Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk twee

De oorringen van de koningin

Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel I, Het slangenoffer · 18 min. lezen

Sauti begon met het verhaal van Paushya, het eerste van de drie verhalen die aan het begin staan.

Janamejaya, de zoon van Parikshit, hield met zijn broers een lang offer op de vlakte van Kurukshetra, het land van de Kuru's. Hij had drie broers, Shrutasena, Ugrasena en Bhimasena. Terwijl ze bij het offer zaten, kwam er een jong aangelopen van Sarama, de hondin van de goden. De broers van Janamejaya sloegen het, en het rende jankend van pijn terug naar zijn moeder.

'Waarom huil je zo?' vroeg zijn moeder. 'Wie heeft je geslagen?'

'De broers van Janamejaya.'

'Dan heb je iets misdaan.'

'Ik heb niets misdaan. Ik heb de offerboter niet met mijn tong aangeraakt, ik heb er zelfs niet naar gekeken.'

Sarama ging naar de plaats waar Janamejaya met zijn broers zijn lange offer hield. 'Mijn zoon heeft niets misdaan,' zei ze. 'Hij heeft niet naar jullie offerboter gekeken en hij heeft er niet aan gelikt. Waarom is hij geslagen?' Ze zeiden geen woord. Toen zei ze: 'Omdat jullie mijn zoon geslagen hebben, die niets misdaan had, zal er onheil over jullie komen wanneer jullie er het minst op bedacht zijn.'

Janamejaya schrok hevig en werd somber. Na het offer keerde hij terug naar Hastinapura, zijn hoofdstad, en deed alle moeite om een purohita te vinden, een huispriester, die hem van zijn vergrijp kon vrijmaken en zo de vloek onschadelijk kon maken.

Op een dag, tijdens de jacht, zag hij in een streek van zijn rijk een hermitage waar de beroemde rishi Shrutashrava woonde. Diens zoon Somashrava was diep verzonken in ascese. Janamejaya groette de rishi en zei: 'Laat uw zoon mijn huispriester worden.'

'Deze zoon van mij,' antwoordde de rishi, 'is verzonken in ascese, thuis in de studie van de Veda's en vervuld van de volle kracht van mijn eigen ascese. Hij is geboren uit een slangenvrouw die mijn zaad had gedronken. Hij kan u van alle vergrijpen vrijmaken, behalve van die tegen Shiva. Maar hij heeft één gewoonte: hij geeft elke brahmaan alles wat die hem vraagt. Kunt u dat aanvaarden, neem hem dan.'

'Het zal zo zijn,' zei Janamejaya. Hij nam Somashrava als huispriester mee naar zijn hoofdstad en zei tegen zijn broers: 'Dit is de man die ik als geestelijk leraar heb gekozen. Wat hij ook zegt, jullie doen het, zonder vragen.' Zijn broers deden wat hun gezegd werd. En de koning trok op naar Takshashila en bracht dat land onder zijn gezag.

In die tijd leefde er een rishi die Ayoda-Dhaumya heette, en hij had drie leerlingen: Upamanyu, Aruni en Veda.

Op een dag stuurde hij Aruni, die uit Panchala kwam, naar een akker om een bres in een waterloop te dichten. Aruni ging erheen en zag dat hij de bres met gewone middelen niet kon dichten. Het zat hem dwars dat hij de opdracht van zijn leraar niet kon uitvoeren. Maar ten slotte vond hij een manier. 'Goed,' zei hij, 'dan zo.' Hij ging in de bres liggen, en het water stond stil.

Na een poos vroeg Ayoda-Dhaumya zijn andere leerlingen waar Aruni was. 'U hebt hem zelf gestuurd, meester,' zeiden ze. 'U zei: "Ga die bres in de waterloop dichten."'

'Laten we dan allemaal naar hem toe gaan.'

Bij de akker riep hij: 'Aruni! Waar ben je? Kom hier, mijn kind.'

Toen Aruni de stem van zijn leraar hoorde, kwam hij uit de waterloop en ging voor hem staan. 'Ik wist geen andere manier om het water tegen te houden,' zei hij, 'dus ben ik zelf in de bres gaan liggen. Pas toen ik uw stem hoorde, ben ik opgestaan en heb ik het water laten gaan. Ik groet u, meester. Zeg me wat ik moet doen.'

'Omdat je bij het opstaan de waterloop hebt geopend,' zei zijn leraar, 'zul je voortaan Uddalaka heten, als teken van mijn gunst. En omdat je me hebt gehoorzaamd, zal het je goed gaan. Alle Veda's zullen in je stralen, en alle leerboeken over de dharma.' En Aruni ging naar het land waar hij heen wilde.

Een andere leerling, Upamanyu, kreeg de opdracht de koeien te hoeden. Hij hoedde ze de hele dag, kwam 's avonds terug en groette zijn leraar. Ayoda-Dhaumya zag dat hij goed doorvoed was. 'Upamanyu, mijn kind, waar leef je van? Je bent dik.'

'Ik bedel, meester.'

'Wat je bij het bedelen krijgt, mag je niet gebruiken zonder het eerst aan mij te geven.'

Upamanyu ging, en voortaan gaf hij alles wat hij kreeg aan zijn leraar, en de leraar nam alles. Maar 's avonds zag Upamanyu er nog altijd goed uit.

'Ik neem alles wat je bij het bedelen krijgt, en ik laat je niets over. Waar leef je nu van?'

'Als ik u alles heb gegeven, ga ik een tweede keer bedelen, voor mijzelf.'

'Zo gehoorzaam je je leraar niet. Zo neem je het brood weg van anderen die van bedelen leven. Je hebt laten zien dat je hebzuchtig bent.'

Upamanyu stemde toe en ging weer de koeien hoeden, en 's avonds was hij nog altijd dik.

'Je geeft me alles wat je krijgt, je gaat niet een tweede keer bedelen, en toch ben je gezond. Hoe dan?'

'Ik leef nu van de melk van deze koeien.'

'Die melk mag je niet nemen zonder mijn toestemming.'

Upamanyu gaf hem gelijk, en ging, en kwam terug, en was nog altijd dik.

'Je eet niet meer van aalmoezen, je bedelt niet een tweede keer, je drinkt zelfs de melk niet, en toch ben je dik. Waar leef je nu van?'

'Ik lik het schuim op dat de kalveren uitspugen als ze bij hun moeder drinken.'

'Die goedhartige kalveren spugen dan zeker uit medelijden met jou extra veel schuim uit. Wil je dat ze door jou te kort komen? Dat schuim mag je niet drinken.'

Upamanyu stemde ook daarmee in en ging net als eerst de koeien hoeden. Zijn leraar had hem alles verboden: hij at geen aalmoezen, hij had verder niets te eten, hij dronk geen melk en hij proefde het schuim niet.

Op een dag had hij in het bos zo'n honger dat hij de bladeren van de arka-plant at. Die bladeren zijn scherp en bijtend, en ze tastten zijn ogen aan: hij werd blind. Hij kroop rond en viel in een put. En toen de zon achter de toppen van de westelijke bergen zakte, zei zijn leraar tegen de andere leerlingen: 'Upamanyu is nog niet thuis.'

'Hij is met de koeien weggegaan,' zeiden ze.

'Ik heb hem alles verboden. Hij is natuurlijk uitgeput en komt daarom laat. Laten we hem gaan zoeken.' Met zijn leerlingen ging hij het bos in en riep: 'Upamanyu, waar ben je?'

'Hier,' riep Upamanyu. 'Onder in een put.'

'Hoe ben je daar terechtgekomen?'

'Ik heb van de arka-bladeren gegeten en ben blind geworden, en zo ben ik in deze put gevallen.'

'Bezing de Ashvins, de tweelingartsen van de goden. Zij zullen je je ogen teruggeven.'

En Upamanyu bezong de Ashvins met woorden uit de Rigveda:

'U bestond vóór de schepping, eerstgeborenen, zichtbaar in deze wonderlijke wereld van vijf elementen. U bent vrij van de drie hoedanigheden die elk wezen binden; u bent gouden arenden, vogels met prachtige veren op de boom van het lichaam; u overwint de Tijd. U hebt de zon gemaakt, en u weeft het kleed van het jaar met de witte draad van de dag en de zwarte draad van de nacht. De vogel van het leven, door de Tijd gegrepen, laat u vrij. Het jaar is de naaf van een wiel met zevenhonderdtwintig spaken, de dagen en de nachten, en u zet het in beweging. En het wiel van de Tijd heeft de zes seizoenen als naaf en twaalf spaken; ik ben eraan gebonden en lijd eronder: maak mij los van dat wiel, Ashvins. U bent de ouders van alles. Geef mij mijn ogen terug, zodat ik kan leven.'

De Ashvins verschenen. 'We zijn tevreden,' zeiden ze. 'Hier is een koek. Neem hem en eet.'

'Uw woorden zijn nooit onwaar gebleken, Ashvins,' zei Upamanyu. 'Maar ik durf deze koek niet te nemen zonder hem eerst aan mijn leraar te geven.'

'Je leraar heeft ons vroeger ook aangeroepen, en toen gaven we hem ook zo'n koek, en die heeft hij opgegeten zonder hem eerst aan zijn leraar te geven. Doe jij wat je leraar deed.'

'Vergeef mij, Ashvins. Zonder hem eerst aan mijn leraar te geven, durf ik deze koek niet aan te raken.'

'We zijn blij met deze toewijding aan je leraar. De tanden van je meester zijn van zwart ijzer; de jouwe zullen van goud zijn. Je krijgt je ogen terug, en het zal je goed gaan.'

Zo kreeg Upamanyu zijn ogen terug. Hij ging naar zijn leraar en vertelde hem alles, en Ayoda-Dhaumya was tevreden. 'Het zal je goed gaan, zoals de Ashvins gezegd hebben. Alle Veda's zullen in je stralen, en alle leerboeken over de dharma.' Dat was de proef van Upamanyu.

De laatste leerling was Veda. 'Veda, mijn kind,' zei zijn leraar, 'blijf een tijd in mijn huis en dien je leraar. Het zal je goed doen.' Veda bleef lang in het huis van zijn leraar, altijd bedacht op zijn dienst. Als een os onder de lasten van zijn baas verdroeg hij hitte en kou, honger en dorst, zonder ooit te klagen. Het duurde niet lang of zijn leraar was tevreden, en daardoor verwierf Veda geluk en alle kennis. Dat was de proef van Veda.

Na zijn studie vertrok Veda met verlof van zijn leraar en werd huisvader, en in zijn eigen huis kreeg hij drie leerlingen. Hij gaf hun nooit werk op en verlangde niet dat ze zijn bevelen zonder meer opvolgden: hij had zelf zoveel ellende gekend in het huis van zijn leraar dat hij hen niet hard wilde behandelen.

Later kozen twee kshatriya's, twee koningen uit de stand van krijgers en vorsten, hem als hun leraar: diezelfde Janamejaya, en Paushya. Toen Veda op een dag voor een offer op reis moest, droeg hij de zorg voor zijn huis op aan een van zijn leerlingen, Utanka. 'Utanka,' zei hij, 'wat er in mijn huis ook gedaan moet worden, zorg dat het gebeurt, en laat niets liggen.' En hij vertrok.

Utanka bleef in het huis van zijn leraar en hield zich aan zijn opdracht. Terwijl hij daar woonde, kwamen de vrouwen van het huis bij elkaar en zeiden tegen hem: 'Utanka, de vrouw van je leraar is in de tijd dat ze vruchtbaar is. De meester is weg. Neem jij zijn plaats in en doe wat nodig is.'

'Het past mij niet dat te doen omdat vrouwen het vragen,' zei Utanka. 'Mijn leraar heeft mij niet opgedragen iets te doen wat niet hoort.'

Toen zijn leraar terugkwam en hoorde wat er gebeurd was, was hij heel tevreden. 'Utanka, mijn kind, welke gunst zal ik je bewijzen? Je hebt me trouw gediend, en daardoor is onze vriendschap gegroeid. Ik geef je verlof om te gaan. Ga, en mogen je wensen vervuld worden.'

'Laat mij eerst iets doen wat u wenst,' zei Utanka. 'Want er wordt gezegd: "Wie onderricht geeft tegen het gebruik in en wie het ontvangt tegen het gebruik in, van die twee sterft er één, en tussen hen ontstaat vijandschap." Nu ik verlof heb gekregen, wil ik u het afscheidsgeschenk brengen dat een leraar toekomt, de gurudakshina, waarmee een leerling zijn schuld aan hem aflost.'

'Wacht nog even, Utanka, mijn kind.'

Enige tijd later vroeg Utanka het opnieuw. 'Zeg mij wat ik u moet brengen.'

'Mijn beste Utanka, je hebt me vaak gezegd dat je iets wilt brengen als dank voor wat je geleerd hebt. Ga dan naar binnen en vraag de vrouw van je leraar wat je moet brengen, en breng wat zij zegt.'

Utanka ging naar haar toe. 'Ik heb van de meester verlof gekregen om naar huis te gaan, en ik wil u iets brengen wat u aangenaam is, als geschenk voor wat ik geleerd heb, zodat ik niet als zijn schuldenaar vertrek. Zeg mij wat ik moet brengen.'

'Ga naar koning Paushya,' zei ze, 'en vraag hem de oorringen die zijn koningin draagt, en breng ze hier. Over vier dagen is het een heilige dag, en dan wil ik met die oorringen verschijnen voor de brahmanen die bij mij komen eten. Zorg daarvoor, Utanka. Lukt het, dan zal het je goed gaan. Lukt het niet, wat heb je dan te verwachten?'

Utanka vertrok. Onderweg zag hij een stier van ongewone grootte, en op die stier zat een man van ongewone gestalte. 'Eet van de mest van deze stier,' zei de man. Utanka wilde niet. 'Eet ervan, Utanka,' zei de man weer, 'zonder te twijfelen. Je meester heeft er ook van gegeten.' Toen stemde Utanka toe, at van de mest en dronk van de urine van de stier, stond eerbiedig op, waste zijn handen en zijn mond en ging naar koning Paushya.

In het paleis zat Paushya op zijn troon. Utanka groette hem met heilwensen en zei: 'Ik kom als verzoeker bij u.'

Paushya groette hem terug. 'Wat kan ik voor u doen?'

'Ik kom u om oorringen vragen, als geschenk voor mijn leraar. Geef mij de oorringen die uw koningin draagt.'

'Ga naar de vrouwenvertrekken, Utanka, waar de koningin is, en vraag ze haar.'

Utanka ging naar de vrouwenvertrekken, maar hij zag de koningin nergens. Hij kwam terug bij de koning. 'Het is niet juist dat u mij bedriegt. Uw koningin is niet in haar vertrekken; ik kon haar niet vinden.'

Paushya dacht even na. 'Ga eens na. Bent u niet nog onrein van het eten, omdat u zich na de maaltijd niet hebt gereinigd zoals het moet? Mijn koningin is een trouwe vrouw. Wie onrein is van een maaltijd, kan haar niet zien, en zij vertoont zich ook niet aan wie onrein is.'

'Ja, zo moet het zijn,' zei Utanka. 'Ik had haast en heb mij na het eten staande gewassen.'

'Daar zit de overtreding,' zei Paushya. 'Wie staat of loopt, wordt niet rein.'

Utanka gaf hem gelijk. Hij ging zitten met zijn gezicht naar het oosten, waste grondig zijn gezicht, zijn handen en zijn voeten, nam zonder geluid driemaal een slokje water, vrij van schuim en niet warm, net genoeg om zijn maag te bereiken, veegde tweemaal over zijn gezicht en raakte met water zijn ogen, zijn oren en de andere openingen van zijn zintuigen aan. Toen ging hij opnieuw de vrouwenvertrekken binnen, en deze keer zag hij de koningin.

Zodra zij hem zag, groette ze hem. 'Welkom. Zeg mij wat ik moet doen.'

'Geef mij uw oorringen. Ik vraag ze als geschenk voor mijn leraar.'

De koningin was ingenomen met zijn gedrag, en omdat ze vond dat je iemand als Utanka, die om een gave kwam vragen, niet kon afwijzen, deed ze haar oorringen af en gaf ze hem. 'Takshaka, de koning van de slangen, wil deze oorringen maar al te graag hebben,' zei ze. 'Draag ze dus met de grootste zorg.'

'Maakt u zich geen zorgen, koningin. Takshaka kan mij niet inhalen.' Hij nam afscheid van haar en ging terug naar Paushya. 'Paushya, ik ben tevreden.'

'Iemand die een gave waardig is, vind je niet vaak,' zei Paushya. 'U bent een gast zoals er weinig komen, en daarom wil ik een shraddha houden, een offer aan de voorouders. Blijf nog even.'

'Goed, ik blijf. Maar laat het reine voedsel dat klaarstaat snel brengen.'

De koning stemde toe en onthaalde hem. Maar Utanka zag dat het voedsel koud was en dat er een haar in zat, en hij hield het voor onrein. 'U geeft mij onrein voedsel,' zei hij. 'Daarom zult u uw gezichtsvermogen verliezen.'

'En omdat u rein voedsel onrein noemt,' antwoordde Paushya, 'zult u zonder nakomelingen blijven.'

'Het past u niet mij onrein voedsel voor te zetten en mij daarna terug te vervloeken. Kijk zelf maar.'

Paushya keek en zag dat het waar was: het voedsel was klaargemaakt door een vrouw met loshangend haar. Hij probeerde het met Utanka goed te maken. 'Het voedsel is zonder de nodige zorg bereid. Vergeef het mij. Laat mij niet blind worden.'

'Wat ik zeg, gebeurt,' zei Utanka. 'U wordt blind, maar u krijgt uw gezichtsvermogen spoedig terug. Zorg dan dat ook uw vloek mij niet treft.'

'Ik kan mijn vloek niet terugnemen, want mijn woede is nog niet bedaard. Maar u weet niet hoe dat zit. Het hart van een brahmaan is zacht als verse boter, ook al snijden zijn woorden als een scheermes. Bij een kshatriya is het omgekeerd: zijn woorden zijn zacht als verse boter, maar zijn hart is als geslepen staal. Zo is het, en door de hardheid van mijn hart kan ik mijn vloek niet ongedaan maken. Ga dus uw eigen weg.'

'Ik heb je laten zien dat het voedsel onrein was,' zei Utanka, 'en je hebt me zelf net nog om vergeving gevraagd. Bovendien zei je eerst dat ik zonder nakomelingen zou blijven omdat ik rein voedsel onrein noemde. Maar het voedsel was werkelijk onrein, dus je vloek kan mij niet treffen. Dat weet ik zeker.' En met de oorringen vertrok hij.

Onderweg zag Utanka een naakte bedelaar op zich afkomen, die nu eens zichtbaar was en dan weer verdween. Utanka legde de oorringen op de grond en ging water halen. Intussen kwam de bedelaar dichterbij, raapte de oorringen op en rende weg. Utanka voltooide zijn wassingen, reinigde zich, boog voor de goden en zijn leraren en zette de dief toen achterna, zo hard als hij kon. Met veel moeite haalde hij hem in en greep hem vast. Maar op dat ogenblik liet de man zijn bedelaarsgedaante los en nam zijn ware gedaante aan: het was Takshaka. Hij verdween in een groot gat in de grond, en door dat gat ging hij naar zijn eigen verblijf, de wereld van de slangen.

Utanka dacht aan de woorden van de koningin en ging de slang achterna. Met een stok probeerde hij het gat open te graven, maar hij kwam nauwelijks vooruit. Indra, de koning van de goden, zag hem worstelen en stuurde hem de bliksem, zijn wapen, te hulp. De bliksem drong de stok binnen en maakte het gat wijd, en Utanka volgde de bliksem naar beneden.

Daar lag de wereld van de naga's, eindeloos, met honderden paleizen en huizen met torens, koepels en poorten, en overal plaatsen voor spel en vermaak. Utanka bezong de slangen: 'Slangen, onderdanen van de naga-koning Airavata, schitterend in de strijd, die wapens laten neerkomen als bliksemgeladen wolken voor de wind; mooi en van vele gedaanten, getooid met veelkleurige oorringen, stralend als de zon aan het hemelgewelf. Aan de noordoever van de Ganga staan vele woningen van slangen, en daar vereer ik altijd de grote slangen. Wie anders dan Airavata zou door de brandende zonnestralen willen trekken? Wanneer Dhritarashtra, de naga, de broer van Airavata, uitgaat, volgen hem achtentwintigduizend en acht slangen. Jullie die dicht bij hem gaan en jullie die ver van hem blijven, allen die Airavata als oudste broer hebben: jullie vereer ik. Ook jou vereer ik, Takshaka, om de oorringen terug te krijgen, jij die vroeger in Kurukshetra en in het Khandava-woud woonde. Takshaka en Ashvasena, jullie die altijd samen zijn en in Kurukshetra aan de oever van de Ikshumati wonen: jullie vereer ik. En ook Shrutasena, de jongere broer van Takshaka, die in de heilige plaats Mahadyumna woonde omdat hij het hoofd van de slangen wilde worden.'

Maar hoewel hij de slangen had vereerd, kreeg hij de oorringen niet terug. Hij werd heel stil en keek om zich heen. Toen zag hij twee vrouwen aan een weefgetouw, die met een fijne spoel een stuk stof weefden, en op het getouw zaten zwarte en witte draden. Hij zag ook een wiel met twaalf spaken, dat werd rondgedraaid door zes jongens. En hij zag een man met een prachtig paard.

Utanka richtte zich tot hen: 'Dit wiel met zijn vierentwintig delen, de wisselingen van de maan, en zijn driehonderd spaken draait onophoudelijk, door zes jongens in beweging gezet. Deze vrouwen, die de hele natuur zijn, weven zonder ophouden een kleed van zwarte en witte draden, en zo brengen ze de vele werelden voort en de wezens die erin wonen. En u, die de bliksem voert, beschermer van de wereld, verslager van de asura's Vritra en Namuchi, u die het zwarte kleed draagt en waarheid en onwaarheid in de wereld laat zien, u die als rijdier het paard hebt dat uit de diepte van de oceaan kwam en dat een andere gedaante is van Agni, het vuur: ik buig voor u, de hoogste, u die over de drie werelden heerst, Purandara, breker van burchten.'

'Ik ben blij met deze verering,' zei de man met het paard. 'Wat kan ik voor je doen?'

'Breng de slangen onder mijn macht.'

'Blaas in de anus van dit paard.'

Utanka blies. Uit alle openingen van het dier sloegen vlammen en rook, en de wereld van de naga's dreigde te verbranden. Takshaka, doodsbang voor de hitte, kwam met de oorringen uit zijn verblijf. 'Neem ze alstublieft terug.'

Utanka nam ze terug. Maar toen dacht hij: vandaag is de heilige dag van de vrouw van mijn leraar, en ik ben ver weg. Hoe kan ik haar nog de eer bewijzen?

'Bestijg dit paard, Utanka,' zei de man. 'Het brengt je in een ogenblik naar het huis van je meester.' Utanka stemde toe, besteeg het paard en was meteen bij het huis van zijn leraar.

Die ochtend had de vrouw van zijn leraar zich gewassen en zat ze zich te kammen. Ze dacht erover Utanka te vervloeken als hij niet op tijd terugkwam. Maar juist toen kwam hij binnen, groette haar en gaf haar de oorringen. 'Utanka,' zei ze, 'je komt op het juiste moment. Welkom, mijn kind. Je hebt niets misdaan, en daarom vervloek ik je niet. Het geluk ligt voor je. Mogen je wensen vervuld worden.'

Daarna ging Utanka naar zijn leraar. 'Welkom,' zei Veda. 'Waarom ben je zo lang weggebleven?'

'Meester, Takshaka, de koning van de slangen, heeft mij bij mijn opdracht tegengehouden, en ik moest naar de wereld van de naga's. Daar zag ik twee vrouwen aan een weefgetouw met zwarte en witte draden, een wiel met twaalf spaken dat zes jongens ronddraaiden, en een man met een reusachtig paard. En onderweg zag ik een man op een stier, die mij vriendelijk aanspoorde van de mest te eten, omdat u dat ook gedaan had. Wat betekent dat allemaal? Wie zijn zij? Leg het mij uit, ik wil het weten.'

'De twee vrouwen die je zag, zijn Dhata en Vidhata, zij die scheppen en beschikken,' zei Veda. 'De zwarte en witte draden zijn nacht en dag. Het wiel met twaalf spaken dat door zes jongens wordt rondgedraaid, is het jaar met zijn zes seizoenen. De man is Parjanya, de god van de regen, en het paard is Agni, de god van het vuur. De stier die je onderweg zag, is Airavata, de koning van de olifanten, het rijdier van Indra; de man die erop zat, is Indra; en de mest van de stier, die je gegeten hebt, was amrita, de drank van de onsterfelijkheid. Daarom ben je in de wereld van de naga's niet gestorven. Indra is mijn vriend, en hij was je welgezind en heeft je geholpen. Daarom ben je veilig teruggekomen, met de oorringen. Ga nu, beste jongen, je hebt verlof. Het zal je goed gaan.'

Utanka nam afscheid van zijn meester. Maar hij was woedend en vastbesloten zich op Takshaka te wreken, en hij ging op weg naar Hastinapura. Daar meldde hij zich bij koning Janamejaya, die net als overwinnaar uit Takshashila was teruggekeerd en met zijn ministers om zich heen zat. Utanka groette hem met de voorgeschreven heilwensen, en op het juiste ogenblik, met de juiste klemtoon en met welluidende stem, zei hij tegen de koning: 'Hoe kunt u uw tijd doorbrengen als een kind, terwijl er iets anders is wat dringend uw aandacht vraagt?'

Janamejaya groette de brahmaan en antwoordde: 'Door voor mijn onderdanen te zorgen, vervul ik de plichten van een kshatriya. Zeg mij wat ik moet doen en waarom u hierheen bent gekomen.'

'Koning, het is uw eigen zaak die uw aandacht vraagt. Neem haar dus ter hand. Grote koning, uw vader is door Takshaka gedood. Wreek de dood van uw vader op die gemene slang. De tijd is gekomen, denk ik, voor de wraak die het lot heeft beschikt. Wreek uw grootmoedige vader, die zonder reden door die gemene slang werd gebeten en tot de vijf elementen terugkeerde, als een boom die door de bliksem wordt getroffen. Takshaka, de laagste van het slangenvolk, dronken van macht, heeft de koning gebeten zonder noodzaak, die goddelijke vader, de beschermer van het geslacht van de koninklijke zieners. En in zijn kwaadaardigheid heeft hij zelfs Kashyapa, de eerste onder de artsen, doen omkeren, toen die op weg was om uw vader te redden. Verbrand die schurk in het laaiende vuur van een slangenoffer. Geef meteen bevel voor het offer, koning. Zo kunt u de dood van uw vader wreken. En u bewijst mij daarmee ook een grote dienst. Want die kwaadaardige ellendeling heeft ook mij eens tegengehouden, toen ik onderweg was in opdracht van mijn leraar.'

Toen de koning die woorden hoorde, laaide zijn woede tegen Takshaka op, zoals het offervuur oplaait wanneer men er geklaarde boter op giet. In het bijzijn van Utanka vroeg hij zijn ministers hoe zijn vader naar de hemelwereld was gegaan. En toen hij uit de mond van Utanka alles had gehoord over de dood van zijn vader, werd hij door pijn en verdriet overmand.

Boek 1 · Het huis van de Kuru's

  1. Deel I · Het slangenoffer
  2. 1Het woord Jaya
  3. 2De oorringen van de koningin
    1. De oorringen van de koningin
  4. 3Het halve leven
  5. 4De karning van de oceaan
  6. 5De roof van de amrita
  7. 6De dode slang
  8. 7Het slangenoffer
  9. Deel II · De voorouders
  10. 8Vaishampayana begint
  11. 9Shakuntala
  12. 10Kacha
  13. 11De ouderdom
  14. Deel III · Het huis van de Kuru's
  15. 12De gelofte
  16. 13De drie prinsessen
  17. 14Het kind in het water
  18. 15Het hert
  19. 16De lente

Alles in boek 1 · Alle boeken