Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk negen

Waar Krishna is

Het geluk van de Kuru's

Deel 2 · De leerjaren · Boek III, Indraprastha · 21 min. lezen

De koningen die voor de svayamvara van Draupadi waren gekomen, hoorden van spionnen die ze vertrouwden dat de mooie Draupadi met de zonen van Pandu was getrouwd. Ze hoorden ook dat de held die de boog had gespannen en het doel had geraakt, niemand anders was dan Arjuna. En het was Bhima die Shalya, de koning van Madra, tegen de grond had gesmeten, die de verzamelde koningen met zijn uitgerukte boom schrik had aangejaagd en die zonder vrees tegenover al zijn vijanden had gestaan. Eén aanraking van hem was genoeg om een vijand het leven te kosten.

De koningen verwonderden zich erover dat de Pandava's zich als vredige brahmanen hadden vermomd. Ze hadden gehoord dat Kunti met al haar zonen in de brand van het huis van lak was omgekomen, en nu kwamen de Pandava's hun voor als mannen die uit het rijk van de doden waren teruggekeerd. Ze dachten aan het wrede plan van Purochana, die het huis van lak had gebouwd, en ze zeiden: 'Schande over Bhishma! Schande over Dhritarashtra, de Kuru!'

Na de svayamvara gingen alle koningen terug naar hun eigen rijk. Duryodhana hoorde dat Draupadi Arjuna tot man had genomen. Met zijn broers, met Ashvatthama, de zoon van Drona, met zijn oom Shakuni, de broer van zijn moeder Gandhari, met Karna en met Kripa, de wapenleraar van de prinsen, ging hij terneergeslagen op weg naar zijn hoofdstad. Duhshasana, zijn broer, kreeg een kleur van schaamte. 'Als Arjuna zich niet als brahmaan had vermomd, had hij Draupadi nooit gekregen,' zei hij. 'Daardoor herkende niemand hem. Het lot is altijd het sterkst, denk ik. Inspanning haalt niets uit. Weg met al onze moeite, broer! De Pandava's leven nog!'

Onderweg gaven ze Purochana de schuld: hij had niet opgelet. Toen ze in Hastinapura aankwamen, dachten ze aan de sterke zonen van Pritha, die aan het brandende huis van lak waren ontsnapt en zich met Drupada hadden verbonden, en aan Dhrishtadyumna en Shikhandi en de andere zonen van Drupada, die allemaal bedreven waren in de strijd, en ze werden bang en moedeloos.

Vidura, de halfbroer van de koning, hoorde dat de Pandava's Draupadi hadden gewonnen en dat de zonen van Dhritarashtra beschaamd waren teruggekomen, met geknakte trots. Blij ging hij naar Dhritarashtra. 'Wat een geluk voor de Kuru's!' zei hij.

'Wat een geluk, Vidura!' riep Dhritarashtra. 'Wat een geluk!'

In zijn onwetendheid dacht de blinde koning dat de dochter van Drupada zijn oudste zoon Duryodhana tot man had gekozen. Hij liet meteen allerlei sieraden voor haar maken en beval dat Draupadi en Duryodhana met veel vertoon naar Hastinapura moesten worden gebracht. Pas toen vertelde Vidura hem dat Draupadi de Pandava's had gekozen, dat die helden allemaal leefden en het goed maakten, en dat koning Drupada hen met alle eer had ontvangen. Hij vertelde ook dat de Pandava's zich hadden verbonden met de vele verwanten en vrienden van Drupada, die ieder over een groot leger beschikten, en met nog veel anderen die naar de svayamvara waren gekomen.

'Die kinderen zijn mij even dierbaar als ze Pandu waren,' zei Dhritarashtra. 'Nee, nog dierbaarder. Luister waarom ik nu nog meer van ze houd. De heldhaftige zonen van Pandu maken het goed. Ze hebben veel vrienden gekregen, en hun verwanten en de bondgenoten die ze gewonnen hebben, zijn allemaal sterk. Welke koning, in voorspoed of in tegenspoed, zou Drupada met al zijn verwanten niet als bondgenoot willen hebben?'

'Koning,' zei Vidura, 'ik hoop dat uw verstand honderd jaar zo blijft als het nu is.' En hij ging terug naar zijn eigen huis.

Kort daarna kwamen Duryodhana en Karna bij Dhritarashtra. 'Waar Vidura bij is, koning, kunnen we u niet op uw misstap wijzen,' zeiden ze. 'Nu we u alleen treffen, zeggen we alles wat we willen. Wat bent u eigenlijk van plan? Beschouwt u de bloei van uw vijanden als uw eigen bloei, dat u de Pandava's hebt geprezen waar Vidura bij was? Zo hoort u niet te handelen. We moeten nu elke dag iets doen om de Pandava's te verzwakken, vader. Het is tijd om samen te overleggen, zodat ze ons niet verzwelgen, met onze kinderen, onze vrienden en onze verwanten.'

'Ik wil precies doen wat jullie aanraden,' zei Dhritarashtra. 'Maar Vidura mag er niets van merken, zelfs niet aan een trek van mijn gezicht. Daarom prees ik de Pandava's waar hij bij was: aan geen enkel teken mocht hij kunnen zien wat er in mij omgaat. Nu Vidura weg is, is het tijd.' Hij noemde zijn zoon Suyodhana, de goede strijder, en Karna Radheya, de zoon van Radha. 'Vertel me wat je bedacht hebt, Suyodhana, en jij ook, Radheya.'

'Laten we betrouwbare en handige brahmanen gebruiken, vader,' zei Duryodhana, 'om tweedracht te zaaien tussen de zonen van Kunti en de zonen van Madri. Of laten we koning Drupada en zijn zonen en al zijn ministers met grote rijkdom overladen, zodat ze de zaak van Yudhishthira laten vallen. Of laten onze spionnen de Pandava's, ieder afzonderlijk, voorhouden hoe ongerieflijk het leven in Hastinapura is, zodat ze zich voorgoed in Panchala vestigen, ver van ons. Of laten slimme spionnen, die om geen middel verlegen zitten, de Pandava's jaloers maken op elkaar. Of laten ze Draupadi tegen haar mannen opzetten. Ze heeft er veel, dat zal niet moeilijk zijn. Of laten ze de Pandava's zelf ontevreden maken over Draupadi, dan wordt zij het ook over hen.

Of laten een paar spionnen daarheen gaan en in het geheim Bhima doden. Bhima is de sterkste van allemaal. Vroeger trotseerden de Pandava's ons alleen omdat ze op hem konden bouwen. Hij is woest en dapper, hij is hun enige toevlucht. Als hij dood is, zijn hun kracht en hun vuur weg, en dan vechten ze niet meer om hun koninkrijk. Arjuna is onoverwinnelijk in de strijd, koning, als Bhima zijn rug dekt. Zonder Bhima is Arjuna nog geen kwart van Radheya waard. Als de Pandava's weten hoe zwak ze zonder hem zijn en hoe sterk wij, geven ze het op.

Of als ze hierheen komen en ons gehoorzaam en volgzaam zijn, kunnen we ze klein houden volgens de regels van de staatskunst. Of we kunnen ze verleiden met mooie meisjes, zodat de prinses van Panchala zich aan hen ergert. Of laten we Radheya sturen om ze hierheen te halen, zodat we ze hier door vertrouwde handlangers op een van die manieren kunnen laten doden.

Probeer, vader, welk van die middelen u feilloos lijkt. De tijd dringt. Zolang ze nog niet vast op koning Drupada vertrouwen, kunnen we ze aan. Vertrouwen ze eenmaal op hem, dan falen we. Dat zijn mijn plannen om de Pandava's ten val te brengen. Oordeel zelf of ze goed zijn of slecht. Wat vind jij, Karna?'

'Ik geloof niet dat uw redenering deugt, Duryodhana,' zei Karna. 'Tegen de Pandava's slaagt geen enkel middel. U hebt al eerder met allerlei listen geprobeerd uw zin te krijgen, maar uw vijanden hebt u nooit kunnen doden. Toen woonden ze vlak bij u, toen waren ze nog jong en onvolgroeid, en toch kon u ze niets doen. Nu wonen ze ver weg en zijn ze volgroeid. Het lot zelf staat hun bij, en ze willen het koninkrijk van hun vader terug.

Verdeeldheid zaaien tussen hen is onmogelijk. Wie samen één vrouw hebben, raken nooit verdeeld. Ook Draupadi zullen onze spionnen niet van de Pandava's vervreemden. Ze koos hen tot man toen het hun slecht ging. Zou ze hen nu verlaten, nu het hun voor de wind gaat? Bovendien willen vrouwen altijd graag veel mannen, en Draupadi heeft wat ze wenste. Van de Pandava's is zij niet los te weken. De koning van Panchala is eerlijk en rechtvaardig, hij is niet hebzuchtig. Al boden we hem ons hele koninkrijk aan, hij zou de Pandava's niet in de steek laten. En de zoon van Drupada bezit alle gaven en is aan hen gehecht. Met listen bent u ze nu niet meer de baas.

Maar dit is wat goed voor ons is en wat we nu moeten doen: ze aanvallen en ze neerslaan tot ze zijn uitgeroeid. Kies die weg. Zolang onze partij sterk is en die van de koning van Panchala zwak, moet u ze zonder aarzelen treffen. Zolang hun ontelbare wagens en dieren, hun vrienden en bevriende stammen nog niet verzameld zijn, moet u uw heldenmoed tonen, zoon van Gandhari. Zolang de koning van Panchala en zijn sterke zonen er nog niet op uit zijn tegen ons te vechten, moet u uw heldenmoed tonen. En toon uw heldenmoed voordat Krishna uit het geslacht van de Vrishni's met het leger van de Yadava's in de stad van Drupada komt en alles voor zich uit drijft om de Pandava's weer op de troon van hun vader te zetten. Rijkdom, alles wat het leven aangenaam maakt, zijn koninkrijk: er is niets wat Krishna niet zou opofferen voor de Pandava's.

Bharata, de stamvader van uw geslacht, heeft de hele aarde alleen door zijn heldenmoed verworven. Indra heeft de heerschappij over de drie werelden alleen door zijn heldenmoed verworven. Kshatriya's prijzen altijd de heldenmoed; voor een dappere man gaat die boven alles. Laten we dan met ons grote leger van vier soorten, olifanten, wagens, ruiters en voetvolk, zonder tijd te verliezen Drupada vermorzelen en de Pandava's hierheen brengen. Met verzoening, met geld of geschenken, of door verdeeldheid zijn de Pandava's niet klein te krijgen. Versla ze met geweld, met uw heldenmoed, en heers dan over deze wijde aarde. Ik zie geen ander middel om ons doel te bereiken.'

Dhritarashtra prees Karna. 'Jij, zoon van een suta, bent wijs en bedreven in de wapens,' zei hij. 'Dit pleidooi voor de heldenmoed past bij je. Maar laten Bhishma en Drona en Vidura, en jullie tweeën, samen overleggen, en laten we dan het voorstel volgen dat ons het meeste goed doet.'

Waar Krishna is

Koning Dhritarashtra riep al die raadslieden bij zich en vroeg Bhishma als eerste om zijn mening. 'Een twist met de Pandava's zal ik nooit goedkeuren, Dhritarashtra,' zei Bhishma. 'Pandu was voor mij wat jij voor mij bent. De zonen van Gandhari en de zonen van Kunti zijn mij even lief, en de zonen van Kunti moet ik net zo beschermen als de jouwe. De Pandava's staan even dicht bij mij als bij prins Duryodhana of bij alle andere Kuru's. Daarom wil ik geen twist met hen. Sluit een verdrag met die helden en geef hun de helft van het land. Dit is het koninkrijk van hun vader.

En jij, Duryodhana: jij beschouwt dit koninkrijk als het erfdeel van je vader, maar de Pandava's beschouwen het net zo goed als het hunne. Als de zonen van Pandu het koninkrijk niet krijgen, hoe kan het dan van jou zijn, of van wie ook uit het geslacht van Bharata? Vind jij dat het koninkrijk je rechtmatig toekomt, dan kwam het hun volgens mij al vóór jou rechtmatig toe. Geef hun zonder ophef de helft van het koninkrijk. Dat is goed voor iedereen. Doe je het niet, dan treft het kwaad ons allemaal, en jij zelf zult te schande staan. Zorg voor je goede naam, Duryodhana. Een goede naam is de bron van iemands kracht. Men zegt dat wie zijn naam kwijt is, voor niets leeft. Een man sterft niet zolang zijn roem duurt: hij leeft zolang zijn roem leeft, en hij sterft als zijn roem verdwenen is. Volg het gebruik dat het geslacht van Kuru waardig is, zoon van Gandhari. Doe als je voorouders.

Wat een geluk dat de Pandava's niet zijn omgekomen. Wat een geluk dat Kunti leeft. Wat een geluk dat die ellendeling Purochana zijn doel niet heeft bereikt en zelf is omgekomen. Vanaf het ogenblik dat ik hoorde dat de zonen van de dochter van Kuntibhoja verbrand waren, kon ik geen levend wezen meer onder ogen komen. Wie hoort wat Kunti is overkomen, vindt jou schuldiger dan Purochana. Dat de zonen van Pandu levend uit die brand zijn ontsnapt en weer tevoorschijn zijn gekomen, neemt die slechte naam weer van je weg. Zolang die helden leven, kan zelfs Indra met zijn bliksem de Pandava's hun erfdeel niet afnemen. Ze zijn rechtvaardig en eensgezind, en hun gelijke deel van het koninkrijk wordt hun ten onrechte onthouden. Als je rechtvaardig wilt handelen, als je wilt doen wat ik graag wil, als je het welzijn van iedereen zoekt, geef hun dan de helft van het koninkrijk.'

Na Bhishma nam Drona het woord. 'Koning Dhritarashtra, we hebben altijd gehoord dat vrienden die om raad gevraagd worden, moeten zeggen wat juist is, wat waar is en wat roem brengt. Ik denk hierover net als Bhishma. Laat de Pandava's een deel van het koninkrijk krijgen. Dat is de eeuwige dharma. Stuur zonder tijd te verliezen een bode naar Drupada, iemand die mooi kan spreken. Laat hij Drupada en Dhrishtadyumna keer op keer vertellen hoe uw macht en uw aanzien door dit nieuwe verbond gegroeid zijn, dat u en Duryodhana zich verheugen over wat er gebeurd is, en dat het verbond passend is, dat het u welkom is en dat u het waardig bent. Laat hij ook de zonen van Kunti en van Madri met de juiste woorden voor zich innemen. Geef hem een grote schat mee voor de Pandava's, kostbare geschenken voor de bruidegoms en de bruid, veel sieraden van zuiver goud voor Draupadi en passende geschenken voor alle zonen van Drupada. Laat de bode dan voorstellen dat de Pandava's naar Hastinapura terugkeren. Als Drupada de helden toestemming geeft hierheen te komen, laat Duhshasana en Vikarna, twee van uw zonen, hen dan met een mooie stoet tegemoet gaan. Ontvang ze hier met genegenheid, en zet ze op de troon van hun vader, zoals het volk van het rijk het wil. Zo moet u zich volgens mij gedragen tegenover de Pandava's, die voor u als uw eigen zonen zijn.'

Toen Drona zweeg, nam Karna het woord. 'Bhishma en Drona zijn met uw rijkdom en uw gunsten verwend, koning,' zei hij. 'U beschouwt ze altijd als uw vertrouwde vrienden. Wat kan er dan vermakelijker zijn dan dat ze u allebei raad geven die niet in uw belang is? Hoe kunnen wijzen raad goedkeuren die als goed wordt voorgesteld door iemand die kwade bedoelingen heeft en de slechtheid van zijn hart zorgvuldig verbergt? In tijden van nood kunnen vrienden niemand goed of kwaad doen. Hoe het iemand vergaat, hangt af van het lot. De wijze en de dwaas, de jonge en de oude, wie bondgenoten heeft en wie er geen heeft: het gaat iedereen, dat ziet men overal, nu eens goed en dan weer slecht.

We hebben gehoord dat er vroeger een koning was die Ambuvicha heette. Hij had zijn hoofdstad in Rajagriha en was koning over alle vorsten van Magadha. Hij bekommerde zich nooit om zijn zaken; zijn enige inspanning was ademhalen. Al zijn zaken lagen in handen van zijn minister, die Mahakarni heette, en Mahakarni werd de hoogste macht in de staat. Hij vond zichzelf almachtig en begon de koning te minachten. De ellendeling eigende zich alles toe wat van de koning was: zijn koninginnen, zijn schatten en zijn heerschappij. Maar dat alles stilde zijn hebzucht niet; het maakte haar alleen nog heviger. Toen hij dat allemaal had, begeerde hij zelfs de troon. En we hebben gehoord dat hij, hoe hij zijn best ook deed, het koninkrijk van zijn heer niet kon krijgen, al bekommerde die koning zich niet om zijn zaken en was hij tevreden met ademhalen. Wat kan men anders zeggen, koning, dan dat de heerschappij van die vorst van het lot afhing?

Als dit koninkrijk door het lot aan u gegeven is, dan blijft het van u, al wordt de hele wereld uw vijand. Maar als het lot het anders heeft beschikt, dan blijft het niet van u, hoe u zich ook inspant. Denk daaraan, wijze koning, en oordeel dan of uw raadslieden eerlijk zijn of niet. Ga ook na wie van hen slecht is en wie wijs en goed heeft gesproken.'

Drona keerde zich naar Karna. 'Dat zeg je omdat je slecht bent. Je kwade bedoelingen zijn duidelijk genoeg. Om de Pandava's kwaad te doen, zoek je fouten bij ons. Maar wat ik gezegd heb, Karna, is voor het welzijn van iedereen en voor de bloei van het geslacht van Kuru. Als jij dat allemaal verderfelijk vindt, zeg dan zelf wat goed voor ons is. Wordt mijn goede raad niet opgevolgd, dan zijn de Kuru's volgens mij in korte tijd uitgeroeid.'

Vidura was de laatste. 'Koning, uw vrienden zeggen u wat goed voor u is. Maar omdat u niet wilt luisteren, komen hun woorden nauwelijks bij u binnen. Wat Bhishma, de zoon van Shantanu, gezegd heeft, is voortreffelijk en in uw belang, maar u luistert er niet naar. Ook de leraar Drona heeft u veel goede raad gegeven, al vindt Karna, de zoon van Radha, van niet. Ik heb er diep over nagedacht, koning, en ik ken niemand die u een betere vriend is dan deze twee, en niemand die hen in wijsheid overtreft. Ze zijn allebei oud in jaren, in wijsheid en in kennis, en ze kijken met dezelfde ogen naar u en naar de zonen van Pandu. In dharma en waarheid doen ze niet onder voor Rama, de zoon van Dasharatha, of voor Gaya, een koning uit de oude tijd. Nooit eerder hebben ze u slechte raad gegeven, en u hebt hun nooit kwaad gedaan. Waarom zouden deze mannen, die altijd de waarheid spreken, u dan slechte raad geven? Ze kennen alle regels van de dharma, en ik ben ervan overtuigd dat ze zich nooit door rijkdom laten verleiden om partij te kiezen. Wat zij gezegd hebben, is goed voor u.

De Pandava's zijn even goed uw zonen als Duryodhana en de anderen. Raadslieden die u iets aanraden wat de Pandava's schaadt, hebben uw belang niet voor ogen. En als uw hart een voorkeur heeft voor uw eigen kinderen, dan doet wie die voorkeur met zijn raad aanwakkert, u geen goed.

Wat deze twee hebben gezegd over de onoverwinnelijkheid van de Pandava's, is volkomen waar. Denk er niet anders over. Kan de mooie Arjuna, de zoon van Pandu, die met zijn linker- en zijn rechterhand even snel schiet, in de strijd verslagen worden, zelfs door Indra? Kan Bhima met zijn sterke armen, die de kracht van tienduizend olifanten heeft, door de onsterfelijken zelf verslagen worden? Welke man die aan zijn leven hecht, kan de tweeling Nakula en Sahadeva verslaan, zo bedreven als ze zijn in de strijd? En hoe kan de oudste van de Pandava's verslagen worden, in wie geduld, mededogen, vergevingsgezindheid, waarheid en heldenmoed altijd samenwonen? Wie Balarama, de oudere broer van Krishna, tot bondgenoot heeft, Krishna tot raadsman en Satyaki uit het geslacht van de Vrishni's tot aanhanger, heeft in de oorlog al iedereen verslagen. Wie Drupada tot schoonvader heeft, en de zonen van Drupada, de heldhaftige broers Dhrishtadyumna en de anderen uit het geslacht van Prishata, tot zwagers, is onoverwinnelijk. Houd dat voor ogen, koning, en ook dat hun recht op het koninkrijk ouder is dan het uwe. Gedraag u rechtvaardig tegenover hen.

Er kleeft een smet van laster aan u, koning, door wat Purochana heeft gedaan. Was die nu af door vriendelijk te zijn voor de Pandava's. Die vriendelijkheid beschermt het leven van ons allen die tot het geslacht van Kuru behoren, en de hele stand van de kshatriya's zal erdoor groeien. We hebben vroeger oorlog gevoerd met koning Drupada. Als we hem nu tot bondgenoot kunnen maken, wordt onze partij sterker. De Dasharha's, het volk van Krishna, zijn talrijk en sterk. Waar Krishna is, daar zullen zij allemaal zijn, en waar Krishna is, daar is de overwinning. Wie zou, tenzij de goden hem vervloekt hebben, met oorlog willen bereiken wat met verzoening bereikt kan worden?

Nu de burgers en de andere onderdanen van het rijk gehoord hebben dat de zonen van Pritha leven, zijn ze blij en verlangen ze ernaar hen te zien. Doe wat zij graag willen, koning. Duryodhana, Karna en Shakuni, de zoon van Subala, zijn slecht, dwaas en jong. Luister niet naar hen. U bezit alle goede eigenschappen. Lang geleden heb ik u al gezegd dat de onderdanen van dit rijk door de schuld van Duryodhana zullen worden uitgeroeid.'

'De wijze Bhishma, de zoon van Shantanu, en de rishi Drona, en jij ook, Vidura, hebben de waarheid gezegd,' zei Dhritarashtra, 'en wat voor mij het beste is. De heldhaftige zonen van Kunti zijn de kinderen van Pandu, maar naar de dharma zijn ze ook mijn kinderen. En de zonen van Pandu hebben net zo goed recht op dit koninkrijk als mijn eigen zonen. Ga snel en haal de Pandava's met hun moeder hierheen, en behandel hen met genegenheid en zorg. Breng ook Draupadi mee, met haar schoonheid als van een godin. Wat een geluk dat de zonen van Pritha leven. Wat een geluk dat die grote wagenstrijders de dochter van Drupada hebben gekregen. Wat een geluk dat onze kracht is gegroeid, en wat een geluk dat Purochana is omgekomen. Wat een geluk: mijn grote verdriet is voorbij.'

Op bevel van Dhritarashtra ging Vidura naar Yajnasena, zoals Drupada ook heet, en naar de Pandava's. Hij nam veel edelstenen en allerlei rijkdom mee voor Draupadi, voor de Pandava's en voor Drupada zelf. Drupada ontving hem in zijn paleis met alle eerbewijzen, en ze vroegen elkaar hoe het ging. Daar zag Vidura de Pandava's en Krishna. Hij omarmde hen, en zij betoonden hem een voor een hun eerbied. Daarna gaf hij de Pandava's, Kunti en Draupadi, Drupada en zijn zonen wat de Kaurava's hem hadden meegegeven. Toen richtte hij zich, waar de Pandava's en Krishna bij waren, tot Drupada.

'Luister naar mij, koning, met uw ministers en uw zonen. Koning Dhritarashtra heeft, met zijn ministers, zijn zonen en zijn vrienden, keer op keer gevraagd hoe het met u gaat, en hij is ingenomen met dit verbond. Ook de wijze Bhishma, de zoon van Shantanu, en alle Kuru's vragen hoe het u in alles gaat. En Drona, de zoon van Bharadvaja, uw dierbare vriend, omarmt u in gedachten en vraagt hoe u het maakt. Dhritarashtra en alle Kuru's zijn door dit verbond met u blijer dan een nieuw veroverd koninkrijk hen had kunnen maken. Nu u dat weet, koning, sta de Pandava's toe het koninkrijk van hun voorouders terug te zien. De Kuru's verlangen hevig naar de zonen van Pandu. Die zijn lang weggeweest, en de prinsen en Pritha moeten er zelf ook naar verlangen hun stad terug te zien. En alle vrouwen van de Kuru's, de burgers en onze onderdanen kijken ernaar uit Draupadi, de prinses van Panchala, te zien. Daarom denk ik dat u de Pandava's zonder uitstel met hun vrouw moet laten gaan. Als ze uw toestemming hebben, zal ik Dhritarashtra met snelle boden bericht sturen. Dan gaan de Pandava's met Kunti en Draupadi op weg.'

Indraprastha

'Het is zoals u zegt, wijze Vidura,' zei Drupada. 'Ook ik verheug me over dit verbond. Het is volkomen juist dat deze prinsen naar het koninkrijk van hun voorouders terugkeren. Maar het past mij niet dat zelf te zeggen. Als de dappere zoon van Kunti, Yudhishthira, als Bhima en Arjuna en de tweeling zelf willen gaan, en als Balarama en Krishna, die allebei alle regels van de dharma kennen, het met hen eens zijn, laat de Pandava's dan gaan. Die twee doen altijd wat de zonen van Pandu aangenaam is en goed doet.'

Yudhishthira legde de beslissing bij hem terug. 'Koning, mijn jongere broers en ik zijn nu van u afhankelijk. Wat u ons beveelt, doen we graag.'

Krishna vond dat de Pandava's moesten gaan. 'Maar we moeten ons allemaal houden aan het oordeel van koning Drupada,' zei hij, 'want hij kent alle regels van de dharma.'

'Nu de zaken zo staan, ben ik het met Krishna eens,' zei Drupada. 'De zonen van Pandu zijn voor mij wat ze voor hem zijn, en zelfs Yudhishthira, de zoon van Kunti, zoekt hun welzijn niet zo vurig als Krishna.'

Op bevel van Drupada gingen de Pandava's op weg naar de stad Hastinapura, samen met Krishna en Vidura, met Draupadi en met Kunti. Onderweg hielden ze vaak halt om te rusten en te genieten. Koning Dhritarashtra hoorde dat de helden de hoofdstad naderden, en hij stuurde Kaurava's uit om hen te ontvangen: Vikarna met zijn grote boog en Chitrasena, twee van zijn zonen, en Drona en Kripa, de leraren van de prinsen. Met hen om zich heen trokken de helden langzaam Hastinapura binnen. De hele stad straalde van de vrolijke menigte die uit nieuwsgierigheid was uitgelopen. In de straten hoorden de Pandava's wat de burgers hun luid toeriepen.

'Daar komt hij terug, die alle regels van de dharma kent en die ons altijd beschermt alsof we zijn naaste verwanten zijn!' riepen sommigen.

Elders zeiden ze: 'Het lijkt wel of koning Pandu, van wie het volk hield, vandaag terugkomt uit het woud, om te doen wat wij graag willen.'

En weer anderen zeiden: 'Wat voor goeds overkomt ons vandaag niet, nu de heldhaftige zonen van Kunti terugkomen in onze stad! Als we ooit iets hebben weggegeven, als we ooit geklaarde boter in het vuur hebben gegoten, als we enige verdienste door ascese hebben, laten de Pandava's dan door de kracht van dat alles honderd jaar in de stad blijven.'

Toen ze bij het paleis kwamen, raakten de Pandava's eerbiedig de voeten aan van Dhritarashtra en van Bhishma, en van ieder ander aan wie die eer toekwam. Ze vroegen alle burgers die er waren hoe het met hen ging. Op bevel van Dhritarashtra gingen ze daarna naar de vertrekken die voor hen waren ingericht. Ze rustten er een tijd uit, en toen riepen koning Dhritarashtra en Bhishma, de zoon van Shantanu, hen aan het hof.

'Luister met je broers naar wat ik zeg, zoon van Kunti,' zei Dhritarashtra tegen Yudhishthira. 'Ga naar Khandavaprastha, zodat er tussen jullie en je neven geen onenigheid meer ontstaat. Als jullie je daar vestigen, zal niemand jullie kwaad kunnen doen. Woon in Khandavaprastha, onder de bescherming van Arjuna, en neem de helft van het koninkrijk.'

De Pandava's stemden in met wat Dhritarashtra zei, bogen voor de koning en vertrokken uit Hastinapura. Tevreden met de helft van het koninkrijk trokken ze naar Khandavaprastha, een woeste streek die nooit was ontgonnen. Met Krishna aan hun hoofd bereikten de helden de streek, en ze maakten haar mooi. Met de hulp van de rishi Vyasa, hun grootvader, kozen ze een heilige en gunstige plek. Ze voerden er riten uit om onheil af te weren en de goden welgezind te maken, en ze maten er de grond af voor hun stad.

De stad kreeg een brede gracht en witte muren die tot hoog in de lucht reikten, en veel poorten met zware deuren en hoge poortgebouwen. Op de muren lagen zoveel wapens klaar dat vijanden er met hun werpwapens niets tegen konden uitrichten. In de torens hielden gewapende mannen zich in oefening, en over de hele lengte van de muren waren krijgers opgesteld. Op de borstweringen stonden duizenden scherpe haken en shataghni's, werptuigen die honderd man tegelijk doden, en nog andere machines, en ook grote ijzeren wielen. De straten waren breed en goed aangelegd, en niemand hoefde er bang te zijn voor ongelukken. Met al haar prachtige huizen was de stad een tweede Amaravati, de stad van Indra, en daarom kreeg ze de naam Indraprastha, naar Indra. Op een mooie, gunstig gelegen plek in de stad verrees het paleis van de Pandava's, vol rijkdom van elke soort.

Toen de stad gebouwd was, kwamen er veel brahmanen die alle Veda's kenden en alle talen spraken, en die er wilden wonen. Er kwamen kooplieden uit alle windstreken, in de hoop er rijk te worden. En er kwamen veel mensen die bedreven waren in allerlei ambachten, om zich er te vestigen. Rond de stad werden prachtige tuinen aangelegd, met mango's, ashoka's, champaka's en nog veel meer bomen, die vol bloemen en vruchten hingen en vol vogels van allerlei soort zaten. In die groene bosjes klonk de roep van de pauwen in hun bronst en het lied van de kokila's, de vogels met de zoetste stem van het woud. Er waren lusthuizen, prieëlen van klimplanten en aangelegde heuvels, meren die tot de rand vol helder water stonden, vijvers die geurden van lotussen en lelies, met ganzen en eenden erop, en nog meer mooie vijvers en poelen.

Dankzij het rechtvaardige gedrag van Bhishma en koning Dhritarashtra tegenover hen woonden de Pandava's nu in Khandavaprastha, in een groot koninkrijk vol vrome mensen. Met die vijf strijders leek de stad op Bhogavati, de hoofdstad van de naga's onder de aarde, met al haar naga's. Toen Krishna de Pandava's daar had gevestigd, nam hij afscheid van hen en keerde met Balarama terug naar Dvaraka, de stad van de Yadava's.

Deel 2 · De leerjaren

  1. Boek I · De rivalen
  2. 1De ring in de put
  3. 2Het toernooi
  4. 3Het huis van lak
  5. 4De grasspriet
  6. Boek II · Draupadi
  7. 5De dochter uit het vuur
  8. 6De huispriester
  9. 7Het schot
  10. 8Vijf Indra's
  11. Boek III · Indraprastha
  12. 9Waar Krishna is
    1. Het geluk van de Kuru's
    2. Waar Krishna is
    3. Indraprastha
  13. 10Tilottama
  14. 11De ontvoering
  15. 12Gandiva
  16. 13De brand

Alles in deel 2 · Alle delen