Boek 2 · bijlage
Namenlijsten
Over deze lijsten
Het epos somt graag op. Wie er naar een bruidskeuze komt, wie er meefeest op een berg, welke goden er ten strijde trekken en langs welke rivieren een held zijn weg zoekt: Vaishampayana noemt ze allemaal bij naam, en voor de oude luisteraars hoorden die reeksen bij het genoegen. In het verhaal van dit boek staan alleen de namen die later terugkomen of die de lezer nodig heeft. Hier volgen de lijsten volledig, in de volgorde van het verhaal.
De lijsten berusten, net als het verhaal, op de Engelse vertaling van Kisari Mohan Ganguli (1883–1896). Bij elke lijst staat bij welk hoofdstuk en welk stuk van het verhaal ze hoort.
De namen staan in dezelfde leesbare spelling als de rest van het boek. Wie ze uit Engelse boeken kent, ziet ze daar soms anders gespeld, met een s waar het Sanskriet een sh-klank heeft en een v waar een b hoort: Sisupala voor Shishupala, Vabhru voor Babhru.
Veel namen in deze lijsten zijn ook de namen van anderen. Waar dat tot verwarring kan leiden, staat het erbij.
Kleinere namen bij de leerjaren van de prinsen
In hoofdstuk 2, bij "De gurudakshina", waar de Pandava's na de gurudakshina voor Drona hun eerste tochten maken en Yudhishthira kroonprins wordt.
Bhima's kracht. Toen Bhima zijn lessen bij Balarama had afgerond, in het vechten met zwaard en knots en vanaf de wagen, was hij even sterk als Dyumatsena. Wie deze Dyumatsena is, zegt het epos hier niet.
Arjuna's pijlen. Arjuna werd beroemd om zijn beheersing van vier soorten pijlen: de kshura, met een punt zo scherp als een scheermes, de naracha, die helemaal van ijzer is, de bhalla, met een brede punt, en de vipatha, een lange pijl.
Sumitra. Koning Sumitra van Sauvira, die Arjuna tot een gevecht uitdaagde en die Arjuna met zijn pijlen tot bedaren bracht, heette ook Dattamitra.
De vrijers van Draupadi
In hoofdstuk 7, bij "De boog en het doel", waar Dhrishtadyumna zijn zuster Draupadi de koningen en prinsen aanwijst die naar haar svayamvara zijn gekomen, de keuze van een echtgenoot.
De zonen van Dhritarashtra. Duryodhana, Durvishaha, Durmukha, Dushpradharshana, Vivimshati, Vikarna, Saha en Duhshasana; Yuyutsu, Vayuvega, Bhimavegarava; Ugrayudha, Balaki, Kanakayu en Virochana; Sukundala, Chitrasena, Suvarchas en Kanakadhvaja; Nandaka, Bahushalin, Tuhunda en Vikata. Met hen kwam Karna, en nog vele andere zonen van Dhritarashtra.
De zonen van de koning van Gandhara. Shakuni, Saubala, Vrishaka en Brihadbala.
Verder. Ashvatthama en Bhoja, twee van de beste wapendragers, met al hun sieraden. Brihanta, Maniman, Dandadhara, Sahadeva, Jayatsena, Meghasandhi, Virata met zijn twee zonen Shankha en Uttara, Vardhakshemi, Susharman, Senabindu, Suketu met zijn twee zonen Sunama en Suvarchas, Suchitra, Sukumara, Vrika, Satyadhriti, Suryadhvaja, Rochamana, Nila, Chitrayudha, Amshuman, Chekitana, de sterke Shreniman, Chandrasena, de zoon van Samudrasena, Jarasandha, Vidanda en Danda, vader en zoon, Paundraka, Vasudeva, Bhagadatta, de koning van Kalinga, de koning van Tamralipta, de heer van Pattana, Shalya, de koning van Madra, met zijn zoon, de dappere Rukmangada, en Rukmaratha, Somadatta uit het geslacht van Kuru met zijn drie zonen Bhuri, Bhurishravas en Shala, Sudakshina, de koning van de Kamboja's, een vorst uit het geslacht van Puru, Brihadbala, Sushena, Shibi, de zoon van Ushinara, en Patacharanihanta, de koning van Karusha.
Uit het geslacht van de Vrishni's. Samkarshana, dat is Balarama, de oudere broer van Krishna; Krishna zelf; Pradyumna, de zoon van Krishna en Rukmini; Shamba, Charudeshna, de zoon van Pradyumna, en Gada; Akrura, Satyaki, Uddhava, Kritavarman, de zoon van Hridika, Prithu, Viprithu, Viduratha, Kanka, Shanku met Gaveshana, Ashavaha, Aniruddha, Samika, Sarimejaya, de dappere Vatapati, Jhilli, Pindaraka en de sterke Ushinara.
En nog meer koningen. Bhagiratha, Brihatkshatra, Jayadratha, de zoon van de koning van Sindhu, Brihadratha, Bahlika, de grote wagenstrijder Shrutayu, Uluka, Kaitava, Chitrangada en Shubhangada, de verstandige koning van Vatsa, de koning van Kosala, Shishupala en de machtige Jarasandha.
"Deze en nog veel meer koningen, kshatriya's die over de hele wereld bekend zijn, zijn voor jou gekomen," zegt Dhrishtadyumna erna.
Jarasandha staat twee keer in de lijst, en ook Brihadbala, Suvarchas en Ushinara worden twee keer genoemd; misschien zijn het telkens twee mannen. De Vasudeva die na Paundraka komt, is niet Krishna, die verderop bij de Vrishni's staat, en ook niet Krishna's vader. Saubala is hier een broer van Shakuni; elders is het een bijnaam van Shakuni zelf, "de zoon van Subala". De zoon van Pradyumna en Aniruddha kunnen dezelfde zijn.
Ook in deze lijst zijn veel naamgenoten. Virochana is een zoon van Dhritarashtra, niet de asura Virochana. Sahadeva is een koning, niet de jongste van de Pandava's. Uttara is een zoon van Virata; Virata heeft ook een dochter die Uttara heet. Satyaka is een ander dan Satyaki. Shibi, de zoon van Ushinara, heeft dezelfde naam en dezelfde vader als de koning Shibi van lang geleden uit het verhaal van Yayati; het epos zegt niet of het om een nazaat gaat. De Vrishni Ushinara is niet die vader. Bhagiratha is niet de koning Bhagiratha van lang geleden, en Brihadratha niet de zoon van Uparichara die koning van Magadha werd. Chitrangada is noch de zoon van Shantanu, noch Chitrangada van Manipura, met wie Arjuna later trouwt. Bhoja is hier een man; elders is het de naam van een volk, verwant aan de Vrishni's.
De bomen van Indraprastha
In hoofdstuk 9, bij "Indraprastha", waar de nieuwe stad van de Pandava's gebouwd is en er rond de stad tuinen worden aangelegd.
Mango's en amrataka's, kadamba's, ashoka's en champaka's; punnaga's, naga's, lakucha's en panasa's; shala's, tala's, tamala's, bakula's en ketaka's met hun geurige bloemen; prachtige amalaka's, met takken die doorbogen onder het gewicht van hun vruchten; lodhra's en bloeiende ankola's; jambu's, patala's, kubjaka's en atimukta's; karavira's en parijata's, en nog veel meer bomen die altijd vol bloemen en vruchten hingen.
De meeste van deze bomen hebben geen Nederlandse naam. De panasa is de nangka, de tala de palmyrapalm, de shala de salboom, en de karavira de oleander. De naga is hier een boom, geen naga van het slangenvolk.
De asceten in de vergadering van Brahma
In hoofdstuk 10, bij "Tilottama", waar de rishi's naar Brahma, de Grootvader, gaan om te klagen over de asura's Sunda en Upasunda.
Bij de Grootvader zaten Shiva, de god van de goden, Agni met Vayu, en Soma, Surya en Indra, en rishi's die zich wijdden aan de meditatie op het brahman. Verder de Vaikhanasa's, een orde van woudkluizenaars; de Valakhilya's, rishi's zo klein als een duim; de Vanaprastha's, die in de derde fase van hun leven hun huis hebben verlaten om in het woud te leven; de Marichipa's, die van de zonnestralen leven; de Aja's en de Avimudha's, en nog meer asceten met grote kracht.
Arjuna's tocht
In hoofdstuk 11, bij "Ulupi", "Manipura", "De krokodillen" en "Raivataka", waar Arjuna twaalf jaar van huis is en door het land trekt. In het verhaal staat zijn tocht bijna helemaal; hier volgen alle plaatsen en rivieren achter elkaar.
Naar de Ganga. Arjuna vertrekt uit Indraprastha met een stoet van brahmanen, zangers en asceten. Onderweg ziet hij wouden, meren, rivieren, zeeën en landen, tot hij bij de bovenloop van de Ganga komt, op de plek waar de rivier uit de bergen de vlakte bereikt. Daar blijft hij wonen, en daar trekt Ulupi hem naar het paleis van haar vader Kauravya, onder het water.
De Himalaya. De plek die Agastyavata heet; de top van Vasishtha; de top van Bhrigu, waar hij de brahmanen duizenden koeien en huizen geeft; de heilige hermitage Hiranyabindu.
Naar het oosten. Het woud van Naimisha, met de rivieren Utpalini, Nanda en Aparananda; de beroemde Kaushiki; de grote rivieren Gaya en Ganga; alle heilige plaatsen van Anga, Vanga en Kalinga. Bij de poort van het koninkrijk Kalinga nemen de brahmanen afscheid van hem.
Langs de oostkust. Met een paar dienaren trekt hij door het land van de Kalinga's naar de zee; hij ziet de berg Mahendra, waar asceten wonen, en volgt langzaam de kust tot Manipura. Daar blijft hij drie jaar, bij koning Chitravahana en diens dochter Chitrangada.
De zuidelijke oceaan. De vijf heilige wateren die de asceten mijden vanwege de krokodillen: Agastya, Saubhadra, Pauloma, Karandhama en Bharadvaja. Daarna gaat hij terug naar Manipura, waar hij zijn zoon Babhruvahana ziet, die later koning van Manipura zou worden.
De westkust. Gokarna; de heilige plaatsen aan de kust van de westelijke oceaan; Prabhasa, waar Krishna hem komt opzoeken.
Bij de Yadava's. De berg Raivataka, en daarna Dvaraka, de stad van de Yadava's. Daar trouwt hij met Subhadra en blijft hij een jaar.
Naar huis. Het laatste jaar van zijn ballingschap brengt hij door in de heilige streek Pushkara. Als de twaalf jaar om zijn, keert hij terug naar Indraprastha.
Het heilige water Agastya is niet de plek Agastyavata in de Himalaya, al heten ze allebei naar de rishi Agastya. Saubhadra heet naar een rishi en heeft niets met Subhadra te maken. Kalinga is hier een land; in de lijst van de vrijers staat de koning van Kalinga.
De Yadava's op het feest op de Raivataka
In hoofdstuk 11, bij "De ontvoering", waar de Vrishni's en de Andhaka's feestvieren op de berg Raivataka en Arjuna daar Subhadra ziet.
Balarama, de oudere broer van Krishna, vrolijk van de drank, met zijn vrouw Revati. Ugrasena, de koning van de Vrishni's, met zijn duizend vrouwen. Pradyumna, de zoon van Rukmini, en Shamba. En Akrura, Sarana, Gada, Babhru, Nishatha, Charudeshna, Prithu, Viprithu, Satyaka, Satyaki, Bhangakara, Maharava, Kritavarman en Uddhava, "en vele anderen die niet bij naam genoemd worden", met hun vrouwen en hun groepen zangers.
Kritavarman heet hier ook Hardikya, "de zoon van Hridika". Charudeshna, Prithu, Viprithu, Nishatha en Gada staan ook in de lijst van de vrijers van Draupadi. Babhru is niet Babhruvahana, de zoon van Arjuna.
De Vrishni's die naar Indraprastha komen
In hoofdstuk 11, bij "De koeherderin", waar Krishna met de Vrishni's naar Indraprastha komt en de bruidsgeschenken voor Subhadra meebrengt.
Krishna kwam met Balarama en de andere helden en grote strijders van de Vrishni's en de Andhaka's, met zijn broers en zonen en vele andere dappere mannen, en een groot leger beschermde hem. Met hem kwamen Akrura, de vrijgevige, verstandige aanvoerder van het leger van de Vrishni's; Anadhrishti; Uddhava, een leerling van Brihaspati zelf, de leraar van de goden; Satyaka, Satyaki en Kritavarman, de Satvata; Pradyumna, Shamba, Nishatha en Shanku; Charudeshna, Jhilli, Viprithu, Sarana en Gada, de geleerdste van allen. En met hen nog vele anderen van de Vrishni's, de Bhoja's en de Andhaka's.
"De Satvata" is hier een bijnaam van Kritavarman. Deze Anadhrishti is een Vrishni, niet de koning uit het geslacht van Puru die ook Anadhrishti werd genoemd.
De goden in de strijd om Khandava
In hoofdstuk 13, bij "De brand", waar de goden Indra te hulp komen tegen Krishna en Arjuna, die het Khandava-woud voor Agni laten branden.
Indra, de koning van de goden, op zijn witte olifant Airavata, met zijn bliksem, die nooit vergeefs gaat. Yama, de god van de dood, met zijn dodelijke knots. Kubera met zijn knuppel met pinnen. Varuna met zijn strop en een prachtig werpwapen. Skanda, die ook Kartikeya heet, met zijn lange lans. De Ashvins, de tweelinggoden, met lichtende kruiden in hun handen. Dhatri met een boog. Jaya met een zware knots. Tvashtri, de ambachtsman van de goden, met een enorme berg. Surya met een blinkende speer. Mrityu, de Dood zelf, met een strijdbijl. Aryaman met een vreselijke knuppel vol scherpe pinnen. Mitra met een werpschijf, scherp als een scheermes. Pushan, Bhaga en Savitri met bogen en zwaarden. En de Rudra's, de Vasu's, de Maruts, de Vishvadeva's en de Sadhya's, met allerlei wapens.
Dhatri, Aryaman, Mitra, Pushan, Bhaga en Savitri horen, net als Indra, Varuna en Tvashtri, bij de Aditya's, de zonen van Aditi. Deze Savitri is een god, niet Savitri, de dochter van Surya. Jaya is hier een god; Jaya, overwinning, is in boek 1 ook de naam van het epos zelf.