,' zei de rishi. 'Ik zorg niet voor haar, en zij mag niets doen wat mij niet bevalt. Doet ze dat wel, dan verlaat ik haar.'
Vasuki beloofde dat hij voor zijn zuster zou zorgen, en Jaratkaru ging met hem mee naar zijn huis. Daar nam de rishi de hand van het meisje aan volgens de voorgeschreven riten. Met zijn bruid ging hij de mooie kamer binnen die de koning van de naga's voor hem had ingericht. Er stond een bed met kostbare dekens, en daar woonde Jaratkaru met zijn vrouw. Ook met haar maakte hij een afspraak. 'Je mag nooit iets doen of zeggen wat mij niet bevalt,' zei hij. 'Doe je dat toch, dan verlaat ik je en blijf ik niet langer in je huis. Onthoud goed wat ik gezegd heb.'
De zuster van Vasuki was bang, maar ze zei: 'Goed.' En omdat ze het beste wilde voor haar verwanten, begon ze haar man te dienen met de waakzaamheid van een hond, de schuwheid van een hert en het gevoel voor tekens van een kraai. Op een dag, toen haar maandelijkse bloeding voorbij was, nam ze het reinigingsbad dat het gebruik voorschrijft, en ze ging naar haar man. Ze werd zwanger. Het kind dat ze droeg, was vol kracht, en het groeide zoals de maan groeit in de lichte helft van de maand.
Niet lang daarna legde Jaratkaru zijn hoofd op de schoot van zijn vrouw en viel in slaap, alsof hij moe was. Terwijl hij sliep, zakte de zon weg naar de bergen in het westen en ging bijna onder. Het licht nam af, en de zuster van Vasuki begon na te denken.
'Wat moet ik nu doen? Moet ik mijn man wekken of niet? Hij is veeleisend en neemt zijn riten zo nauw. Hoe doe ik dit zonder hem te krenken? Ik moet kiezen tussen zijn woede en een rechtvaardig man die tekortschiet in zijn dharma. Dat tweede lijkt me erger. Maar als ik hem wek, wordt hij kwaad. En gaat de schemering voorbij zonder dat hij de sandhya heeft verricht, de riten bij het vallen van de schemering, dan schiet hij hoe dan ook tekort.'
Ten slotte nam ze een besluit. De rishi lag daar als een vlam, zo straalde zijn ascese. Zacht zei ze: 'Word wakker, de zon gaat onder. Reinig je met water, spreek de naam van Vishnu uit en verricht de riten van de schemering. Het is tijd voor het avondoffer. De schemering legt zich al over het westen.'
Jaratkaru's bovenlip trilde. 'Vrouw uit het geslacht van de naga's, je hebt me beledigd,' zei hij. 'Ik blijf niet langer bij je. Ik ga terug naar waar ik vandaan kwam. Ik weet het zeker: de zon kan niet op het gewone uur ondergaan zolang ik slaap. Wie beledigd is, mag nooit blijven waar hij de belediging heeft ondergaan, en een rechtvaardig mens als ik, of wie op mij lijkt, al helemaal niet.'
De zuster van Vasuki begon te beven. 'Brahmaan,' zei ze, 'ik heb je niet gewekt om je te beledigen, maar zodat je niet tekort zou schieten in je dharma.'
Maar de rishi wilde haar verlaten. 'Ik heb nog nooit gelogen,' zei hij. 'Daarom ga ik. Zo hadden we het ook afgesproken. Ik heb een gelukkige tijd met je gehad. Zeg straks tegen je broer dat ik je heb verlaten. En treur niet om me als ik weg ben.'
Ze beefde nog, maar ze raapte al haar moed en haar geduld bij elkaar. Ze vouwde haar handen, en met een stem die haperde van het huilen zei ze: 'Je mag me niet verlaten als ik niets heb misdaan. Jij gaat de weg van de dharma, en ook ik ben die weg gegaan, met mijn hart bij mijn verwanten. Het doel waarvoor ik aan je gegeven ben, is nog niet bereikt. Ongelukkig als ik ben: wat zal Vasuki tegen me zeggen? Mijn verwanten lijden onder de vloek van hun moeder, en het kind waar ze naar verlangen, is er nog niet. Hun redding hangt af van een kind van jou. Ik smeek je, omdat ik het goed wil doen voor mijn geslacht: laat mijn verbintenis met jou niet vruchteloos blijven. Je bent grootmoedig. Waarom zou je mij verlaten, die niets heeft misdaan? Dat begrijp ik niet.'
'Er is,' zei de rishi. 'Het kind dat je draagt, is als Agni zelf: een rechtvaardige rishi, een meester van de Veda's en hun hulpwetenschappen. Treur niet, dochter van het slangenvolk, over wat er uit onze verbintenis moest komen. Je zult een zoon krijgen, stralend als de brandende zon.'
Toen ging de rishi Jaratkaru weg, vastbesloten zich opnieuw aan de zwaarste ascese te wijden.
Kort nadat haar man was vertrokken, ging ze naar Vasuki en vertelde hem alles wat er gebeurd was. Het was rampzalig nieuws. Zijn zuster was er ellendig aan toe, maar Vasuki nog erger.
'Je weet waarom ik je heb weggegeven, lieve zus,' zei hij. 'Als er uit die verbintenis een zoon geboren wordt, zal hij ons met zijn kracht allemaal redden van het slangenoffer. Dat heeft de Grootvader lang geleden gezegd, te midden van de goden. Ben je zwanger geworden van die rishi? Ik hoop zo dat ik je niet voor niets aan hem heb gegeven. Het past me eigenlijk niet je dat te vragen, maar er staat zoveel op het spel dat ik het toch vraag. Ik ken de koppigheid van je man en zijn strenge ascese, en ik zal hem niet achternagaan, want hij zou me kunnen vervloeken. Vertel me precies wat hij heeft gedaan, en trek de vreselijke pijl uit mijn hart die er al zo lang in steekt.'
Zijn zuster troostte hem, en ten slotte antwoordde ze: 'Ik vroeg die grootmoedige asceet naar een kind, en hij zei: "Er is." Toen ging hij weg. Ik herinner me niet dat hij ooit iets onwaars heeft gezegd, zelfs niet voor de grap. Waarom zou hij dan liegen op zo'n ernstig moment? Hij zei ook dat ik niet moest treuren: ik zou een zoon krijgen, als de brandende zon. Dat zei mijn man tegen me, broer. Zet dat diepe verdriet dus uit je hart.'
Vasuki geloofde zijn zuster, en blij riep hij: 'Goed!' Hij eerde haar met zijn beste wensen, met geschenken en met lovende woorden. En het kind dat ze droeg, groeide zoals de maan groeit in de lichte helft van de maand.
Toen de tijd gekomen was, bracht de zuster van Vasuki een zoon ter wereld die de glans had van een kind van de goden. Hij zou de angst van zijn voorouders en van zijn moeders familie wegnemen. Het kind groeide op in het huis van de koning van de naga's. Hij bestudeerde de Veda's en hun hulpwetenschappen bij de asceet Chyavana, de zoon van Bhrigu. Hoewel hij nog maar een jongen was, hield hij zich streng aan zijn geloften. Hij was ernstig en verstandig, en hij bezat alle deugden: rechtvaardigheid, kennis, onthechting van de genoegens van de wereld en zuiverheid. De wereld kende hem als Astika, naar het woord asti, 'er is', want zijn vader was naar de wouden vertrokken met de woorden 'Er is' toen zijn moeder hem nog droeg. Hij werd met veel zorg opgevoed in het paleis van de slangen, en hij leek op Shiva, de grote god met de gouden gedaante, die de drietand draagt. Dag na dag werd hij groter, en hij was de vreugde van alle slangen.
De man in de boom
'Vertel me nog eens, en nu precies,' zei Shaunaka, 'wat koning Janamejaya zijn ministers vroeg: hoe zijn vader naar de hemel van de goden was gegaan.'
'Luister, brahmaan, naar wat de koning zijn ministers vroeg,' zei Sauti, 'en naar wat zij hem vertelden over de dood van Parikshit.'
En Sauti vertelde.
Utanka, de brahmaan die de koning tot wraak op Takshaka had aangezet, was nog aan het hof toen Janamejaya zijn ministers bij zich riep. 'Jullie weten allemaal wat mijn vader is overkomen,' zei de koning. 'Hoe is die beroemde koning aan zijn einde gekomen? Als ik van jullie precies hoor hoe het leven van mijn vader is verlopen, zal ik een besluit nemen, als dat goed is voor de wereld. Anders doe ik niets.'
'Luister dan, koning,' zei een van de ministers, 'naar het leven van uw beroemde vader, en naar de manier waarop hij deze wereld verliet. Uw vader was rechtvaardig en grootmoedig, en hij beschermde altijd zijn volk. Hij was als de dharma zelf in een menselijke gestalte. De vier standen hield hij elk bij de eigen plichten, en hij hoedde de godin Aarde. Niemand haatte hem, en hij haatte niemand. Net als Brahma, de heer van de schepselen, was hij alles wat leeft even welgezind. Brahmanen en kshatriya's, vaishya's, de boeren en handelaars, en shudra's, de dienende stand: ieder deed tevreden zijn eigen werk, en hij beschermde hen zonder onderscheid. Weduwen en wezen, verminkten en armen onderhield hij. Hij was mooi om te zien, en voor iedereen was hij als een tweede maan. Hij maakte zijn onderdanen gelukkig, hij was waarheidlievend, en zijn kracht was onmetelijk. De wapenkunst had hij geleerd van Kripa, de zoon van Sharadvat, en Krishna had hem lief. Hij was beroemd, en alle mensen hielden van hem. Zijn vader was Abhimanyu, de zoon van Arjuna, en zijn moeder Uttara. Hij werd geboren toen het huis van Kuru bijna was uitgestorven, en daarom kreeg hij de naam Parikshit: hij die geboren werd toen het geslacht wegkwijnde. Hij kende de leerboeken over de plichten van koningen, en hij bezat elke deugd. Hij beheerste zijn zinnen, hij was verstandig en had een sterk geheugen, hij had de zes hartstochten overwonnen, de vijanden die een mens van binnenuit belagen, en in kracht van geest overtrof hij iedereen. Hij was thuis in de leer van de dharma en in de kunst van het bestuur, en zestig jaar lang regeerde hij over deze onderdanen. Toen stierf hij, betreurd door zijn hele volk. Na hem hebt u het rijk van de Kuru's geërfd. U werd als kind tot koning gewijd, en zo beschermt u nu alle schepselen.'
'In ons geslacht is nooit een koning geboren die niet het welzijn van zijn onderdanen zocht, of van wie zij niet hielden,' zei Janamejaya. 'Kijk maar naar het leven van mijn grootvaders, die altijd grote daden verrichtten. Maar hoe is mijn vader, met al zijn deugden, aan zijn dood gekomen? Vertel me alles zoals het gebeurd is. Ik wil het van jullie horen.'
De ministers vertelden hem alles zoals het gebeurd was. Zijn vader, zeiden ze, had net als Pandu vroeger veel van de jacht gehouden, en de zaken van het rijk had hij aan hen overgelaten. Ze vertelden van het hert dat hij had getroffen en niet terugvond, van de zwijgende asceet in het woud, en van de dode slang die de koning in zijn woede op de schouders van de asceet had gelegd. Parikshit was zestig jaar oud, moe en hongerig, en hij wist niet dat de asceet een gelofte van zwijgen hield. Die had geen woord gezegd, goed noch slecht, en hij was niet boos geworden.
'Die asceet had een zoon, Shringin, die uit een koe geboren was,' zeiden ze. 'Hij was beroemd, sterk en heel driftig. Op weg van zijn leraar naar huis hoorde hij van een vriend dat uw vader zijn vader had beledigd: de oude man had niets misdaan, en toch droeg hij, roerloos als een beeld, een dode slang op zijn schouders. En die rishi was een van de grootsten: streng in zijn ascese, meester over zijn zinnen, zuiver, en altijd bezig met wonderlijke daden. Hij was even goed in wat hij deed als in wat hij zei, tevreden, zonder hebzucht, zonder kleinzieligheid en zonder afgunst. Hij was oud en trouw aan zijn gelofte van zwijgen, en een toevlucht voor alle schepselen in nood. Zijn zoon was jong in jaren, maar hij straalde al van de kracht van een oude asceet. Hij raakte water aan en vervloekte uw vader in zijn woede: binnen zeven nachten zou Takshaka met zijn gif de ellendeling verbranden die een dode slang op zijn onschuldige vader had gelegd.'
Ze vertelden van Gauramukha, de leerling van de rishi, die de koning had gewaarschuwd, van de voorzorgen die Parikshit daarop had genomen, en van Kashyapa, de brahmaan die op de zevende dag kwam om hem te genezen. Ze vertelden hoe Takshaka hem onderweg had tegengehouden, hoe de slang een banyan had gebeten die meteen tot as verging, en hoe Kashyapa de boom weer tot leven bracht. Toen had Takshaka hem gevraagd wat hij wilde. 'Ik ga erheen voor de rijkdom,' had Kashyapa gezegd. Takshaka had hem met zachte woorden geantwoord: 'Brahmaan zonder smet, neem van mij meer dan u van die koning verwacht, en ga terug.' En Kashyapa had zoveel genomen als hij wilde en was teruggegaan.
'Toen Kashyapa weg was,' zeiden de ministers, 'naderde Takshaka in vermomming en verbrandde uw rechtvaardige vader in zijn huis met het vuur van zijn gif, ondanks alle voorzorgen. Daarna bent u op de troon gezet. Dat is het wrede verhaal van de ondergang van uw vader, en van de belediging die de rishi Utanka is aangedaan.'
'Wanneer hebben jullie gehoord wat er gebeurde bij die banyan die Takshaka tot as verbrandde en die Kashyapa daarna op wonderlijke wijze weer tot leven bracht?' vroeg Janamejaya. 'Mijn vader had zeker niet hoeven te sterven, want Kashyapa had het gif met zijn mantra's onschadelijk kunnen maken. Die kwaadaardige slang dacht bij zichzelf: als Kashyapa de koning weer tot leven brengt nadat ik hem gebeten heb, zal de wereld mij uitlachen, want dan is mijn gif tenietgedaan. Dat heeft hij gedacht, daar ben ik zeker van, en daarom heeft hij de brahmaan tevredengesteld. Ik heb al een manier bedacht om hem te straffen. Maar ik wil weten wat jullie gezien of gehoord hebben van wat daar gebeurde, in de diepe eenzaamheid van het woud: de woorden van Takshaka en die van Kashyapa. Als ik dat weet, zal ik de middelen zoeken om het slangengeslacht uit te roeien.'
'We zullen u zeggen wie ons heeft verteld van die ontmoeting in het woud tussen de brahmaan en de vorst van de slangen,' zeiden de ministers. 'Er was iemand in die boom geklommen, om dorre takken af te breken als offerhout. De slang zag hem niet, en de brahmaan ook niet. Die man verging samen met de boom tot as, en door de kracht van de brahmaan kwam hij samen met de boom weer tot leven. Het was de knecht van een brahmaan. Hij kwam naar ons toe en vertelde precies wat er tussen Takshaka en de brahmaan was gebeurd. Nu hebben we u alles verteld wat we hebben gezien en gehoord. Beslis dan, koning, wat er moet gebeuren.'
Janamejaya begon te huilen. Hij wrong zijn handen, zijn adem ging lang en heet, de tranen stroomden hem over de wangen, en hij schreeuwde het uit. Toen raakte hij water aan, zoals het voorgeschreven is, en dacht een ogenblik na, alsof hij iets bij zichzelf vastlegde. Woedend zei hij tegen al zijn ministers:
'Ik heb gehoord hoe mijn vader naar de hemel van de goden is gegaan. Weet nu wat ik vast heb besloten. Er mag geen tijd verloren gaan: ik moet me wreken op die ellendige Takshaka, die mijn vader heeft gedood. Hij heeft mijn vader verbrand, en Shringin was alleen maar de aanleiding. Als Kashyapa was gekomen, zou mijn vader zeker nog leven. Wat had die slang verloren als de koning door de hulp van Kashyapa en de voorzorgen van zijn ministers weer tot leven was gekomen? Hij wist niet waartoe mijn woede in staat is. De brahmaan kon hij niet verslaan, en uit pure kwaadaardigheid heeft hij hem met rijkdom teruggestuurd, zodat die mijn vader niet zou redden. Dat is een zwaar vergrijp. Ik moet me nu wreken op de vijand van mijn vader, om mijzelf genoegdoening te geven, en de rishi Utanka, en jullie allemaal.'
Het slangenoffer
De ministers stemden in met wat koning Janamejaya had gezegd, en de koning maakte zijn besluit bekend: hij zou een slangenoffer houden. Hij riep zijn huispriester en zijn offerpriesters bij zich. 'Zeg me wat ik moet doen om me te wreken,' zei hij tegen hen. 'Kennen jullie een rite waarmee ik de slang Takshaka met zijn verwanten in het vuur kan werpen? Ik wil die ellendeling verbranden, zoals hij mijn vader heeft verbrand met het vuur van zijn gif.'
'Er bestaat voor u een groot offer, koning, dat de goden zelf hebben bedacht,' antwoordde de huispriester. 'Het heet het slangenoffer, en het staat in de purana's, de oude overleveringen. Alleen u kunt het volbrengen, niemand anders. Kenners van de purana's hebben ons verteld dat er zo'n offer bestaat.'
De koning zag Takshaka al verbrand, geworpen in de mond van Agni, de eter van de offerboter. 'Ik ga dat offer voorbereiden,' zei hij tegen de brahmanen die de mantra's kenden, de heilige formules van het offer. 'Zeg me wat ervoor nodig is.'
De offerpriesters van de koning waren thuis in de Veda's en in de riten van dat offer, en ze maten volgens de voorschriften de grond af voor het offerterrein. Terwijl het terrein werd aangelegd, kwam er een waarschuwing van een bouwmeester. Hij was een suta, uit het geslacht van barden en wagenmenners, een man van groot verstand, die alles wist van het leggen van fundamenten en de purana's kende. 'De grond waarop en het tijdstip waarop het offerterrein is afgemeten, wijzen erop dat dit offer niet zal worden voltooid,' zei hij. 'Een brahmaan zal de oorzaak zijn.' Daarop beval de koning zijn poortwachters, nog vóór zijn wijding, niemand binnen te laten zonder dat hij het wist.
Het terrein werd voltooid, volgens de regels en naar wens. Het was versierd met kostbaarheden, het lag vol schatten en rijst, brahmanen kwamen er samen, en de offerpriesters namen er hun plaats in. Toen wijdden ze de koning voor het slangenoffer, zodat het zijn doel zou bereiken.
Het slangenoffer begon zoals het hoort, en ieder van de offerpriesters was bekwaam in zijn eigen taak. Ze waren gekleed in zwart, met ogen rood van de rook, en ze goten geklaarde boter in het laaiende vuur en zeiden de voorgeschreven mantra's. En terwijl ze de slangen bij hun naam riepen, goten ze de boter in de mond van Agni, en de harten van alle slangen beefden van angst.
De slangen begonnen in het vuur te vallen, verdoofd en jammerlijk naar elkaar roepend. Ze zwollen op, ze snakten naar adem, ze kronkelden met kop en staart om elkaar heen, en in grote aantallen kwamen ze en vielen in het vuur. De witte en de zwarte, de blauwe, de oude en de jonge: allemaal vielen ze in het vuur, met allerlei kreten. Slangen niet langer dan een span en slangen zo lang als een krosha of een yojana, de oude maten voor grote afstanden, vielen zonder ophouden en met geweld in dat vuur. Honderden, duizenden, tienduizenden slangen, die hun lichaam niet meer in bedwang hadden, kwamen daar om. Er waren slangen bij die op paarden leken, andere op de slurf van een olifant, en andere, reusachtig en sterk, op olifanten in hun razernij. Ze hadden allerlei kleuren en een dodelijk gif, ze waren afschrikwekkend om te zien, als knotsen met ijzeren punten, krachtig en altijd klaar om te bijten, en ze vielen in het vuur, getroffen door de vloek van hun moeder.
'Welke grote rishi's waren de offerpriesters bij het slangenoffer van de wijze koning Janamejaya uit het geslacht van de Pandava's?' vroeg Shaunaka. 'En wie waren de sadasya's, de toezieners, bij dat verschrikkelijke offer, dat de slangen zoveel angst en verdriet bracht? Vertel het ons precies, zoon van de suta, zodat we weten wie de riten van het slangenoffer kenden.'
'Ik zal u de namen van die wijzen noemen,' zei Sauti. 'De brahmaan Chandabhargava droeg bij dat offer de verzen voor. Hij was een beroemde nazaat van Chyavana en kende de Veda's beter dan wie ook. De oude, geleerde Kautsa zong de gezangen. Jaimini hield toezicht op de riten, en Sharngarava en Pingala verrichtten de handelingen. Als sadasya's zaten erbij: Vyasa met zijn zoon en zijn leerlingen, Uddalaka, Shvetaketu, Asita, Devala, Narada, de oude Shrutashrava, die keer op keer mantra's opzei en de Veda bestudeerde, en vele andere brahmanen die de Veda's volledig kenden.'
En Sauti vertelde verder.
De slangen bleven vallen, zo verschrikkelijk dat elk schepsel ervan schrok, en hun vet en hun merg stroomden weg als rivieren. Onophoudelijk verbrandden ze, en overal was een ondraaglijke stank. Even onophoudelijk klonken de kreten van de slangen die in het vuur lagen, en van de slangen die in de lucht hingen en op het punt stonden erin te vallen.
Zodra Takshaka, de vorst van de slangen, hoorde dat koning Janamejaya met het offer bezig was, ging hij naar het paleis van Indra, de koning van de goden. Hij vertelde Indra alles wat er gebeurd was, gaf zijn misstap toe en zocht in doodsangst bescherming bij hem. Indra was ingenomen met hem. 'Takshaka,' zei hij, 'hier hoef je dat slangenoffer niet te vrezen. Ik heb Brahma, de Grootvader, voor jou gunstig gestemd. Laat die angst uit je hart verdwijnen.' En Takshaka bleef daar wonen, blij en gerust.
Maar Vasuki, de koning van de naga's, zag dat er zonder einde slangen in het vuur vielen en dat er van zijn familie nog maar weinigen over waren. Hij riep zijn zuster bij zich. 'Lieve zus,' zei hij, 'mijn ledematen branden, en ik zie de windstreken niet meer. Ik sta op het punt bewusteloos neer te vallen. Mijn gedachten tollen, mijn zicht vervaagt en mijn hart breekt. Verdoofd als ik ben, val ik misschien vandaag in dat laaiende vuur. Dit offer van de zoon van Parikshit is bedoeld om ons geslacht uit te roeien. Ook ik zal zeker naar het verblijf van de koning van de doden moeten. De tijd is gekomen waarvoor ik je aan de rishi Jaratkaru heb gegeven, zus: om ons en onze verwanten te beschermen. Astika zal een einde maken aan dit offer. Dat heeft de Grootvader me lang geleden gezegd. Vraag dus je lieve zoon, die de Veda's volledig kent en die zelfs de ouden hoogachten, om mij te beschermen, en allen die van mij afhankelijk zijn.'
Blijf
Jaratkaru, de zuster van Vasuki, riep haar zoon bij zich en zei tegen hem wat haar broer haar had opgedragen. 'Mijn zoon, de tijd is gekomen voor het doel waarvoor mijn broer mij aan je vader heeft gegeven. Doe dus wat er gedaan moet worden.'
'Waarom heeft mijn oom je aan mijn vader gegeven, moeder?' vroeg Astika. 'Vertel me alles naar waarheid, dan kan ik doen wat juist is.'
Jaratkaru bleef kalm te midden van de nood, en omdat ze het welzijn van haar verwanten wilde, vertelde ze het hem. 'Kadru, de moeder van alle slangen, heeft haar zonen ooit in haar woede vervloekt, omdat ze weigerden de kleur van het paard Uchchaihshravas vals te laten lijken, zodat Vinata volgens de weddenschap haar slavin zou worden. "Agni, die Vayu, de god van de wind, als wagenmenner heeft, zal jullie allemaal verbranden in het offer van Janamejaya," zei ze, "en wie in dat offer omkomt, gaat naar de wereld van de preta's, de geesten van de gestorvenen." En Brahma, de Grootvader van alle werelden, zei erbij: "Het zal zo zijn." Vasuki hoorde die vloek en het woord van de Grootvader. Toen de amrita gekarnd was, zocht hij bescherming bij de goden, en samen met hem gingen zij naar Brahma om de vloek af te wenden. Brahma antwoordde: "Jaratkaru zal een vrouw nemen die ook Jaratkaru heet. De brahmaan die uit haar geboren wordt, zal de slangen redden." Daarom gaf Vasuki mij, lang voor het offer begon, aan je grootmoedige vader, en uit dat huwelijk ben jij geboren. Die tijd is nu gekomen. Je moet ons uit dit gevaar redden. Bescherm mijn broer en mij tegen het vuur, zodat het doel waarvoor ik aan je wijze vader werd gegeven, onze redding, niet onvervuld blijft. Wat denk je ervan, mijn zoon?'
'Ja, dat zal ik doen,' zei Astika tegen zijn moeder. Toen gaf hij de gekwelde Vasuki nieuwe moed. 'Vasuki, ik zeg je naar waarheid: ik zal je van die vloek bevrijden. Wees gerust, oom, er is niets meer te vrezen. Ik zal mijn best doen, en het zal goed aflopen. Niemand heeft ooit gezegd dat ik iets onwaars zei, zelfs niet voor de grap. Op een ernstig moment als dit hoef ik dus niets meer te zeggen. Ik ga vandaag naar koning Janamejaya, die aan zijn offer is gewijd, en ik zal hem met heilwensen gunstig stemmen, zodat het offer ophoudt. Geloof alles wat ik zeg. Wat ik me voorneem, blijft nooit onvervuld.'
'Astika,' zei Vasuki, 'mijn hoofd tolt en mijn hart breekt. Ik zie de windstreken niet meer, zo lijd ik onder de vloek van mijn moeder.'
'Treur niet langer,' zei Astika. 'Ik zal je angst voor het laaiende vuur wegnemen. Deze verschrikkelijke straf, die brandt als het vuur aan het einde van een tijdperk, zal ik doven. Wees niet langer bang.'
Astika nam Vasuki de angst uit het hart, alsof hij die zelf op zich nam, en om zijn oom te redden haastte hij zich naar het offer van Janamejaya. Hij zag het prachtige offerterrein, met de vele sadasya's die straalden als de zon of als Agni. Maar de poortwachters lieten hem niet binnen. Astika wilde erin, en hij wist de wachters over te halen. Toen hij binnen was, begon hij de koning te prijzen, en de offerpriesters, de sadasya's en het heilige vuur.
'Soma, Varuna en Prajapati hebben vroeger in Prayaga offers gebracht,' zei Astika. 'Maar uw offer, eerste van het geslacht van Bharata, zoon van Parikshit, doet voor geen van die offers onder. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! Indra bracht honderd offers, maar dit offer van u, eerste van het geslacht van Bharata, zoon van Parikshit, weegt op tegen tienduizend offers van Indra. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! Uw offer is als dat van Yama, van Harimedha, van koning Rantideva. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! Het is als het offer van koning Yudhishthira, de zoon van een god, waarvan men zelfs in de hemel van de goden heeft gehoord, en als het offer van Vyasa, de zoon van Satyavati, waarbij hij zelf de hoofdpriester was. Laat het goed gaan met wie ons dierbaar zijn! Uw offer is als dat van Indra, die Vritra versloeg, en de offerpriesters en de sadasya's die het hier volbrengen, stralen als de zon. Er is niets meer wat zij niet weten, en wat men hun geeft, brengt onuitputtelijke verdienste. Er is in alle werelden geen offerpriester die gelijk is aan Vyasa; zijn leerlingen trekken als offerpriesters over de aarde, bekwaam in hun taak. Agni, de grootmoedige drager van de offergaven, laait op; zijn vlammen buigen naar rechts, een goed teken, zijn pad is getekend door zwarte rook, en hij brengt uw offerboter naar de goden. In deze wereld van de mensen is geen koning die u gelijk is in het beschermen van zijn onderdanen. Uw zelfbeheersing stemt mij altijd blij. U bent als Varuna, of als Yama, de god van de dood, die recht spreekt. Zoals Indra met de bliksem in de hand, zo beschermt u in deze wereld alle schepselen. Op aarde is geen mens zo groot als u, en geen koning is u gelijk in het offeren. In kracht bent u als Yayati en Mandhatri, in uw glans als de zon, in uw geloften als Bhishma. U hebt uw woede bedwongen zoals Vasishtha. U heerst als Indra, u straalt als Narayana, de god Vishnu, en als Yama weet u recht te doen. Als Krishna bezit u elke deugd. In u woont het geluk van de Vasu's, een van de scharen van goden, en bij u vinden de offers hun toevlucht. En als Rama, de zoon van Jamadagni, kent u de leerboeken en de wapens.'
Met die lof won Astika hen allemaal voor zich: de koning, de sadasya's, de offerpriesters en het offervuur. Koning Janamejaya zag de tekenen overal om zich heen, en hij zei: 'Dit is nog maar een jongen, en toch spreekt hij als een wijze oude man. Een jongen is hij niet: hij is wijs, en oud. Ik wil hem een gunst geven. Geef me daarvoor jullie toestemming, brahmanen.'
'Een brahmaan, ook al is hij een jongen, verdient de eerbied van koningen, en een geleerde brahmaan des te meer,' zeiden de sadasya's. 'Deze jongen verdient dat u al zijn wensen vervult, maar niet voordat Takshaka hier is. En laat dat snel gebeuren.'
De koning wilde de brahmaan graag een gunst geven. 'Vraag een gunst,' zei hij. Maar de hotri Chandabhargava, de priester die de verzen voordroeg, was ontstemd. 'Takshaka is nog niet in dit offer gekomen,' zei hij.
'Doe wat jullie kunnen,' zei Janamejaya, 'zodat mijn offer voltooid wordt en Takshaka snel hier komt. Hij is mijn vijand.'
'Zoals de leerboeken ons zeggen en zoals ook het vuur ons zegt, koning,' antwoordden de offerpriesters, 'verblijft Takshaka nu in angst in het paleis van Indra.'
Ook de beroemde suta Lohitaksha, de bouwmeester die de purana's kende, had de koning dat al eerder gezegd. Nu vroeg de koning het hem opnieuw, en hij antwoordde: 'Koning, het is zoals de brahmanen zeggen. Ik ken de purana's, en ik zeg u dat Indra hem deze gunst heeft gegeven: "Woon verborgen bij mij, en Agni zal je niet verbranden."'
Dat bedroefde de koning, die aan zijn offer gewijd was, en hij spoorde de hotri aan zijn werk te doen. En terwijl de hotri onder het uitspreken van de mantra's geklaarde boter in het vuur begon te gieten, verscheen Indra zelf. Hij kwam in zijn wagen, omringd door alle goden, gevolgd door wolkenmassa's, door gandharva's, de hemelse muzikanten, en door de scharen van apsara's, de danseressen uit de hemel van de goden. Takshaka verborg zich angstig in het bovenkleed van Indra en was niet te zien. De koning werd woedend. Hij wilde Takshaka vernietigen, en hij zei tegen zijn brahmanen die de mantra's kenden: 'Als de slang Takshaka bij Indra is, werp hem dan samen met Indra zelf in het vuur.'
De hotri goot de offergaven in het vuur en noemde daarbij de naam van de slang, die daar bij Indra was. En terwijl de offergaven werden gegoten, werd Takshaka in een ogenblik zichtbaar in de lucht, samen met Indra zelf, allebei in angst en nood. Toen Indra dat offer zag, schrok hij hevig. Snel liet hij Takshaka los en ging terug naar zijn eigen paleis. Nu Indra weg was, trok de kracht van de mantra's de vorst van de slangen naar de vlammen van het offervuur. Hij was bewusteloos van angst.
'Grote koning,' zeiden de offerpriesters, 'uw offer wordt naar behoren voltrokken. Nu kunt u deze brahmaan zijn gunst geven.'
'Je ziet eruit als een mooi kind, en toch ben je onmetelijk,' zei Janamejaya tegen Astika. 'Ik wil je een gunst geven die je waardig is. Vraag dus wat je hart verlangt. Ik beloof je dat ik het je geef, ook al zou het niet te geven zijn.'
'Kijk, koning,' zeiden de offerpriesters, 'Takshaka valt u zo dadelijk in handen! U hoort zijn verschrikkelijke kreten al, en zijn luide gebrul. Indra heeft de slang zeker in de steek gelaten. De mantra's hebben zijn lichaam verlamd, en hij valt. Daar komt hij al, de vorst van de slangen, rollend door de lucht, bewusteloos en luid ademend.'
Takshaka stond op het punt in het offervuur te vallen, en in die paar ogenblikken zei Astika: 'Janamejaya, als u mij een gunst wilt geven, laat dit offer van u dan ophouden, en laat er geen slangen meer in het vuur vallen.'
'Goud, zilver, koeien, wat je maar wilt, dat geef ik je,' zei Janamejaya. 'Maar laat mijn offer niet ophouden.'
'Goud, zilver of koeien vraag ik niet van u, koning,' zei Astika. 'Maar laat uw offer ophouden, zodat de familie van mijn moeder gered wordt.'
Keer op keer zei de zoon van Parikshit tegen hem: 'Vraag een andere gunst, brahmaan. Ik wens je alle goeds!' Maar Astika vroeg geen andere gunst. Toen zeiden alle sadasya's, die de Veda's kenden, met één stem tegen de koning: 'Laat de brahmaan zijn gunst krijgen!'
'Zoon van de suta,' zei Shaunaka, 'ik wil de namen horen van alle slangen die in het vuur van dat slangenoffer vielen.'
'Duizenden, tienduizenden, miljoenen slangen vielen in het vuur,' zei Sauti. 'Het zijn er zoveel dat ik ze niet allemaal kan tellen. Maar ik zal u de voornaamste noemen.'
En Sauti vertelde.
Uit het geslacht van Vasuki vielen Kotisha, Manasa, Purna en vele anderen; uit het geslacht van Takshaka vielen Puchchandaka, Mandalaka en hun familie; uit het geslacht van de naga-koning Airavata vielen Paravata, Parijata en hun verwanten; en uit de geslachten van Kauravya en van Dhritarashtra, de naga, vielen er nog tientallen meer. Hulpeloos en ellendig vielen ze in het offervuur als offergaven van boter. Hun zonen en de zonen van hun zonen die verbrandden, waren niet te tellen. Sommige hadden drie koppen, andere zeven of tien; hun gif was als het vuur aan het einde van een tijdperk, en ze waren vreselijk om te zien. Andere waren reusachtig en snel, hoog als bergtoppen, een yojana of twee yojana's lang, in staat elke gedaante aan te nemen en elke kracht op te roepen die ze wilden. Bij duizenden werden ze in dat grote offer verbrand, getroffen door de vloek van een moeder.
Maar er gebeurde ook iets wonderlijks, en het had met Astika te maken. Toen koning Janamejaya Astika zijn gunst wilde geven, viel Takshaka niet in het vuur, hoewel Indra hem had losgelaten. De koning verbaasde zich daarover, want de offergaven werden volgens de regels op de naam van Takshaka in het laaiende offervuur gegoten, en toch viel de slang niet, hoe bang hij ook was.
'Waren de mantra's van die wijze brahmanen dan niet krachtig genoeg, zoon van de suta,' vroeg Shaunaka, 'dat Takshaka niet in het vuur viel?'
'Toen Takshaka bewusteloos uit de handen van Indra was gevallen,' zei Sauti, 'had Astika drie keer tegen hem gezegd: "Blijf! Blijf! Blijf!" En hij bleef in de lucht hangen, met een gekweld hart.'
En Sauti vertelde verder.
Keer op keer drongen de sadasya's bij de koning aan, en ten slotte zei hij: 'Laat het gebeuren zoals Astika heeft gezegd. Laat het offer ophouden, laat de slangen veilig zijn, laat Astika tevreden zijn, en laat ook jouw woorden uitkomen, suta Lohitaksha.' Toen Astika zijn gunst kreeg, klonk er gejuich door de lucht. Daarmee eindigde het offer van de zoon van Parikshit, de koning uit het geslacht van de Pandava's.
Aan de offerpriesters, aan de sadasya's en aan allen die gekomen waren, schonk Janamejaya honderden en duizenden geldstukken. Aan de suta Lohitaksha, die aan het begin had gezegd dat een brahmaan de oorzaak zou zijn van de onderbreking van het slangenoffer, gaf hij veel rijkdom, en in zijn uitzonderlijke goedheid ook voedsel en kleren, zoveel als Lohitaksha wilde. Daarna rondde hij zijn offer af met de voorgeschreven riten. Hij bewees de wijze Astika alle eer en liet hem gaan, en Astika was voldaan, want hij had zijn doel bereikt. 'Je moet terugkomen,' zei de koning tegen hem, 'om sadasya te zijn bij mijn grote paardenoffer.' 'Ja,' zei Astika. Hij ging terug naar zijn oom en zijn moeder, raakte hun voeten aan en vertelde hun alles wat er gebeurd was.
De slangen die daar waren gekomen, hoorden alles wat hij vertelde, en hun angst was voorbij. Ze vroegen Astika een gunst te kiezen. 'Wat kunnen we voor je doen, kind?' zeiden ze. 'Je hebt ons allemaal gered, en we zijn je zo dankbaar. Wat zullen we voor je doen?'
'Laat de brahmanen en de andere mensen die 's morgens of 's avonds met een blij hart en aandachtig het heilige verhaal van deze daad van mij voordragen, niets van jullie te vrezen hebben,' zei Astika.
'Neef, het zal precies zo gaan als je zegt,' zeiden de slangen. 'Wat je vraagt, zullen we allemaal graag doen. En wie overdag of 's nachts deze drie namen in gedachten houdt, Astika, Artiman en Sunitha, zal niets van slangen te vrezen hebben. En ook wie zegt: "Ik denk aan de beroemde Astika, de zoon van Jaratkaru, die de slangen redde van het slangenoffer. Daarom, hooggezegende slangen, mogen jullie mij niet bijten. Ga weg, ik wens jullie alle goeds, of ga weg, slang met je sterke gif, en denk aan de woorden van Astika na het slangenoffer van Janamejaya": die zal geen slangen te vrezen hebben. En de slang die niet ophoudt met bijten als hij Astika zo hoort noemen, zal zijn kap in honderd stukken zien splijten, als de vrucht van de shinshaboom.'
Wat de voornaamste slangen hem samen hadden beloofd, stelde Astika tevreden, en hij besloot te vertrekken. Hij had de slangen van het slangenoffer gered, en toen zijn tijd gekomen was, ging hij naar de hemel van de goden. Hij liet zonen en kleinzonen achter.
'Nazaat van Bhrigu, dit was de geschiedenis van Astika, precies zoals ze gebeurd is,' zei Sauti. 'Wie haar vertelt, verdrijft elke angst voor slangen. Zoals uw voorvader Pramati haar graag vertelde aan zijn zoon Ruru, toen die ernaar vroeg, en zoals ik haar heb gehoord, zo heb ik u van het begin af deze geschiedenis van de wijze Astika verteld, een geschiedenis die verdienste brengt. U vroeg me ernaar nadat u het verhaal had gehoord van de dundubha, de oude slang die Ruru in het bos vond. Nu u deze heilige geschiedenis hebt gehoord, die de dharma doet groeien, mag uw brandende nieuwsgierigheid gestild zijn.'