
Hoofdstuk dertien
De brand
Boek 2 · De leerjaren · Deel III, Indraprastha · 27 min. lezen
Krishna en Arjuna reden in hun wagens naar twee tegenoverliggende kanten van het woud en begonnen overal een grote slachting onder de schepselen die in Khandava woonden. Waar ze ook maar een schepsel zagen dat probeerde te ontsnappen, daar stormden die twee helden op af. De twee wagens leken één wagen, en de twee strijders erin één man.
Terwijl het woud brandde, renden honderden en duizenden levende wezens schreeuwend alle kanten op. Bij sommigen waren ledematen verbrand, anderen waren door de hitte verschroeid, sommigen kwamen naar buiten, anderen renden in paniek rond. Sommigen stierven kalm, met hun jongen tegen zich aan, anderen met hun ouders of hun broers; ze hielden te veel van hen om hen achter te laten. Velen beten op hun lip, stegen op en vielen al snel tollend terug in het vuur. Anderen rolden over de grond met verschroeide vleugels, ogen en poten. Al die schepselen kwamen daar bijna meteen om. De vijvers en poelen in het woud begonnen te koken door het vuur eromheen, en alle vissen en schildpadden erin stierven. De vogels die opvlogen om aan de brand te ontkomen, doorboorde Arjuna met zijn pijlen, en luid krijsend vielen ze in stukken terug in het brandende woud. De bewoners van het woud die door die pijlen getroffen werden, brulden en huilden, en het lawaai dat ze maakten, klonk als het tumult dat lang geleden opsteeg toen de oceaan werd gekarnd.
De vlammen reikten tot aan het hemelgewelf, en zelfs de goden werden er onrustig van. Samen gingen alle goden naar Indra, hun koning, de god van de honderd offers.
'Waarom verbrandt Agni die schepselen daar beneden?' vroegen ze. 'Is de tijd gekomen dat de wereld vergaat?'
Indra zag zelf wat Agni deed, en hij ging op weg om het Khandava-woud te beschermen. Hij bedekte de lucht met allerlei wolken, en op zijn bevel lieten honderden en duizenden wolkenmassa's hun regen in dikke stralen op het brandende woud neerstorten. Maar door de hitte van het vuur verdampte de regen al in de lucht en bereikte het vuur niet. Toen werd Indra boos op Agni. Hij bracht enorme wolken bijeen en liet ze een zware stortbui uitgieten. De vlammen vochten met die regen, en met de wolken erboven, vol rook en bliksemflitsen, bood het woud een angstaanjagende aanblik.
Arjuna riep zijn wapens op en hield met een regen van wapens de regen van Indra tegen. Hij overdekte het Khandava-woud met ontelbare pijlen, en toen de lucht boven het woud vol pijlen hing, kon geen enkel levend wezen eronder nog ontsnappen.
Nu was Takshaka, de koning van de slangen, er niet toen het woud brandde: hij was juist naar het veld van Kurukshetra gegaan. Maar Ashvasena was er, de sterke zoon van Takshaka. Hij deed alles om aan het vuur te ontkomen, maar Arjuna's pijlen sloten hem in, en hij vond geen uitweg. Toen besloot zijn moeder, een naga-vrouw, hem te redden door hem in te slikken. Eerst slikte ze zijn kop in. Ze was nog bezig zijn staart in te slikken toen ze, om haar zoon te redden, uit de grond oprees. Maar zodra Arjuna zag dat ze ontsnapte, hakte hij met een scherpe pijl haar kop van haar lijf. Indra zag het allemaal. Hij wilde de zoon van zijn vriend redden, en hij liet een hevige wind opsteken die Arjuna het bewustzijn benam. In die paar ogenblikken wist Ashvasena te ontsnappen.
Arjuna zag hoe hij door die begoocheling was misleid, en door de slang, en hij werd razend. Meteen sneed hij elk dier dat door de lucht probeerde te ontkomen in twee, drie of meer stukken. Arjuna, Agni en Krishna vervloekten de slang die zo listig was ontsnapt: 'Nooit zul je houvast vinden!'
Het bedrog bleef Arjuna bij. Hij bedekte het hemelgewelf met een wolk van pijlen, want hij wilde vechten met de god met de duizend ogen. Ook Indra wilde nu met hem vechten, en hij wierp zijn eigen woeste wapens, die de hele uitgestrekte lucht vulden. De winden loeiden en brachten alle oceanen in beroering, en ze dreven wolken vol stortregens samen in de lucht. Uit die wolken kwamen bliksemflitsen en donderslagen. Arjuna wist hoe hij zich moest weren. Met de juiste mantra's wierp hij het wapen van Vayu om die wolken te verjagen. Het wapen brak de kracht van Indra's bliksem en van de wolken. De stortregens in die wolken droogden allemaal op, en ook de bliksem die erin speelde, verdween. In een ogenblik was de lucht vrij van stof en duisternis, er begon een heerlijke koele bries te waaien, en de schijf van de zon was weer zoals altijd.
Agni was blij omdat niemand hem nog kon tegenhouden. Hij nam vele gedaanten aan. Het vet dat uit de lichamen van de schepselen droop, besprenkelde hem, en hij laaide op met al zijn vlammen en vulde de wereld met zijn gebrul.
Toen daalden vogels uit het geslacht van Garuda, met hun prachtige veren, in grote aantallen en vol trots uit de hoogste lucht neer. Ze zagen dat Krishna en Arjuna het woud bewaakten, en ze wilden die helden treffen met hun vleugels, snavels en klauwen. Ook naga's met vuurspuwende muilen daalden uit de hoogte op Arjuna af, en al die tijd braakten ze het dodelijkste gif. Toen Arjuna hen zag naderen, sneed hij hen in stukken met pijlen die in het vuur van zijn woede gedoopt waren, en die vogels en slangen vielen levenloos in het vuur beneden. Er kwamen ook drommen asura's op het gevecht af, met gandharva's, yaksha's, rakshasa's en naga's, en ze hieven een oorverdovend gebrul aan. Ze hadden werptuigen die ijzeren kogels uit hun muilen spuwden, katapulten om enorme stenen mee te slingeren, en brandpijlen, en zo trokken ze op tegen Krishna en Arjuna. Maar hoewel ze een regen van wapens op hen lieten neerkomen, hoonde Arjuna hen en sloeg met zijn scherpe pijlen hun koppen af. Ook Krishna richtte met zijn discus een bloedbad aan onder de daitya's en de danava's. Vele asura's met een onmetelijke kracht werden door Krishna's pijlen doorboord en door zijn discus getroffen, en ze bleven roerloos liggen.
Indra, de koning van de goden, stormde nu op zijn witte olifant Airavata op die helden af. Hij nam zijn bliksem, het wapen dat nooit vergeefs gaat, en wierp hem met grote kracht. 'Die twee zijn dood,' zei hij tegen de goden. Toen de goden zagen dat hun koning op het punt stond de woeste bliksem te werpen, grepen ze allemaal hun eigen wapens. Yama, de god van de dood, nam zijn dodelijke knots, Kubera zijn knuppel met pinnen, en Varuna zijn strop en een prachtig werpwapen. Skanda, die ook Kartikeya heet, nam zijn lange lans en stond onbeweeglijk. De Ashvins, de tweelinggoden, stonden daar met lichtende kruiden in hun handen. Tvashtri, de ambachtsman van de goden, tilde een enorme berg op, Surya stond daar met een blinkende speer, en Mrityu, de Dood zelf, met een strijdbijl. En alle scharen van goden, de Rudra's, de Vasu's, de machtige Maruts, de Vishvadeva's en de Sadhya's, stralend van hun eigen kracht, stormden met allerlei wapens op Krishna en Arjuna af om hen neer te slaan. Toen zag men in die strijd overal wonderlijke voortekens die ieder schepsel van zijn verstand beroofden, zoals bij het vergaan van de wereld aan het einde van een tijdperk.
Maar Arjuna en Krishna waren onbevreesd en onoverwinnelijk in de strijd. Ze zagen Indra en de andere goden klaarstaan voor het gevecht en wachtten kalm af, met hun bogen in de hand. Ze waren ervaren strijders, en ze vielen het oprukkende leger van de goden aan met hun donderende pijlen. Keer op keer werden de goden door Krishna en Arjuna teruggeslagen, tot ze ten slotte uit angst het slagveld verlieten en hun toevlucht zochten bij Indra. De wijzen die vanuit de lucht naar de strijd keken, zagen de goden verslagen, en ze verwonderden zich. Ook Indra zag keer op keer hoe dapper ze vochten, en hij was er zo tevreden over dat hij opnieuw tot de aanval overging.
Nu liet Indra een zware regen van stenen neerkomen, want hij wilde de kracht op de proef stellen van Arjuna, die zijn boog even goed met zijn linkerhand spande. Arjuna verjoeg die dichte regen met zijn pijlen. Toen Indra zag dat die regen verijdeld was, liet hij een nog dichtere regen van stenen vallen. Maar ook die regen hield de zoon van Indra met zijn snelle pijlen tegen, en daarmee deed hij zijn vader genoegen. Indra wilde hem nu neerslaan. Met zijn handen scheurde hij een grote top van de berg Mandara los, met hoge bomen erop, en hij wierp die naar Arjuna. Maar Arjuna spleet die bergtop in duizend stukken met pijlen waarvan de punten vlamden. De brokken vielen door de lucht op het woud neer, en door hun val kwamen veel levende wezens om die in Khandava woonden.
Toen vluchtten de bewoners van het Khandava-woud alle kanten op, bang voor de vallende stenen: de danava's, de rakshasa's en de naga's, de wolven en de beren en de andere wilde dieren, olifanten met opengescheurde slapen, tijgers, leeuwen met hun manen, herten en buffels bij honderden, vogels en allerlei andere schepselen. Ze zagen het woud rondom branden en Krishna en Arjuna met hun wapens klaarstaan om hen neer te slaan, en door de geluiden die daar klonken, konden ze zich van angst niet meer bewegen. Ze hieven allemaal een gebrul aan, en door dat lawaai en het gebulder van het vuur weergalmde het hele hemelgewelf.
Om hen te vernietigen wierp Krishna met zijn sterke armen zijn grote discus, die straalde van zijn eigen kracht. De bewoners van het woud, ook de danava's en de rakshasa's, werden door dat wapen getroffen en in honderden stukken gesneden, en ze vielen in de muil van Agni. Krishna's discus verminkte de asura's, en ze zaten onder het bloed en het vet. Krishna ging rond als de dood zelf en doodde pishacha's, vogels, naga's en andere schepselen bij duizenden. Keer op keer wierp hij zijn discus, en na elke slachting kwam de discus in zijn handen terug. Terwijl hij zo pishacha's, naga's en rakshasa's afslachtte, werden het gezicht en de gestalte van Krishna, het Zelf van alle schepselen, vreselijk om te zien.
Niemand van de goden die daar waren samengekomen, kon Krishna en Arjuna in de strijd verslaan. Toen de goden zagen dat ze het woud niet tegen hun kracht konden beschermen door de brand te blussen, trokken ze zich terug. Indra zag hen gaan, en hij was blij en prees Krishna en Arjuna. En toen de goden de strijd hadden opgegeven, klonk er een onlichamelijke stem, diep en luid, die tegen Indra zei:
'Uw vriend Takshaka, de koning van de slangen, is niet gedood. Voordat de brand in Khandava begon, was hij al naar Kurukshetra vertrokken. Begrijp goed, Indra, dat Krishna en Arjuna door niemand in de strijd verslagen kunnen worden. Ze zijn Nara en Narayana, de goden van oudsher, bekend in de wereld van de goden. U weet wat hun kracht is en wat hun moed. Onoverwinnelijk in de strijd zijn deze oude rishi's, door niemand in alle werelden te bedwingen. Alle goden en asura's, yaksha's, rakshasa's en gandharva's, mensen, kinnara's en naga's zijn hun de diepste eerbied verschuldigd. Daarom moet u hier weggaan, Indra, met alle goden. De vernietiging van Khandava is door het lot beschikt.'
Indra wist dat die woorden waar waren. Hij liet zijn woede en zijn afgunst varen en keerde terug naar de hemel van de goden. De goden zagen hun koning de strijd opgeven, en ze volgden hem met al hun strijders. Toen Krishna en Arjuna de koning van de goden met alle goden zagen vertrekken, hieven ze een leeuwenbrul aan.
Nu Indra weg was, hielpen die helden onbevreesd bij de brand van het woud. Arjuna verjoeg de goden, en met zijn regen van pijlen doodde hij de schepselen die in Khandava woonden. Zelfs de sterkste schepselen daar durfden Arjuna niet eens aan te kijken, laat staan met hem te vechten, want zijn wapens misten nooit. Soms doorboorde hij honderd schepselen met één pijl, soms één schepsel met honderd pijlen, terwijl hij in zijn wagen rondreed, en levenloos vielen ze in de muil van Agni. Op de oevers van de rivieren, op de oneffen vlakten en op de verbrandingsplaatsen van de doden, waar ze ook heen gingen, vonden de schepselen van Khandava geen rust: overal waar ze een schuilplaats zochten, kwelde de hitte hen. Hele scharen schepselen brulden van pijn, en de olifanten, de herten en de wolven jammerden. Bij dat geluid werden de vissen van de Ganga en van de zee bang, en ook de vidyadhara's, halfgoddelijke wezens die in dat woud woonden, in al hun stammen.
Krishna doodde met zijn discus de rakshasa's, de danava's en de naga's die in drommen op hem af stormden. Door de vaart van de discus werden hun koppen van hun enorme rompen gescheiden, en ze vielen in het laaiende vuur. De vlammen hadden zich verzadigd aan zoveel vlees, bloed en vet, en ze stegen hoog op, zonder een kronkelende rookpluim. Agni had gloeiende koperrode ogen, een vlammende tong, een grote muil en vurig haar op zijn kruin. Met de hulp van Krishna en Arjuna dronk hij die stroom van dierlijk vet, en hij genoot ervan.
Plotseling zag Krishna een asura die uit het huis van Takshaka probeerde te ontsnappen. Het was Maya, een danava, de bouwmeester van de asura's. Agni had Vayu als wagenmenner. Hij nam een gedaante aan met haar dat in strengen samengekoekt was, en brullend zette hij de achtervolging in, want hij wilde de asura verteren. Krishna stond klaar met zijn wapen geheven om hem neer te slaan. Maya zag de geheven discus en Agni die hem achtervolgde om hem te verbranden.
'Kom naar me toe, Arjuna!' riep hij. 'Bescherm me!'
Arjuna hoorde zijn angstige stem. 'Wees niet bang!' zei hij.
Arjuna had medelijden, koning, en zijn stem leek Maya zijn leven terug te geven. Maya was de broer van Namuchi, de asura die lang geleden door Indra was gedood. Krishna wilde hem niet langer doden, en ook Agni verbrandde hem niet.
Krishna en Arjuna beschermden Agni tegen Indra, en zo verbrandde Agni het woud vijftien dagen lang. En van alle bewoners van het woud spaarde hij er maar zes: Ashvasena, Maya en vier vogels die sarngaka's heten.
De sarngaka's
'Brahmaan,' zei Janamejaya, 'vertel me waarom Agni, toen dat woud zo brandde, de vogels die sarngaka's heten niet verteerde. U hebt ons verteld waarom Ashvasena en de danava Maya niet verbrandden. Maar waarom de sarngaka's ontsnapten, hebt u nog niet gezegd. Dat die vogels ontsnapt zijn, lijkt me wonderlijk. Vertel ons waarom ze in dat verwoestende vuur niet omkwamen.'
'Ik zal u vertellen waarom Agni die vogels bij de brand niet verteerde,' zei Vaishampayana.
En Vaishampayana vertelde.
Er was een grote rishi die Mandapala heette. Hij kende alle leerboeken, hield zich aan strenge geloften, wijdde zich aan de ascese en leefde rechtvaardiger dan wie ook. Hij volgde het voorbeeld van de rishi's die in volkomen onthouding leven, hield al zijn zinnen in bedwang en leefde voor de studie en de dharma. Toen hij de verste oever van de ascese had bereikt, verliet hij zijn menselijk lichaam en ging hij naar de wereld van de voorouders. Maar daar kreeg hij niet de vrucht van zijn daden. Hij vroeg de goden die rond de koning van de doden zaten, waarom dat zo was.
'Waarom kan ik deze werelden niet bereiken? Ik dacht dat ik ze met mijn ascese verworven had. Heb ik niet de daden verricht waarvan deze werelden de vrucht zijn? Goden, zeg me waarom deze werelden voor mij gesloten zijn. Ik zal doen wat nodig is om de vrucht van mijn ascese te krijgen.'
'Luister, brahmaan, naar de daden en de dingen waardoor de mensen als schuldenaars geboren worden,' zeiden de goden. 'Ieder mens wordt als schuldenaar geboren: hij is het offer verschuldigd, de studie van de Veda volgens de voorschriften, en nakomelingen. Die schulden los je af met offers, met ascese en met kinderen. Jij bent een asceet, en je hebt ook offers gebracht, maar je hebt geen nakomelingen. Alleen omdat je geen kinderen hebt, zijn deze werelden voor jou gesloten. Verwek daarom kinderen, dan zul je van vele werelden van geluk genieten. De Veda's zeggen dat de zoon zijn vader redt uit Put, het oord van kwelling. Doe je best om nakomelingen te krijgen.'
Mandapala dacht na hoe hij in de kortste tijd zoveel mogelijk nakomelingen kon krijgen. Hij begreep dat van alle schepselen alleen de vogels zo vruchtbaar zijn. Hij nam de gedaante aan van een sarngaka, en hij paarde met een vrouwtje van die soort, dat Jarita heette. Hij verwekte bij haar vier zonen, die de Veda allemaal konden voordragen: Jaritari, de oudste, Sarisrikka, Stambamitra en de jongste, Drona, die dezelfde naam droeg als de leraar van de Kuru-prinsen. Maar Mandapala liet die zonen met hun moeder in het woud achter terwijl ze nog in hun eieren zaten, en ging naar een andere vrouw, Lapita.
Toen hij naar Lapita vertrokken was, zat Jarita vol zorgen. Hun vader had de jongen in het Khandava-woud verlaten, maar zij kon ze niet verlaten, de kleine rishi's die nog in hun eieren zaten. Ze voedde de kinderen op die ze had voortgebracht, en zelf leefde ze zoals haar soort leeft.
Na enige tijd zwierf Mandapala met Lapita door het woud, en hij zag Agni op Khandava afkomen om het te verbranden. Hij kende de bedoeling van Agni. Hij dacht eraan dat zijn kinderen nog klein waren, en uit angst probeerde hij Agni, een van de hoeders van de wereld, gunstig te stemmen, want hij wilde een goed woord doen voor zijn jongen zonder veren. En de rishi prees Agni:
'U bent de mond van alle goden, Agni. U brengt de offerboter naar de goden. U die alles zuivert, u gaat onzichtbaar door het lichaam van ieder schepsel. De geleerden noemen u één, en ook drievoudig. De wijzen zien u achtvoudig, en zo hebben ze u tot drager van het offer gemaakt. De grote rishi's zeggen dat alles wat bestaat uit u is voortgekomen, en zonder u, die de offerboter eet, zou het op één dag vergaan. De brahmanen buigen voor u, en met hun vrouwen en kinderen gaan ze naar de eeuwige werelden die ze met hun eigen daden hebben gewonnen. De geleerden zien u in de wolken aan het hemelgewelf, vol bliksem, en uw vlammen verteren ieder schepsel. De Veda's spreken uit u. Wat beweegt en wat niet beweegt, hangt van u af: eerst het water, en met het water de hele wereld. In u rusten alle offers van boter en alle offers van voedsel aan de voorouders. U verteert en u brengt voort, en u bent Brihaspati zelf. U bent de tweelinggoden, de Ashvins, u bent Surya, u bent Soma, u bent Vayu.'
Agni was tevreden over de hymne. 'Wat kan ik voor je doen?' vroeg hij.
Mandapala vouwde zijn handen. 'Spaar mijn kinderen wanneer u het Khandava-woud verbrandt.'
'Het zal zo zijn,' zei Agni.
Toen het vuur in het Khandava-woud oplaaide, raakten de jonge vogels in grote nood. Ze waren angstig en zagen geen enkele manier om te ontsnappen. Hun moeder, Jarita, wist dat ze te jong waren om te vluchten, en hulpeloos huilde ze het uit van verdriet.
'Daar komt dat gruwelijke vuur op ons af, het verlicht de hele wereld, het brandt het woud af en maakt mijn verdriet nog groter. Deze kleintjes, met hun onrijpe verstand, zonder veren en zonder poten, die de enige toevlucht zijn van onze gestorven voorouders, breken mijn hart. Daar komt het vuur, het verspreidt overal angst en likt met zijn tong aan de hoogste bomen. Maar mijn jongen zonder veren kunnen niet ontsnappen. Ikzelf kan niet ontsnappen als ik ze allemaal meeneem. En ik kan ze ook niet verlaten, want mijn hart lijdt om hen. Wie van mijn zonen moet ik achterlaten, en wie moet ik meenemen? Wat moet ik nu doen dat in overeenstemming is met de dharma? En wat denken jullie, mijn kleine zonen? Hoe ik er ook over nadenk, ik zie voor jullie geen uitweg. Ik zal jullie met mijn vleugels bedekken en met jullie sterven. Jullie wrede vader heeft me een tijd geleden verlaten, en toen zei hij: "Van Jaritari hier, omdat hij de oudste van mijn zonen is, zal mijn geslacht afhangen. Mijn tweede, Sarisrikka, zal nakomelingen verwekken om het geslacht van mijn voorvaders uit te breiden. Mijn derde, Stambamitra, zal zich aan de ascese wijden, en mijn jongste, Drona, zal de grootste van alle kenners van de Veda worden." Maar wat is dit voor een ramp die over ons gekomen is! Wie moet ik meenemen? Ik weet niet meer wat ik moet denken. Wat is hier mijn plicht? Met mijn eigen verstand zie ik niet hoe mijn kinderen aan het vuur kunnen ontkomen!'
'Moeder,' zeiden de jongen, 'laat je liefde voor ons los en ga naar een plek waar geen vuur is. Als wij hier omkomen, kun je andere kinderen krijgen. Maar als jij omkomt, moeder, kunnen er in ons geslacht geen kinderen meer komen. Denk aan die twee rampen, en doe nu wat goed is voor ons geslacht, want daarvoor is de tijd gekomen. Laat je niet leiden door je liefde voor je kinderen, want die dreigt ons en jou allebei te vernietigen. Als jij jezelf redt, kan onze vader, die de werelden van het geluk wil winnen, zijn wensen vervuld zien.'
'Hier in de grond, vlak bij deze boom, is het hol van een muis,' zei Jarita. 'Kruip meteen in dat hol, dan hoeven jullie het vuur niet te vrezen. Als jullie erin zijn, bedek ik de opening met aarde, kinderen. Dit is de enige manier die ik zie om aan het laaiende vuur te ontkomen. En als het vuur gedoofd is, kom ik terug om de aarde weg te halen. Volg mijn raad, als jullie aan de brand willen ontkomen.'
'Zonder veren zijn we niet meer dan balletjes vlees. Als we in dat hol kruipen, zal de muis, die vlees eet, ons allemaal opeten. Nu we dat gevaar voor ons zien, kunnen we niet in dat hol kruipen. We zien geen enkele manier om aan het vuur of aan de muis te ontkomen. We zien niet hoe we kunnen voorkomen dat onze vader ons voor niets heeft verwekt, en ook niet hoe onze moeder gered kan worden. Als we in het hol kruipen, doodt de muis ons; als we blijven waar we zijn, doodt het vuur ons, dat door de lucht gaat. Als we die twee rampen tegen elkaar afwegen, is de dood door het vuur beter dan de dood door opgegeten te worden. Als de muis ons in het hol verslindt, is dat een onwaardige dood, terwijl de wijzen het goedkeuren als het lichaam in het vuur vergaat.'
'De kleine muis die uit dit hol kwam, is door een valk in zijn klauwen gegrepen en weggevoerd. Jullie kunnen nu zonder angst in dat hol kruipen.'
'We weten helemaal niet zeker dat die muis door de valk is weggevoerd. Er kunnen hier nog andere muizen wonen. Voor hen zijn we bang. Maar het is nog de vraag of het vuur hier wel komt. We zien al een wind die de vlammen de andere kant op blaast. Als we in het hol kruipen, is de dood door de bewoners van het hol zeker. Maar als we blijven waar we zijn, is de dood onzeker. Moeder, een plek waar de dood onzeker is, is beter dan een plek waar hij zeker is. Het is daarom je plicht om zelf te vluchten, want als je blijft leven, kun je andere kinderen krijgen, even goed als wij.'
Het vuur kwam dichterbij.
'Kinderen, ik heb met mijn eigen ogen gezien hoe de machtige valk neerdook en met de muis uit het hol wegvloog. En terwijl hij snel wegvloog, ben ik hem achternagevlogen en heb ik hem mijn goede wensen nageroepen, omdat hij de muis uit het hol had weggehaald. Ik zei tegen hem: "Koning van de valken, omdat je met onze vijand, de muis, in je klauwen wegvliegt, wens ik je dat je zonder vijand in de hemel van de goden leeft, met een gouden lichaam." Toen de valk de muis had opgegeten, ben ik met zijn toestemming teruggekomen. Kruip daarom vol vertrouwen in dat hol, kinderen. Jullie hebben niets te vrezen. De muis die erin woonde, is voor mijn ogen door de valk gegrepen en weggevoerd.'
'Moeder, we weten helemaal niet of de muis door de valk is weggevoerd. We kunnen niet in dat hol in de grond kruipen zonder er zeker van te zijn.'
'Ik weet zeker dat de muis door de valk is weggevoerd. Daarom hebben jullie niets te vrezen, kinderen. Doe wat ik zeg.'
'We zeggen niet dat je onze angst met een verzonnen verhaal probeert weg te nemen, moeder. Maar wat iemand doet wanneer zijn verstand in de war is, kun je nauwelijks een weloverwogen daad noemen. Wij hebben jou nog niets goeds gedaan, en je weet niet eens wie we zijn. Waarom probeer je ons dan te beschermen, terwijl het je zoveel kost? Wat zijn wij voor jou? Je bent jong en mooi, en je kunt je man gaan zoeken. Ga naar je man. Je zult weer goede kinderen krijgen. Laat ons het vuur in gaan en de werelden van het geluk bereiken. En als het vuur ons niet verteert, kun je terugkomen en ons weer bij je nemen.'
De moeder liet haar zonen in Khandava achter en vloog haastig naar een plek waar geen vuur was en waar ze veilig was. Toen kwam Agni met felle vlammen op de plek af waar de zonen van Mandapala waren. De jonge vogels zagen het laaiende vuur op zich afkomen. En Jaritari, de oudste van de vier, begon te spreken, zo dat Agni het hoorde.
'Wie wijs is, blijft waakzaam met het oog op de dood. Wanneer het uur van de dood nadert, voelt hij dan geen pijn. Maar wie verward van geest is en niet waakzaam blijft, voelt, wanneer het uur van de dood komt, de pijn van de dood, en hij wordt nooit bevrijd.'
'Jij bent geduldig en verstandig,' zei de tweede broer, Sarisrikka. 'De tijd is gekomen dat ons leven bedreigd wordt. Maar van velen wordt er altijd maar één wijs en dapper.'
'De oudste broer heet de beschermer,' zei de derde broer, Stambamitra. 'Het is de oudste broer die de jongeren uit het gevaar redt. Als de oudste zelf hen niet redt, wat kunnen de jongeren dan doen?'
'De wrede god van het vuur, met zijn zeven tongen en zijn zeven monden, komt snel op ons nest af,' zei de vierde en jongste broer, Drona. 'Hij laait op in zijn glans en likt alles op wat op zijn pad ligt.'
Dat zeiden ze tegen elkaar. Daarna wendden de zonen van Mandapala zich vol toewijding tot Agni, en ieder van hen zong een hymne voor hem. Jaritari begon:
'U bent de adem van de wind, Agni. U bent het lichaam van alles wat op aarde groeit. Het water is uw ouder, zoals u de ouder van het water bent. Uw vlammen reiken als de stralen van de zon naar boven en naar beneden, naar achteren en naar alle kanten.'
Daarna zong Sarisrikka:
'Onze moeder is niet te zien, en onze vader kennen we niet. Onze veren zijn nog niet gegroeid. We hebben niemand die ons beschermt behalve u. Bescherm ons daarom, Agni, want we zijn nog klein. Bescherm ons nu we in nood zijn, met uw gunstige gedaante en uw zeven vlammen. We zoeken bescherming bij u. U alleen, Agni, geeft warmte; er is niemand anders die de stralen van de zon hun warmte geeft. Bescherm ons, want we zijn jong en we zijn rishi's. U die de offerboter draagt, ga toch langs een andere weg.'
Toen Stambamitra:
'U alleen bent alles, Agni. Alles wat bestaat, is in u gegrondvest. U draagt ieder schepsel, en u schraagt de wereld. U brengt de offerboter, en u bent zelf de offerboter. De wijzen vereren u als velen en als één. U hebt de drie werelden voortgebracht, en als de tijd gekomen is, zwelt u aan en vernietigt u ze weer. U bent de oorzaak waaruit alles wat bestaat voortkomt, en u bent ook dat waarin het weer oplost.'
En ten slotte Drona:
'U die over alles wat bestaat heerst, u groeit in kracht en woont in de lichamen van de levende wezens, en u verteert het voedsel dat ze eten. Daarom is alles in u gegrondvest. U uit wiens mond de Veda's zijn voortgekomen, u neemt de gedaante van de zon aan, u zuigt het water van de aarde op en alle sappen die de aarde voortbrengt, en op de juiste tijd geeft u ze terug als regen en laat u alles groeien. Uit u zijn deze planten en klimplanten met hun groene bladeren voortgekomen, uit u deze vijvers en poelen, en ook de grote oceaan, die altijd heil brengt. Ons lichaam hangt af van Varuna. We kunnen uw hitte niet verdragen. Wees daarom onze beschermer en breng ons heil. Vernietig ons niet. U met uw koperrode ogen en uw rode hals, u wiens spoor zwart is, red ons en ga langs een verre weg, zoals de oceaan het huis op zijn oever spaart.'
'Je bent een rishi, Drona,' zei Agni, 'want wat je gezegd hebt, is de waarheid van de Veda. Ik zal doen wat jullie willen. Wees niet bang. Je vader heeft al voor jullie gesproken, en zijn woorden wegen voor mij even zwaar als de jouwe. Zeg wat ik moet doen. Je hymne stemt me tevreden, brahmaan. Ik wens je alle goeds.'
'Die katten vallen ons elke dag lastig,' zei Drona. 'Verteer ze, met hun vrienden en hun verwanten.'
Agni deed wat de sarngaka's hem vroegen, en hij zei hun wat hij van plan was. Daarna groeide hij in kracht en verteerde hij verder het Khandava-woud.
Maar Mandapala vond geen rust. 'Lapita,' zei hij tegen de vrouw bij wie hij toen was, 'mijn kinderen kunnen zich niet bewegen. Hoe zou het met ze zijn? Wanneer het vuur sterker wordt en de wind hevig begint te waaien, zullen mijn kinderen zich nauwelijks kunnen redden. Hoe zal hun moeder hen kunnen redden? Die onschuldige vrouw zal groot verdriet hebben als ze merkt dat ze haar jongen niet kan redden. Hoe zal ze het volhouden, klagend om mijn kinderen, die nog niet kunnen vliegen of zich in de lucht verheffen? Hoe is het met Jaritari, mijn zoon, en hoe met Sarisrikka, en hoe met Stambamitra, en hoe met Drona, en hoe met hun hulpeloze moeder?'
De rishi huilde in het woud. 'Je hoeft je geen zorgen te maken over je kinderen,' zei Lapita, 'die, zoals je me verzekerd hebt, allemaal rishi's zijn, vol kracht en moed. Ze hebben van het vuur niets te vrezen. Agni heeft het je in mijn bijzijn beloofd, en hij is een van de hoeders van de wereld; hij zal zijn woord nooit breken. Je maakt je helemaal geen zorgen om hen, en je hart gaat niet uit naar het welzijn van wie je dierbaar is. Je bent alleen zo in de war omdat je aan haar denkt, aan mijn rivale Jarita. Het is duidelijk dat je niet zoveel van mij houdt als je eerst van haar hield. Wie zijn aandacht tussen twee verdeelt, kan gemakkelijk toezien hoe een van de twee allerlei pijn lijdt, maar hij mag niet onverschillig blijven voor wie zijn hart het naast staat. Ga dan naar Jarita, om wie je hart zo treurt. Ik zal voortaan alleen rondzwerven, als verdiende loon omdat ik me aan een slecht mens heb gehecht.'
'Ik zwerf niet over de aarde met de bedoelingen die jij denkt,' antwoordde Mandapala. 'Ik ben hier alleen om nakomelingen. En zelfs de kinderen die ik heb, zijn in gevaar. Wie wegwerpt wat hij heeft om wat hij nog krijgen kan, is een slecht mens. De wereld minacht en beschimpt hem. Daarom moet ik gaan. Wat jou betreft: je bent vrij om te doen wat je wilt. Dit laaiende vuur dat aan de bomen likt, maakt mijn angstige hart bedroefd en vervult het met slechte voorgevoelens.'
Toen het vuur de plek had verlaten waar de sarngaka's woonden, kwam Jarita haastig terug om te zien hoe het met haar kinderen ging; ze was zo aan hen gehecht. Ze vond hen allemaal: ze waren aan het vuur ontkomen en ongedeerd. Toen ze hun moeder zagen, begonnen ze te huilen, ook al waren ze veilig en wel. Ook zij huilde toen ze zag dat ze leefden, en ze omhelsde haar huilende kinderen, een voor een. Juist op dat ogenblik kwam de rishi Mandapala aan. Maar geen van zijn zonen toonde vreugde toen ze hem zagen. De rishi praatte keer op keer tegen hen, tegen ieder afzonderlijk, en ook tegen Jarita. Maar zijn zonen en Jarita zeiden niets terug, geen goed woord en geen kwaad woord.
'Wie van hen is je eerstgeborene, en wie de volgende?' vroeg Mandapala. 'En wie is de derde, en wie de jongste? Ik spreek je in mijn verdriet aan; waarom antwoord je me niet? Ik heb je verlaten, dat is waar, maar ik was niet gelukkig waar ik was.'
'Wat heb jij met de oudste te maken, en wat met de tweede?' zei Jarita. 'En wat met de derde, en wat met de jongste? Ga nu maar naar die Lapita met haar lieve glimlach en haar jeugd, naar wie je vroeger ging omdat je vond dat het mij aan alles ontbrak!'
'Voor vrouwen is er in deze wereld en in de andere niets wat hun geluk zo verwoest als een medevrouw en een geheime minnaar,' antwoordde Mandapala. 'Niets wakkert het vuur van de vijandschap zo aan en veroorzaakt zoveel onrust als die twee. Zelfs Arundhati, de vrouw van Vasishtha, die zo heil bracht en zich zo goed gedroeg en die bij alle schepselen beroemd is, was jaloers op haar man, wiens geest zo zuiver was en die altijd haar welzijn zocht. Arundhati beledigde zelfs die wijze, een van de zeven rishi's. Om die beledigende gedachten van haar is ze een klein sterretje geworden, als vuur vermengd met rook, soms zichtbaar en soms niet, als een voorteken dat niets goeds belooft, tussen de zeven heldere sterren van de zeven rishi's. Om kinderen heb ik jou gezocht. Ik heb je nooit onrecht gedaan, zoals ook Vasishtha zijn vrouw nooit onrecht deed. Door je jaloezie heb je je tegenover mij gedragen zoals Arundhati zich vroeger tegenover Vasishtha gedroeg. Mannen moeten vrouwen nooit vertrouwen, ook niet als het hun eigen vrouwen zijn. Vrouwen die moeder geworden zijn, geven er niet veel meer om hun man te dienen.'
Daarna kwamen al zijn kinderen naar voren om hem te eren. Ook hij praatte nu vriendelijk met hen allemaal en stelde hen gerust. Zo kwam het dat Agni, toen hij het Khandava-woud verteerde, niet oplaaide om de kinderen van Mandapala te vernietigen.
Aan de rivier
'Ik vertrouwde op het woord van Agni,' zei Mandapala tegen zijn kinderen, 'en ik wist hoe rechtvaardig jullie moeder is en hoeveel kracht er in jullie zelf zit. Daarom ben ik niet eerder gekomen. Draag me geen wrok, mijn zonen. Jullie zijn allemaal rishi's die de Veda kennen. Ook Agni kent jullie goed.' Daarna nam Mandapala zijn vrouw en zijn zonen met zich mee, verliet die streek en ging naar een ander land.
Met de hulp van Krishna en Arjuna verteerde Agni het Khandava-woud, en hij bevrijdde de wereld van angst en werd steeds sterker. Hij had rivieren van vet en merg gedronken en was volkomen verzadigd, en hij liet zich aan Arjuna zien. Toen daalde Indra, omringd door de Maruts, uit het hemelgewelf neer.
'Jullie hebben een daad verricht die zelfs een god niet had kunnen verrichten,' zei hij tegen Arjuna en Krishna. 'Vraag ieder een gunst die geen mens kan krijgen. Ik ben tevreden over jullie.'
Arjuna vroeg Indra om al zijn wapens. 'Wanneer Shiva, de grote god, tevreden over je is, zoon van Pandu, dan zal ik je al mijn wapens geven,' zei Indra. 'Ik zal weten wanneer de tijd gekomen is. Om je strenge ascese zal ik je al mijn vuurwapens geven en al mijn wapens van Vayu, en jij zult ze allemaal van mij aannemen.'
Toen vroeg Krishna dat zijn vriendschap met Arjuna eeuwig zou zijn, en de koning van de goden gaf hem de gunst die hij vroeg. Daarna nam Indra afscheid van Agni, en met de goden steeg hij weer op naar hun wereld.
Agni hield op met branden. Hij had vlees gegeten in overvloed en vet en bloed gedronken, en hij zei tegen Krishna en Arjuna: 'Jullie hebben me tevreden gesteld, jullie twee helden. Op mijn bevel zullen jullie kunnen gaan waarheen jullie maar willen.'
Arjuna, Krishna en de danava Maya zwierven samen nog een eindje rond, en ten slotte gingen ze zitten op de lieflijke oever van een rivier.
Hier eindigt het boek van het begin.