Hoofdstuk vijf
De roof van de amrita
De wagenmenner van de zon
Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel I, Het slangenoffer · 29 min. lezen
Garuda maakte zich kleiner en zei: 'Laat geen schepsel bang zijn. Jullie schrokken van mijn verschrikkelijke gedaante; daarom heb ik mijn kracht getemd.'
Garuda kon gaan waar hij wilde en naar believen zijn kracht oproepen. Hij nam zijn broer Aruna, het kind uit het eerste ei, op zijn rug en vloog van het huis van zijn vader naar zijn moeder, aan de overkant van de grote oceaan. Daar zette hij de schitterende Aruna in het oosten neer, juist toen Surya had besloten de werelden met zijn felle stralen te verbranden.
'Wanneer besloot Surya de werelden te verbranden?' vroeg Shaunaka. 'Wat hadden de goden hem aangedaan dat hij zo woedend werd?'
'U aan wie geen smet kleeft,' zei Sauti, 'toen Rahu bij de karning van de oceaan van de amrita dronk, te midden van de goden, wezen Surya en Soma hem aan, en sindsdien was Rahu hun vijand.'
En Sauti vertelde.
Rahu probeerde zijn verrader Surya te verslinden. Toen werd Surya woedend. 'Die vijandschap van Rahu heb ik over me gehaald omdat ik de goden wilde helpen,' dacht hij, 'en de vreselijke gevolgen draag ik alleen. Nu ik in nood ben, helpt niemand mij. Voor de ogen van de goden word ik verslonden, en zij kijken zwijgend toe. Dan moet ik de werelden vernietigen.' En hij ging naar de bergen in het westen.
Daarvandaan straalde hij zijn hitte uit om de wereld te gronde te richten. De grote rishi's kwamen bij de goden. 'Midden in de nacht komt er een hitte op die ieder hart met angst vervult,' zeiden ze, 'en ze zal de drie werelden vernietigen.' De goden gingen met de rishi's naar Brahma. 'Grootvader,' zeiden ze, 'wat is dat voor hitte vandaag, die zo'n paniek zaait? Surya is nog niet eens opgekomen, en toch zien we de wereld al vergaan. Wat gebeurt er als hij opkomt?'
'Ja,' zei de Grootvader, 'Surya maakt zich klaar om vandaag op te komen en de wereld te vernietigen. Zodra hij verschijnt, brandt hij alles tot as. Maar daar heb ik al in voorzien. Kashyapa heeft een verstandige zoon, Aruna; iedereen kent hem. Hij is reusachtig en heeft een felle glans. Hij zal vóór Surya staan als zijn wagenmenner en al die hitte opvangen. Zo blijven de werelden gespaard, en de rishi's en de goden.'
Aruna deed alles wat de Grootvader hem opdroeg, en Surya kwam op, verhuld achter Aruna's lichaam.
'Nu weet u waarom Surya woedend was,' zei Sauti, 'en hoe Aruna, de broer van Garuda, zijn wagenmenner werd. Luister dan hoe het Garuda verder verging.'
De slavendienst
En Sauti vertelde.
Garuda was nu bij zijn moeder, aan de overkant van de grote oceaan. Daar leefde Vinata in ellende, als slavin, sinds ze de weddenschap had verloren.
Op een dag riep Kadru haar bij zich. Vinata wierp zich voor haar neer, en in het bijzijn van Garuda zei Kadru: 'Lieve Vinata, midden in de oceaan, ver weg, ligt een heerlijke streek waar de naga's wonen. Draag me erheen.'
De moeder van de vogel droeg de moeder van de slangen op haar schouders, en op bevel van zijn moeder droeg Garuda de slangen op zijn rug. Hij steeg op, naar de zon toe, en de stralen van Surya verschroeiden de slangen tot ze buiten bewustzijn raakten. Kadru zag haar zonen zo liggen en bad tot Indra, de koning van de goden:
'Ik buig voor u, koning van alle goden! Ik buig voor u, die de asura Vritra hebt gedood! Ik buig voor u, die de asura Namuchi hebt gedood! U met de duizend ogen, echtgenoot van Shachi, bescherm met uw regen de slangen, verschroeid door de zon. U gaat alle goden voor en u bent onze grote beschermer; Purandara, breker van burchten, u kunt de regen in stromen laten vallen. U bent Vayu, de wolken, het vuur en de bliksem aan de hemel; u drijft de wolken voort, en men noemt u de grote wolk. U bent de donder, fel en ongeëvenaard, en de brullende wolken. U brengt de werelden voort en u vernietigt ze, en niemand heeft u ooit overwonnen. U bent het licht van alle schepselen, u bent de zon en het vuur en de wonderlijke elementen. U bent de heerser van alle goden, u bent Vishnu, u bent de hoogste toevlucht. U bent de amrita en de soma, de heilige offerdrank die men het meest vereert. U bent het uur en de dag van de maan, u bent de kleinste delen van de tijd, u bent de lichte en de donkere halve maand, en u bent het jaar, de seizoenen, de maanden, de nachten en de dagen. U bent de aarde met haar bergen en wouden, het hemelgewelf dat straalt van de zon, de grote oceaan met zijn deinende golven, met walvissen en vissen die walvissen verzwelgen, met makara's en allerlei vissen. U bent beroemd, en de wijzen en de grote rishi's vereren u, verzonken in meditatie. Voor het welzijn van alle schepselen drinkt u bij de offers de soma en de geklaarde boter die men met heilige woorden aanbiedt. Brahmanen die naar de vrucht van hun offers verlangen, vereren u altijd wanneer ze offeren. De Veda's en hun hulpwetenschappen bezingen uw onvergelijkbare kracht, en daarom bestuderen de brahmanen die offers willen brengen, de Veda's met de grootste zorg.'
Kadru's lofzang bereikte Indra, die op het beste van alle paarden rijdt, en hij bedekte het hele hemelgewelf met blauwe wolken. 'Laat jullie levengevende druppels vallen,' zei hij tegen de wolken, 'jullie weldadige regen.' Ze lichtten op van de bliksem, dreunden onophoudelijk tegen elkaar en goten overvloedig water uit. Het leek het einde van een tijdperk. De stortbuien vielen in ontelbare golven, de wolken bulderden, de bliksem flitste, de wind raasde en de hele hemel danste in waanzin. Het werd donker, en door de aanhoudende regen verdween het licht van de zon en de maan volledig.
Indra's regen doorweekte de naga's, en ze waren opgetogen. Het land liep overal onder; het koele, heldere water drong door tot in de werelden onder de aarde, en over de hele aarde rolden golven. De vogel met de prachtige veren droeg de slangen verder, en met hun moeder bereikten ze veilig het eiland dat Ramaniyaka heet.
Brahma, de schepper, had dat eiland aangewezen als woonplaats van de makara's. Daar zagen de slangen de verschrikkelijke zoute zee, en een woud dat door die zee werd bespoeld en weerklonk van het gezang van vogels. Overal stonden bomen vol vruchten en bloemen; er waren statige huizen, vijvers vol lotussen en meren met helder water, en een zuivere, geurige wind woei erdoorheen. Sommige bomen groeiden anders alleen op de heuvels van Malaya en waren zo hoog dat ze tot in de hemel leken te reiken; van andere strooide de wind de bloemen in het rond. De gandharva's, de hemelse muzikanten, hielden van die plek. Bijen zoemden er, dronken van de honing. Het was een lieflijk en heilig woud, en de zonen van Kadru genoten van al die vogelstemmen.
Na een tijd gaven de slangen Garuda een bevel. 'Breng ons naar nog zo'n eiland, met zuiver water,' zeiden ze. 'Jij vliegt door de lucht, jij hebt vast veel mooie streken gezien.'
Garuda dacht even na. Toen vroeg hij zijn moeder: 'Moeder, waarom moet ik doen wat de slangen zeggen?'
'Door mijn ongeluk,' zei Vinata, 'ben ik slavin geworden van Kadru, de andere vrouw van je vader. De slangen hebben me met bedrog de weddenschap laten verliezen. Zij hebben me zover gebracht.'
Bedroefd wendde Garuda zich tot de slangen. 'Wat moeten we jullie brengen,' vroeg hij, 'wat moeten we te weten komen of welke heldendaad moeten we verrichten om van deze slavernij bij jullie vrij te komen?'
'Haal de amrita met geweld,' zeiden de slangen. 'Dan ben je vrij, vogel.'
De olifant en de schildpad
'Ik ga de amrita halen,' zei Garuda tegen zijn moeder. 'Maar onderweg wil ik iets eten. Zeg me waar ik dat kan vinden.'
'Ver weg, midden in de oceaan, ligt het mooie land van de nishada's, een volk van vissers,' zei Vinata. 'Eet de duizenden nishada's die daar wonen, en haal dan de amrita. Maar zet nooit je zinnen op het leven van een brahmaan. Van alle schepselen mag je juist een brahmaan niet doden. Hij is als vuur. Een brahmaan in woede wordt als vuur of als de zon, als gif of als een scherp wapen. Men zegt dat de brahmaan de meester is van alle schepselen. Om die en nog andere redenen vereren rechtschapen mensen hem. Kind, je mag hem nooit doden, ook niet in woede. Vijandschap met brahmanen past je in geen geval. Agni noch Surya kan zoveel verbranden als een woedende brahmaan met strenge geloften. Aan al die tekenen herken je een goede brahmaan. Want de brahmaan werd als eerste van alle schepselen geboren; hij is de voornaamste van de vier standen, de vader en de meester van allen.'
'Moeder,' vroeg Garuda, 'hoe ziet een brahmaan eruit, hoe gedraagt hij zich en waartoe is hij in staat? Straalt hij als vuur, of ziet hij er rustig uit? Vertel me aan welke tekenen ik een brahmaan kan herkennen.'
'Kind,' zei Vinata, 'als er iemand in je keel komt die je pijnigt als een vishaak of brandt als een gloeiende kool, dan is dat een brahmaan van de beste soort. Een brahmaan mag je nooit doden, ook niet in woede.' En uit liefde voor haar zoon voegde ze eraan toe: 'Een goede brahmaan herken je hieraan: je maag kan hem niet verteren.'
Ze kende de onvergelijkbare kracht van haar zoon. Toch wenste ze hem met heel haar hart alle heil, want het bedrog van de slangen woog zwaar op haar. 'Laat Vayu, de god van de wind, je vleugels beschermen,' zei ze, 'en Surya en Soma je rug; laat Agni je hoofd beschermen, en de Vasu's, een schare van acht goden, je hele lichaam. Ik blijf hier en verricht de riten voor je welzijn. Ga, mijn kind, en volbreng veilig wat je van plan bent.'
Garuda spreidde zijn vleugels en steeg op. Hongerig viel hij op de nishada's aan, als een tweede Yama. Hij joeg een stofwolk op die het hele hemelgewelf bedekte, zoog water op uit het midden van de oceaan en deed de bomen op de nabije bergen wankelen. Met zijn bek versperde hij de hoofdstraten van hun stad, en hij sperde hem zo wijd open als hij wilde. De nishada's vluchtten halsoverkop, recht op die opening af. Zoals vogels bij duizenden de lucht in vliegen als de wind de bomen van een woud doet schudden, zo stormden de nishada's, verblind door het stof, de wijde spleet binnen die Garuda voor hen openhield. Toen sloot de hongerige koning van de vogels zijn bek en doodde er ontelbaar veel.
Er was ook een brahmaan met zijn vrouw in de keel van de vogel beland. De brahmaan begon er te branden als een gloeiende kool.
'Kom snel uit mijn bek, brahmaan,' zei Garuda. 'Ik doe hem voor u open. Een brahmaan mag ik nooit doden, ook niet als hij altijd kwaad doet.'
'Laat deze vrouw ook met me meekomen,' zei de brahmaan. 'Ze is een nishada, en ze is mijn vrouw.'
'Neem de nishada-vrouw mee en kom eruit,' zei Garuda. 'Red uzelf zonder te treuzelen, nu de hitte van mijn maag u nog niet heeft verteerd.'
De brahmaan kwam met zijn nishada-vrouw naar buiten, prees Garuda en ging waar hij heen wilde. Snel als een gedachte spreidde de koning van de vogels zijn vleugels en steeg op. Hij zag zijn vader Kashyapa; die groette hem, en Garuda groette terug zoals het hoort.
'Kind, gaat het goed met je?' vroeg Kashyapa. 'Krijg je elke dag genoeg te eten? Is er in de wereld van de mensen voedsel genoeg voor je?'
'Met mijn moeder gaat het altijd goed,' zei Garuda, 'en met mijn broer ook, en met mij. Maar vader, ik krijg niet altijd genoeg te eten, en daarom heb ik geen rust. De slangen sturen me eropuit om de amrita te halen, en vandaag nog haal ik haar, om mijn moeder uit haar slavernij te bevrijden. Mijn moeder zei tegen me: "Eet de nishada's." Ik heb er duizenden gegeten, maar mijn honger is niet gestild. Wilt u me daarom ander voedsel wijzen, zodat ik sterk genoeg word om de amrita met geweld te bemachtigen? Wijs me iets waarmee ik mijn honger en mijn dorst kan stillen.'
'Dit meer dat je ziet, is heilig,' zei Kashyapa. 'Zelfs in de hemel van de goden heeft men ervan gehoord. Er leeft een olifant die, met zijn kop omlaag, steeds een schildpad meesleept: zijn oudere broer. Ik zal je uitvoerig vertellen over hun vijandschap in een vorig leven. Luister, dan hoor je waarom ze hier zijn.
Vroeger leefde er een grote rishi die Vibhavasu heette. Hij was buitengewoon driftig. Hij had een jongere broer, Supritika, die zijn bezit niet langer samen met zijn broer wilde beheren. Telkens weer begon Supritika over een verdeling. Na een tijd zei Vibhavasu tegen hem: "Wie door liefde voor rijkdom verblind is, wil altijd uit grote dwaasheid het vaderlijk erfdeel verdelen. Na de verdeling vechten de broers met elkaar, misleid door hun rijkdom. En als dwaze, zelfzuchtige mensen eenmaal elk hun eigen bezit hebben, komen er vijanden die zich als vrienden voordoen. Die drijven hen uit elkaar en wijzen hen op elkaars fouten, tot hun ruzie niet meer overgaat en ze al gauw een voor een ten val komen. Wie gescheiden is, gaat snel en volledig te gronde. Daarom prijzen de wijzen een verdeling onder broers nooit, want verdeelde broers letten niet meer op de gezaghebbende leerboeken en leven altijd in angst voor elkaar. Maar jij, Supritika, luistert niet naar mijn raad en wilt, gedreven door je verlangen naar scheiding, altijd een regeling voor je bezit. Daarom zul je een olifant worden." Supritika vervloekte hem op zijn beurt: "En jij zult een schildpad worden, die midden in het water leeft."
Om hun rijkdom zijn die twee dwazen door elkaars vloek een olifant en een schildpad geworden: Supritika de olifant, Vibhavasu de schildpad. Door hun woede zijn ze allebei in een lagere geboorte beland, als dieren. Nog altijd vechten ze met elkaar, trots op hun ongehoorde kracht en het gewicht van hun lijf, en in dit meer zetten die twee kolossen hun oude vijandschap voort. Kijk, daar komt er al een aan: de olifant, mooi en reusachtig. De schildpad, ook een reus, leeft in het water; zodra hij het gebrul hoort, komt hij naar boven en woelt het meer hevig om. De olifant ziet hem, krult zijn slurf en stormt het water in. Met zijn slagtanden, het uiteinde van zijn slurf, zijn staart en zijn poten zet hij het water vol vissen in beroering. En met opgeheven kop komt de sterke schildpad op hem af om te vechten. De olifant is zes yojana's hoog en twaalf in omtrek, de schildpad drie yojana's hoog en tien in omtrek. Eet ze allebei op, nu ze in blinde razernij met elkaar vechten en elkaar willen doden, en volbreng dan je taak. Eet die woeste olifant, groot als een berg en donker als een wolkenmassa, en haal dan de amrita.'
Toen sprak Kashyapa heilwensen uit over zijn zoon. 'Mijn wensen gaan met je wanneer je met de goden vecht. Laten tot de rand gevulde waterkruiken, brahmanen, koeien en al het andere dat heil brengt, je beschermen, jij die uit een ei bent geboren. En wanneer je met de goden vecht, sterke zoon, laten dan de verzen van de Rigveda, de offerformules van de Yajurveda en de gezangen van de Samaveda, de heilige offerboter en alle geheime leringen, de upanishads, je kracht zijn.'
Garuda ging naar het meer en zag het heldere water, met allerlei vogels eromheen. Met de woorden van zijn vader in gedachten greep hij de olifant en de schildpad, in elke klauw één, en steeg hoog de lucht in. Hij kwam bij een heilige plaats, Alamva, en zag daar veel goddelijke bomen, bomen die elke wens vervullen. De wind van zijn vleugels trof ze en ze beefden, bang dat hun gouden takken zouden breken. Garuda zag hoe ze beefden en vloog door naar andere bomen, van een onvergelijkbare schoonheid: ze droegen vruchten van goud en zilver en takken van edelstenen, en het water van de zee bespoelde hun voet. Onder hen stond een banyanboom van ontzaglijke omvang. Toen de koning van de vogels op hem af kwam, zei de boom: 'Ga op deze grote tak van mij zitten, die honderd yojana's lang is, en eet de olifant en de schildpad.'
Op een tak van die banyan, waar duizenden vogels een schuilplaats hadden, streek Garuda neer. Bij de eerste aanraking van zijn poten schudde de tak met al zijn bladeren en brak af. Garuda ving hem op. Verbaasd keek hij om zich heen en zag toen Valakhilya's aan de tak hangen, rishi's zo klein als een duim, met hun hoofd naar beneden, verzonken in hun ascese. Als die tak viel, dacht hij, zouden de rishi's omkomen. Hij klemde de olifant en de schildpad nog vaster in zijn klauwen, nam de tak in zijn snavel, uit angst hen te doden en uit verlangen hen te redden, en steeg op. De grote rishi's stonden versteld van die daad, waartoe zelfs de goden niet in staat waren, en ze gaven hem een naam. 'Omdat hij opstijgt met een zware last,' zeiden ze, 'zal deze vogel, die slangen als voedsel heeft, Garuda heten: de drager van zware lasten.'
Met zijn vleugels deed Garuda de bergen schudden, en rustig vloog hij door de lucht, de olifant en de schildpad in zijn klauwen. Onder zich zag hij de ene streek na de andere, maar omdat hij de Valakhilya's wilde redden, vond hij nergens een plek om te gaan zitten. Ten slotte kwam hij bij de berg Gandhamadana, en daar zag hij zijn vader Kashyapa, verzonken in ascese.
Kashyapa zag zijn zoon naderen: een goddelijke gestalte, stralend, sterk, snel als de wind of als een gedachte, groot als een bergtop, meteen raak als de vloek van een brahmaan, niet te bevatten en niet te beschrijven, een schrik voor alle schepselen, met de glans van Agni zelf. Goden, danava's en rakshasa's konden hem niet overwinnen; hij kon bergtoppen splijten, de oceaan leegdrinken en de drie werelden vernietigen, en hij zag eruit als Yama zelf. Kashyapa wist waarom hij kwam.
'Kind,' zei hij, 'doe niets overhaasts, want dan zul je pijn lijden. De Valakhilya's leven van zonnestralen, die ze drinken. Als ze kwaad worden, kunnen ze je verbranden.'
Toen probeerde Kashyapa voor zijn zoon de Valakhilya's gunstig te stemmen. Ze waren hooggezegend, en hun ascese had hun kwade daden uitgewist. 'Wat Garuda onderneemt,' zei hij, 'is voor het welzijn van alle schepselen. Hij probeert een grote taak te volbrengen. Geef hem uw toestemming, u die rijk bent aan ascese.'
De asceten lieten de tak los en gingen naar de heilige Himalaya om daar hun ascese voort te zetten. Toen ze weg waren, vroeg Garuda zijn vader met gesmoorde stem, want hij had de tak nog in zijn snavel: 'Vader, waar moet ik deze tak neergooien? Wijs me een streek zonder mensen.'
Kashyapa wees hem een berg zonder mensen, met grotten en dalen die altijd onder de sneeuw liggen, een plek waar gewone schepselen zelfs in gedachten niet kunnen komen. Met de tak, de olifant en de schildpad vloog Garuda erheen. De tak was zo dik dat je er zelfs met een touw van honderd koeienhuiden niet omheen kon. In een ogenblik legde Garuda honderdduizenden yojana's af, en op aanwijzing van zijn vader liet hij de reusachtige tak met een dreun op die berg neerkomen. De vorst van de bergen beefde onder de storm van Garuda's vleugels, de bomen lieten bloemen regenen en de toppen, versierd met edelstenen en goud, raakten los en stortten aan alle kanten naar beneden. De vallende tak sloeg veel bomen neer, die met hun gouden bloemen tussen het donkere loof glansden als onweerswolken vol bliksem. Ze vielen op de grond, gekleurd door de ertsen van de berg, en blonken als in zonlicht gedompeld.
Op de top van de berg at Garuda de olifant en de schildpad op. Toen schoot hij weer omhoog.
Bij de goden verschenen allerlei onheilspellende tekenen. De bliksem van Indra, zijn geliefde wapen, laaide op van schrik. Midden op de dag schoten er vlammende, rokende meteoren uit de hemel. De wapens van alle scharen van goden, de Vasu's, de Rudra's, de Aditya's, de Sadhya's, de Maruts en de anderen, keerden zich tegen elkaar, iets wat zelfs in de oorlog tussen de goden en de asura's nooit was gebeurd. De winden bliezen onder donderslagen en duizenden meteoren vielen. De onbewolkte hemel bulderde. Zelfs de hoogste onder de goden liet bloed regenen. De bloemenkransen om de hals van de goden verwelkten en hun kracht nam af. Vreselijke wolkenmassa's lieten dichte bloedregens vallen, en het stof dat de winden opjoegen, maakte de kronen van de goden dof.
Die duistere voortekenen brachten Indra en de andere goden in angst en verwarring. Hij vroeg Brihaspati, de leraar van de goden: 'Gezegende, waar komen deze verschijnselen ineens vandaan? Ik zie geen vijand die ons in een oorlog zou kunnen bedreigen.'
'Koning van de goden, u van de honderd offers,' antwoordde Brihaspati, 'door uw eigen misstap en uw achteloosheid, en door de ascese van de grootmoedige Valakhilya's, komt er een vogel aan, de zoon van Kashyapa en Vinata, die elke gedaante kan aannemen die hij kiest. Hij komt de soma weghalen, de amrita. Hij is sterker dan wie ook, en hij kan haar van u roven. Voor hem is alles mogelijk; wat niemand kan, kan hij.'
Indra zei tegen de wachters van de amrita: 'Een vogel van ongekende kracht heeft zijn zinnen op de amrita gezet. Ik waarschuw jullie van tevoren, zodat hij haar niet met geweld kan weghalen. Volgens Brihaspati is hij onmetelijk sterk.'
De goden hoorden het verbaasd aan en bereidden zich voor. Ze stelden zich rondom de amrita op, en bij hen stond Indra, met de bliksem als wapen. Hun borstplaten waren van goud, kostbaar en met edelstenen bezet, hun harnassen van glanzend, taai leer. In hun handen hielden ze ontelbare scherpe wapens van vreselijke vorm, waar vonken en rook van afsloegen: werpschijven, knotsen met ijzeren punten, drietanden, strijdbijlen, allerlei puntige werpwapens, blinkende zwaarden en angstaanjagende strijdknotsen, elk wapen op maat van wie het droeg. In hemelse sieraden, stralend van hun wapens, stonden de goden daar, en hun angst was bedaard. Ze waren vastbesloten de amrita te beschermen. Burchten van de asura's konden ze splijten, en ze vertoonden zich in vurige gedaanten. Door al die goden en hun honderdduizenden ijzeren knotsen blonk de plek waar ze wachtten als een tweede hemelgewelf in het licht van de zon.
De duimgrote rishi's
'Zoon van de suta,' zei Shaunaka, 'wat was Indra's misstap, en waarin was hij achteloos geweest? Hoe kon Garuda geboren worden door de ascese van de Valakhilya's? Waarom kreeg Kashyapa, een brahmaan, de koning van de vogels als zoon? Waarom kon geen schepsel hem overwinnen of doden? En waarom kon hij overal heen gaan waar hij wilde en zoveel kracht oproepen als hij nodig had? Als dat in de purana staat, wil ik het graag horen.'
'Wat u vraagt, is een onderwerp van de purana, de oude overlevering,' zei Sauti. 'Luister, dan vertel ik het u in het kort.'
En Sauti vertelde.
Eens hield Kashyapa, de prajapati, een offer omdat hij nakomelingen wilde, en alle rishi's, goden en gandharva's hielpen hem daarbij. Kashyapa droeg Indra en de andere goden op het offerhout te halen, en ook de Valakhilya's droegen mee. Indra was sterk: hij tilde een last op zo groot als een berg en droeg die zonder moeite.
Onderweg zag hij een paar van die Valakhilya's, die samen één enkele steel van een blad van de palasaboom droegen. Ze aten zo weinig dat ze uitgemergeld waren, bijna in hun eigen lichaam verdwenen, en ze waren zo zwak dat ze niet meer vooruitkwamen toen ze wegzakten in het water dat in de afdruk van een koeienhoef op de weg was blijven staan. Indra keek naar hen en lachte hen uit; hij was trots op zijn kracht. Hij liep hen voorbij, en om hen nog meer te krenken stapte hij over hun hoofden heen.
Diep gekrenkt en woedend begonnen de rishi's aan een groot offer. Met luid uitgesproken mantra's, de heilige formules van het offer, goten ze geklaarde boter in het vuur, en dit was wat ze wilden: 'Er zal een andere Indra komen, een nieuwe koning voor alle goden, die overal heen kan gaan waar hij wil, die zoveel kracht kan oproepen als hij wil, en die de koning van de goden van nu angst aanjaagt. Laat door de vrucht van onze ascese iemand opstaan die zo snel is als een gedachte, en woest.'
Het nieuws bereikte Indra, hij van de honderd offers. Hij schrok hevig en zocht bescherming bij Kashyapa. Kashyapa hoorde hem aan, ging naar de Valakhilya's en vroeg of hun offer geslaagd was.
'Het zal zijn zoals u zegt,' antwoordden de rishi's, want ze spraken altijd de waarheid.
Kashyapa probeerde hen te verzoenen. 'Op het woord van Brahma is Indra de heer van de drie werelden geworden,' zei hij. 'En u, asceten, probeert een tweede Indra voort te brengen. U mag het woord van Brahma niet tot een leugen maken. Maar ook uw doel mag niet vergeefs zijn. Laat er dan een Indra komen van de gevleugelde wezens, een heer van de vogels, met een kracht die alles overtreft. En wees Indra genegen, nu hij als smekeling voor u staat.'
De Valakhilya's bewezen Kashyapa hun eerbied. 'Stamvader,' zeiden ze, 'dit offer van ons allen was bedoeld voor een Indra, maar ook om u een zoon te schenken. We laten deze zaak nu aan u over. Doe wat u juist vindt.'
Intussen kwam Vinata, de dochter van Daksha, naar haar man, omdat ze een kind wilde. Ze had haar ascese volbracht en zich gebaad, want haar vruchtbare tijd was gekomen.
'Vinata,' zei Kashyapa tegen haar, 'het offer dat ik begon, heeft vrucht gedragen. Wat jij wenst, zal gebeuren. Je krijgt twee heldhaftige zonen, die de heren van de drie werelden zullen zijn. Door de ascese van de Valakhilya's en door de wens waarmee ik mijn offer begon, wacht die zonen een hoge bestemming, en in de drie werelden zal men hen vereren.' En hij zei nog: 'Draag met grote zorg deze kiemen, die heil brengen. Die twee zullen de heren zijn van alle gevleugelde wezens. Overal zal men deze helden van de lucht eren, en ze zullen elke gedaante kunnen aannemen die ze willen.'
Toen zei Kashyapa tegen Indra, die ook zijn zoon was: 'Je krijgt twee sterke broers, en ze zullen je helpers zijn. Van hen zul je geen kwaad ondervinden. Laat je zorgen varen; jij blijft over allen heersen. Maar kleineer nooit meer hen die de Veda uitspreken, de brahmanen. En beledig nooit meer die driftigen: hun woorden zijn als de bliksem.'
Zonder angst ging Indra terug naar de hemel van de goden. Vinata bracht twee zonen ter wereld, Aruna en Garuda. Aruna, met zijn onvolgroeide lichaam, werd de wagenmenner die vóór Surya rijdt, en Garuda kreeg de heerschappij over de vogels.
'Luister nu, nazaat van Bhrigu,' zei Sauti, 'naar de heldendaad van Garuda.'
De roof van de amrita
En Sauti vertelde.
De goden stonden gewapend rond de amrita, en Garuda, de koning van de vogels, kwam al op hen af. Toen ze zagen hoe sterk hij was, begonnen ze te beven en sloegen ze met al hun wapens op elkaar in. Onder de wachters van de amrita was ook de bouwmeester van de goden, onmetelijk sterk en stralend als de bliksem. Na een kort gevecht tegen Garuda's klauwen, snavel en vleugels lag hij voor dood op het veld. De storm van Garuda's vleugels joeg zoveel stof op dat de werelden donker werden. Het stof bedolf de goden, en ze raakten buiten bewustzijn; de onsterfelijke wachters van de amrita waren verblind en konden Garuda niet meer zien.
Indra, de god met de duizend ogen, gaf Vayu een bevel. 'Verdrijf die stofregen, en snel. Dat is jouw taak, god van de wind.' Vayu joeg het stof weg, en toen het weer licht was, vielen de goden Garuda aan. Onder hun aanval brulde hij luid, als de grote wolk die aan het einde van een tijdperk aan de hemel verschijnt en alle schepselen angst aanjaagt, en hij steeg op. Indra en de andere goden zagen hem boven zich, en ze hadden tweesnijdende zwaarden, ijzeren knotsen met scherpe pinnen, spiesen, strijdknotsen, blinkende pijlen en vlammende werpschijven. Van alle kanten bestookte hij hen, en hij vocht zonder een ogenblik te wijken. De zoon van Vinata straalde in de lucht. Hij sloeg de goden met zijn vleugels en zijn borst, zijn klauwen en zijn snavel reten hun lichamen open, en het bloed stroomde eruit. De scharen van goden werden verslagen en vluchtten: de Sadhya's met de gandharva's naar het oosten, de Vasu's met de Rudra's naar het zuiden, de Aditya's naar het westen en de tweelinggoden, de Ashvins, naar het noorden. Ze trokken zich vechtend terug en keken telkens om naar hun vijand.
Daarna vocht Garuda met de yaksha's, halfgoddelijke wezens: Ashvakranda, Rainuka, Krathanaka, Tapana, Uluka, Shvasanaka, Nimesha, Praruja en Pulina. Hij reet hen uiteen, zoals Shiva, die de boog Pinaka draagt, in zijn woede tekeergaat aan het einde van een tijdperk. Zo verscheurd leken die sterke yaksha's op zwarte wolken die dichte bloedregens laten vallen.
Garuda doodde hen allemaal en ging naar de plaats van de amrita. Die was aan alle kanten door vuur omringd. De vlammen bedekten de hele lucht, en de wind joeg ze zo hoog op dat het leek alsof ze de zon zelf wilden verbranden. Garuda nam negentig maal negentig monden aan, dronk daarmee het water van vele rivieren, kwam in volle vaart terug en doofde het vuur. Daarna maakte hij zich klein, om binnen te komen waar de amrita was.
Met zijn gouden, stralende lichaam drong de vogel naar binnen, zoals een wildwaterstroom de oceaan in stort. Bij de amrita zag hij een stalen wiel met randen zo scherp als een scheermes, dat onophoudelijk ronddraaide. De goden hadden dat vlammende werktuig bedacht om elke dief van de amrita in stukken te snijden. Garuda zag een opening, bleef een ogenblik staan, maakte zich nog kleiner en glipte in een flits tussen de spaken door. Achter het wiel lagen twee grote slangen de amrita te bewaken, fel als laaiend vuur. Hun tongen flitsten als de bliksem, hun bek spuwde vuur, ze zaten vol gif en waren altijd driftig en altijd op hun hoede. Hun ogen brandden van woede en knipperden nooit; wie door een van hen werd aangekeken, verging meteen tot as. Garuda gooide hun plotseling stof in de ogen, en voordat ze hem konden zien, viel hij hen van alle kanten aan en reet hun lichamen aan stukken.
Meteen ging hij naar de amrita. Hij nam haar op van de plaats waar ze bewaard werd, sloeg het werktuig dat haar omringde kapot en steeg pijlsnel op. Hij kwam naar buiten met de amrita, zonder er zelf van te drinken, en vloog verder zonder moe te worden; hij verduisterde het licht van de zon.
Onderweg, in de lucht, ontmoette hij Vishnu, de god die de wereld in stand houdt. Vishnu was ingenomen met Garuda's zelfbeheersing: hij had de amrita, en hij dronk niet. 'Ik wil je een gunst geven,' zei Vishnu.
'Ik wil boven u staan,' zei Garuda. 'En ik wil onsterfelijk zijn en vrij van ziekte, zonder dat ik van de amrita drink.'
'Het zal zo zijn,' zei Vishnu.
Garuda ontving die twee gunsten en zei: 'Ook ik wil u een gunst geven. Vraag mij iets, Gezegende, u die de zes goddelijke eigenschappen bezit.'
Vishnu vroeg Garuda zijn rijdier te worden, en hij liet hem op de vaandelstok van zijn wagen zitten. 'Zo sta je boven mij,' zei hij.
'Goed,' zei Garuda, en hij vloog verder, sneller dan de wind.
Terwijl Garuda met de geroofde amrita door de lucht vloog, slingerde Indra zijn wapen naar hem, de bliksem. De bliksem trof hem. Garuda lachte, en midden in het gevecht zei hij zacht tegen Indra: 'Ik zal de rishi eren uit wiens bot de bliksem is gemaakt, en de bliksem zelf, en u, Indra van de honderd offers. Ik laat deze ene veer van mij vallen, waarvan u het einde nooit zult bereiken. Uw bliksem heeft me geen enkele pijn gedaan.' Hij liet een veer vallen.
Alle schepselen zagen die prachtige veer vallen. 'Laat deze vogel Suparna heten,' riepen ze, 'de vogel met de prachtige veren.' Indra, de god met de duizend ogen, zag dat wonder en begreep dat deze vogel een groot wezen moest zijn. 'Garuda,' zei hij, 'ik wil weten waar de grens van je kracht ligt. En ik wil voor altijd je vriend zijn.'
'Laat er vriendschap zijn tussen u en mij, zoals u wilt,' zei Garuda. 'Mijn kracht is moeilijk te dragen. Wie goed is, prijst zijn eigen kracht niet en spreekt niet over zijn eigen verdiensten, en zelfverheerlijking zonder reden past nooit. Maar nu ik je vriend ben en je het me vraagt, vriend, zal ik je antwoorden. Op één veer van mij, Indra, kan ik deze aarde dragen, met haar bergen en wouden en met het water van de oceaan, en jou erbij. Begrijp goed: mijn kracht is zo groot dat ik alle werelden samen kan dragen, met alles wat beweegt en wat stilstaat, zonder moe te worden.'
'Het is zoals je zegt,' zei Indra, die altijd het welzijn van de werelden zocht. 'Voor jou is alles mogelijk. Aanvaard nu mijn oprechte vriendschap. En als je de amrita zelf niet nodig hebt, geef haar dan aan mij terug. Wie haar van jou krijgt, zal zich altijd tegen ons keren.'
'Er is een reden waarom ik de amrita meeneem,' zei Garuda. 'Ik geef haar aan niemand te drinken. Maar zodra ik haar heb neergezet, kun jij, koning van de goden, haar oppakken en meteen meenemen.'
'Dat hoor ik graag,' zei Indra. 'Vraag me de gunst die je wilt.'
Garuda dacht aan de zonen van Kadru, en aan het bedrog waardoor zijn moeder slavin was geworden; daarmee was Aruna's vloek uitgekomen. 'Hoewel ik macht heb over alle schepselen,' zei hij, 'doe ik wat je vraagt. Laat de machtige slangen, Indra, mijn voedsel worden.'
'Goed,' zei Indra, en hij ging naar Vishnu, de meester van de yoga. Vishnu stemde in met alles wat Garuda had gezegd. Indra zei nog eens tegen Garuda dat hij de amrita zou weghalen zodra ze was neergezet, en nam afscheid van hem. De vogel met de prachtige veren vloog snel naar zijn moeder.
Garuda zei tegen alle slangen: 'Hier is de amrita. Ik zet haar op dit kusagras. Ga zitten, slangen, en drink ervan, als jullie je wassingen en je riten hebben gedaan. Zoals jullie hebben gezegd: vanaf vandaag is mijn moeder vrij, want ik heb gedaan wat jullie vroegen.'
'Goed,' zeiden de slangen, en ze gingen hun wassingen doen. Intussen pakte Indra de amrita op en ging terug naar de hemel van de goden. Toen de slangen zich hadden gewassen, keer op keer hun mantra's hadden opgezegd en hun andere heilige riten hadden verricht, kwamen ze terug om van de amrita te drinken. Maar het bed van kusagras waarop ze had gestaan, was leeg: met een list tegen de list was de amrita weggenomen. Ze likten aan het kusagras, omdat de amrita erop had gestaan, en daardoor werden hun tongen in tweeën gespleten. En het kusagras, het gras van de offers, werd door de aanraking met de amrita voortaan heilig en reinigend.
De vogel met de prachtige veren bleef met zijn moeder in de wouden. Alle vogels hadden diep ontzag voor hem en zijn grote daden, en door de slangen te eten gaf hij zijn moeder voldoening.
'Wie dit verhaal hoort, of het voordraagt aan een kring van goede brahmanen,' zei Sauti, 'wordt opgenomen in de hemel van de goden, want het vertellen van Garuda's daden brengt grote verdienste.'
Shesha draagt de aarde
'Zoon van de suta,' zei Shaunaka, 'je hebt ons verteld waarom de slangen door hun moeder werden vervloekt, en waarom Vinata door haar zoon werd vervloekt. Je hebt ons verteld over de gunsten die hun man aan Kadru en Vinata gaf, en je hebt ons de namen van Vinata's zonen genoemd. Maar de namen van de slangen heb je ons nog niet gegeven. We willen graag de namen van de voornaamsten horen.'
'Ik noem ze niet allemaal, anders wordt het te lang,' zei Sauti. 'Maar de voornaamsten zal ik u noemen. Shesha werd als eerste geboren, daarna Vasuki, en daarna de naga Airavata, Takshaka, Karkotaka, Kaliyaka, Padma en Mahapadma, en nog tientallen anderen. Hun zonen en kleinzonen zijn niet te tellen: er zijn in deze wereld duizenden en miljoenen slangen.'
'Kind,' zei Shaunaka, 'je hebt ons de sterkste slangen genoemd. Wat deden ze toen ze van die vloek hoorden?'
En Sauti vertelde.
Shesha verliet zijn moeder en begon aan een zware ascese. Hij leefde van lucht en hield zich streng aan zijn geloften. Hij trok naar Gandhamadana, naar Badari, naar Gokarna, naar de wouden van Pushkara en naar de voet van de Himalaya. Op die plaatsen, waarvan sommige heilig zijn om hun water en andere om hun grond, bracht hij zijn dagen door; hij had maar één doel voor ogen en bedwong zijn zinnen.
Brahma, de Grootvader van allen, zag die asceet: zijn haar samengekoekt tot strengen, zoals asceten het dragen, zijn kleren tot vodden, zijn vlees, huid en pezen uitgedroogd door de ascese. 'Wat doe je, Shesha?' vroeg hij. 'Denk ook aan het welzijn van de wezens in de werelden. Met je zware ascese breng je alle schepselen in nood. Zeg me welk verlangen er in je hart leeft.'
'Mijn broers, de zonen van dezelfde moeder, zijn allemaal slecht van hart,' zei Shesha. 'Ik wil niet tussen hen leven; sta me dat toe. Als vijanden zijn ze altijd jaloers op elkaar. Ik doe deze ascese om ze niet eens meer te hoeven zien. Ze tonen nooit enige vriendelijkheid tegenover Vinata en haar zoon. Want die zoon van Vinata, die door de lucht vliegt, is ook onze broer, en ze zijn altijd afgunstig op hem. En hij is veel sterker dan zij, door de gunst die onze vader Kashyapa gaf. Daarom leef ik zo, en ik zal dit lichaam afleggen, zodat ik zelfs in een ander leven niet bij hen hoef te zijn.'
'Shesha,' zei de Grootvader, 'ik weet hoe al je broers zich gedragen, en ik ken het grote gevaar waarin ze verkeren door hun misstap tegenover hun moeder. Maar ik heb daar al van tevoren een middel tegen bedacht. Je hoeft niet om je broers te treuren. Vraag me de gunst die je wilt, Shesha: ik ben tevreden over je, en vandaag krijg je die van mij. Het is een geluk dat je hart op de dharma is gericht. Laat het er steeds vaster op gericht zijn.'
'Goddelijke Grootvader,' zei Shesha, 'dit is de gunst die ik wil: dat mijn hart zich altijd verheugt in de dharma en in de heilzame ascese, u die over allen heerst.'
'Shesha, ik ben blij met je zelfbeheersing en je innerlijke rust,' zei Brahma. 'Maar doe op mijn bevel iets voor het welzijn van mijn schepselen. Deze aarde wankelt, met haar bergen en wouden, haar zeeën, haar steden en haar hermitages. Draag haar zorgvuldig, Shesha, zodat ze vast komt te staan.'
'Grootvader, u die over de schepselen heerst,' zei Shesha, 'u die gunsten geeft, u die heerst over de aarde, over al wat geschapen is en over alles wat bestaat: ik zal de aarde vasthouden, zoals u zegt. Leg haar dan op mijn hoofd, Grootvader.'
'Ga onder de aarde,' zei Brahma. 'Ze zal zelf een spleet voor je openen. En als je haar draagt, Shesha, doe je iets wat ik bijzonder hoog acht.'
Toen ging Shesha, de oudere broer van Vasuki, de koning van de naga's, een opening in, kroop door de aarde heen tot eronder en droeg haar op zijn hoofd, de godin met haar gordel van zeeën rondom.
'Shesha,' zei Brahma, 'jij bent Dharma zelf, de god van de dharma. Want jij alleen draagt met je reusachtige lichaam de aarde en alles wat erop is, zoals alleen ik dat kan, of Indra.'
Sindsdien woont Shesha, die ook Ananta heet, de Eindeloze, onder de aarde, en draagt hij de wereld, zoals Brahma hem heeft opgedragen. En de Grootvader gaf hem Garuda, de zoon van Vinata, als helper.