Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk elf

De ontvoering

Ulupi

Boek 2 · De leerjaren · Deel III, Indraprastha · 24 min. lezen

Toen Arjuna naar het woud vertrok, liepen brahmanen die de Veda kenden nog een eind met hem mee. Anderen gingen met hem op reis: brahmanen die de Veda en alle kennis die erbij hoort beheersten en over het Zelf nadachten, musici, asceten die zich aan een god hadden gewijd, voordragers van de purana's, de oude overleveringen, vertellers van heilige verhalen, mannen die in onthouding leefden, woudbewoners, brahmanen die met een mooie stem de verhalen van de goden voordroegen, en vele anderen die goed konden spreken. Arjuna reisde zoals Indra reist wanneer de Maruts, de stormgoden, hem volgen. Onderweg zag hij lieflijke wouden en meren, rivieren en zeeën, landstreken en wateren. Ten slotte kwam hij bij de plek waar de Ganga uit de bergen de vlakte bereikt, en daar besloot hij te blijven.

Zolang hij daar met de brahmanen woonde die hem gevolgd waren, brachten zij ontelbare keren het agnihotra, het offer in het heilige vuur. Het waren geleerde mannen die zich strikt aan hun geloften hielden. Elke dag na hun bad staken ze aan de oever van de heilige rivier met mantra's hun offervuren aan, goten er geklaarde boter in en eerden de vuren met bloemen, en door al die vuren zag die plek aan de Ganga er prachtig uit.

Daar overkwam Arjuna iets wonderlijks. Op een dag daalde hij zoals altijd af in de Ganga om te baden. Toen hij gebaad had en water had geofferd aan zijn voorouders, wilde hij uit de stroom komen om zijn offer bij het vuur te brengen. Maar op dat ogenblik trok Ulupi hem naar de bodem van het water. Ze was de dochter van een koning van de naga's, het slangenvolk, en Kama, de god van de liefde, had haar het hoofd op hol gebracht. Arjuna werd meegevoerd naar het prachtige paleis van Kauravya, haar vader. Daar zag hij een offervuur dat voor hem was aangestoken, en hij bracht er met toewijding zijn offer. Agni, de god van het vuur, was hem goedgezind, omdat hij de offerboter zonder angst in de zichtbare gedaante van de god had gegoten.

Na zijn riten keek hij de dochter van Kauravya lachend aan. 'Wat een roekeloze daad, mooi schuchter meisje!' zei hij. 'Van wie is dit prachtige land? Wie ben je, en wiens dochter?'

'Er is een naga die Kauravya heet, uit het geslacht van de naga Airavata,' zei Ulupi. 'Ik ben zijn dochter, prins, en mijn naam is Ulupi. Toen ik zag hoe je de stroom in liep om te baden, nam Kama me mijn verstand af. Ik ben nog niet getrouwd, en hij kwelt me om jou. Geef je vandaag aan me en maak me gelukkig.'

'Op bevel van koning Yudhishthira leef ik twaalf jaar als brahmacharin, in onthouding,' zei Arjuna. 'Ik ben niet vrij om te doen wat ik wil. Toch zou ik graag doen wat je vraagt, als het kan. Ik heb in mijn leven nog nooit iets gezegd wat niet waar was. Zeg me, naga-meisje, hoe ik je je zin kan geven zonder dat mijn woord onwaar wordt en zonder de dharma te schenden.'

'Ik weet waarom je over de aarde zwerft, en waarom je oudste broer je bevolen heeft als brahmacharin te leven. Jullie hadden het zo afgesproken: jullie vijf hebben de dochter van Drupada samen als vrouw, en wie van jullie uit onwetendheid de kamer binnengaat waar een ander met haar zit, moet twaalf jaar als brahmacharin in het woud leven. Je ballingschap geldt alleen Draupadi. Je volgt de plicht die uit die afspraak voortkomt, en je dharma lijdt geen schade als je op mijn verzoek ingaat. Bovendien is het een plicht om wie in nood is te helpen. En al zou je dharma een kleine schade lijden, Arjuna, dan verwerf je toch grote verdienste door mijn leven te redden.'

'Ik ben je toegewijd,' zei ze. 'Geef je aan me. Zo denken ook de wijzen erover: een vrouw die om je liefde vraagt, wijs je niet af. Doe je het niet, dan maak ik een eind aan mijn leven. Ik zoek mijn toevlucht bij jou. Jij beschermt altijd wie in nood is en wie niemand heeft, en huilend van verdriet vraag ik je bescherming. Ik verlang naar je. Geef je aan me.'

Arjuna deed alles wat Ulupi verlangde, en hij deed het met de dharma als beweegreden. Hij bracht de nacht door in het paleis van de naga, en met de zon stond hij op. Samen met Ulupi keerde hij uit het paleis van Kauravya terug naar de plek waar de Ganga de vlakte bereikt. Daar nam Ulupi afscheid om naar haar eigen huis terug te gaan. Maar eerst gaf ze Arjuna een gunst: in het water zou niemand hem kunnen overwinnen. 'Elk wezen dat in het water leeft,' zei ze, 'zul je verslaan.'

Manipura

Arjuna, de zoon van Indra, vertelde de brahmanen die daar bij hem woonden alles wat er gebeurd was, en trok daarna naar de hellingen van de Himalaya. Van de plek die Agastyavata heet ging hij naar de top van Vasishtha en de top van Bhrigu. Daar reinigde hij zich met baden en riten, en hij gaf de brahmanen duizenden koeien en huizen. Verder trok hij naar de heilige hermitage Hiranyabindu, waar hij baadde en de heilige plaatsen in de omtrek zag. Met de brahmanen daalde hij van die hoogten af naar het oosten, want hij wilde de streken zien die daar lagen: het woud van Naimisha, de beroemde Kaushiki, de grote rivieren Gaya en Ganga, en de ene tirtha na de andere, de heilige badplaatsen waar pelgrims naartoe trekken. Overal reinigde hij zich met de gebruikelijke riten en gaf hij de brahmanen koeien, en in Anga, Vanga en Kalinga bezocht hij alle tirtha's en heiligdommen en gaf hij veel weg. Bij de poort van het koninkrijk Kalinga namen de brahmanen die hem gevolgd waren afscheid; verder gingen ze niet mee.

Met hun toestemming ging Arjuna met nog maar een paar dienaren naar de zee. Hij trok door het land van de Kalinga's, langs allerlei landen en heilige plekken en mooie huizen, zag de berg Mahendra, waar asceten woonden, en volgde langzaam de kust tot Manipura. Toen hij de heilige wateren en plaatsen van die streek gezien had, ging hij ten slotte naar Chitravahana, de koning van Manipura, die naar de dharma leefde.

De koning had een dochter van grote schoonheid die Chitrangada heette. Ze droeg dezelfde naam als de zoon van Shantanu en Satyavati, de oudere broer van Vichitravirya, die lang geleden door een gandharva was gedood, maar met die prins had ze niets gemeen dan de naam. Arjuna zag haar in het paleis van haar vader, waar ze vrij rondliep, en hij begeerde haar. Hij ging naar de koning en zei wat hij wilde.

'Geef me uw dochter, koning. Ik ben de zoon van een beroemde kshatriya.'

'Wiens zoon ben je?' vroeg de koning.

'Ik ben Arjuna, de zoon van Pandu en Kunti.'

Chitravahana antwoordde hem vriendelijk. 'In ons geslacht was er eens een koning die Prabhanjana heette, en hij had geen kinderen. Om een kind te krijgen stemde hij met een strenge ascese Shiva gunstig, de man van Uma, die de boog Pinaka draagt. En de god gaf hem de gunst dat ieder van zijn nakomelingen één kind zou krijgen. Daarom wordt in ons huis in elke generatie maar één kind geboren. Al mijn voorvaders, de een na de ander, hadden elk een zoon. Maar ik heb alleen een dochter om mijn geslacht voort te zetten. Toch beschouw ik haar altijd als mijn zoon. Ik heb haar volgens de regels tot putrika gemaakt, een dochter die voor haar vader als zoon geldt. Een van de zonen die je bij haar verwekt, zal mijn geslacht voortzetten. Die zoon is de bruidsprijs waarvoor ik je mijn dochter geef. Als je wilt, zoon van Pandu, kun je haar op die voorwaarde krijgen.'

'Goed,' zei Arjuna.

Hij nam de dochter van Chitravahana tot vrouw en bleef drie jaar in die stad. Toen Chitrangada ten slotte een zoon baarde, omhelsde Arjuna de mooie prinses teder. Hij nam afscheid van de koning, haar vader, en ging weer op weg.

De krokodillen

Daarna ging Arjuna naar de heilige wateren aan de oever van de zuidelijke oceaan, waar veel asceten woonden. Er lagen daar vijf tirtha's, maar juist die vijf wateren meden alle asceten. Ze heetten Agastya, Saubhadra, Pauloma, dat bijzonder heilig was, Karandhama, dat veel heil bracht en wie er baadde de vrucht van een paardenoffer gaf, en Bharadvaja, dat alle kwaad afwaste. Arjuna zag dat er bij die vijf wateren niemand was. Met gevouwen handen vroeg hij de asceten uit de omgeving: 'U kent de Veda. Waarom blijft u weg bij deze vijf heilige wateren?'

'In deze wateren leven vijf grote krokodillen,' antwoordden ze, 'en die sleuren iedere asceet mee die er toevallig in baadt. Daarom gaan we er niet heen.'

Ze probeerden hem tegen te houden, maar Arjuna ging toch naar die wateren kijken. Hij kwam bij het water dat naar de grote rishi Saubhadra heet, en plotseling dook hij erin om te baden. Nauwelijks was hij in het water of een grote krokodil die daar leefde greep hem bij zijn been. Maar Arjuna pakte het spartelende dier vast en sleepte het met zijn enorme kracht naar de oever. En op het land werd de krokodil een mooie vrouw, getooid met sieraden. Ze had een hemelse gestalte, en haar schoonheid en haar huid straalden.

'Wie ben je, mooie vrouw?' vroeg Arjuna. 'Waarom leefde je als een dier in het water? En waarom heb je zulk kwaad gedaan?'

'Ik ben een apsara, een danseres uit de hemel van de goden,' zei ze. 'In hun wouden speelde ik. Ik heet Varga, en Kubera, de schatbewaarder van de goden, heeft me altijd liefgehad. Ik heb vier vriendinnen, allemaal mooi en in staat te gaan waarheen ze willen. Op een dag waren we samen op weg naar het huis van Kubera. Onderweg zagen we een brahmaan die zich aan strenge geloften hield. Hij was buitengewoon mooi, en hij zat in afzondering de Veda te bestuderen. Het hele woud leek bedekt met de glans van zijn ascese, en de streek lichtte ervan op. Toen we zijn ascese en zijn wonderlijke schoonheid zagen, daalden we daar neer om zijn verzonkenheid te verstoren, ik en Saurabheyi en Samichi en Budbuda en Lata, alle vijf tegelijk. We begonnen te zingen en te lachen en hem op allerlei manieren te verleiden. Maar de jonge brahmaan richtte zijn hart geen ogenblik op ons. Hij hield zijn geest op zuivere verzonkenheid gericht, en met zijn grote kracht bleef hij onwankelbaar. Hij keek ons alleen aan, en het was een blik vol woede. "Word krokodillen," zei hij, "en zwerf honderd jaar door de wateren."'

Arjuna luisterde, en de apsara ging verder.

'We schrokken van die vloek. We probeerden hem gunstig te stemmen, die brahmaan die zo rijk was aan ascese en nooit van zijn gelofte afweek. "We waren trots op onze schoonheid en onze jeugd," zeiden we, "en de liefdesgod dreef ons. We hebben ons schandelijk gedragen. Vergeef ons, brahmaan. Het was onze dood dat we hierheen kwamen om u te verleiden, u met uw strenge geloften en uw ascese. Maar de rechtvaardigen hebben gezegd dat men vrouwen nooit mag doden. Laat uw dharma groeien, en dood ons niet zo. U kent de dharma, en er wordt gezegd dat een brahmaan altijd de vriend is van ieder schepsel. Laat dat woord van de wijzen waar zijn. Wie groot is, beschermt altijd wie bij hem bescherming zoekt. Wij zoeken uw bescherming. Vergeef ons."

Hij was een rechtvaardig man, en hij werd ons goedgezind. "De woorden honderd en honderdduizend," zei hij, "betekenen allebei eeuwig. Maar het woord honderd, zoals ik het gebruikt heb, moet je verstaan als een begrensde tijd, niet als een tijd zonder einde. Als krokodillen zullen jullie mensen grijpen en meesleuren, maar alleen honderd jaar. Als die tijd voorbij is, zal een verheven man jullie allemaal uit het water aan land slepen. Dan krijgen jullie je eigen gestalte terug. Ik heb nog nooit iets onwaars gezegd, zelfs niet voor de grap. Daarom zal alles wat ik gezegd heb, gebeuren. En als die man jullie bevrijd heeft, zullen deze heilige wateren over de hele wereld bekend worden als de Nari-tirtha's, de tirtha's van de vrouwen, en in de ogen van de rechtvaardigen en de wijzen zullen ze allemaal heilig zijn en alle kwaad afwassen."

We groetten de brahmaan eerbiedig en liepen om hem heen. Met een zwaar hart gingen we weg van die plek, en onderweg vroegen we ons af: "Waar zullen we die man vinden die ons onze eigen gestalte teruggeeft?" Terwijl we daarover nadachten, zagen we al na een ogenblik Narada, de rishi van de goden, een man met onmetelijke kracht. We bogen eerbiedig en bleven met blozende gezichten voor hem staan. Hij vroeg waarom we zo bedroefd waren, en we vertelden hem alles. "In de laaglanden aan de zuidelijke oceaan liggen vijf heilige wateren," zei de rishi. "Ze zijn lieflijk en uitzonderlijk heilig. Ga er meteen heen. Arjuna, de zoon van Pandu, die zuiver van hart is, zal jullie snel uit deze ellende bevrijden." Op zijn woord zijn we allemaal hierheen gekomen. Vandaag hebt u mij bevrijd. Maar mijn vier vriendinnen zijn nog in de andere wateren hier. Doe een goede daad en bevrijd ook hen.'

Arjuna bevrijdde ze graag alle vier van die vloek. Ze kwamen uit het water en kregen hun eigen gestalte terug, en de apsara's zagen eruit als vroeger. Arjuna had die heilige wateren bevrijd van het gevaar waarom ze berucht waren, en hij liet de apsara's gaan waarheen ze wilden.

Daarna verlangde hij ernaar Chitrangada terug te zien, en hij ging opnieuw naar de stad Manipura. Daar zag hij de zoon die hij bij Chitrangada had verwekt, Babhruvahana, die later koning van Manipura zou worden. Hij zag Chitrangada terug, en toen trok hij verder, naar de heilige plaats Gokarna.

Raivataka

Daarna bezocht Arjuna een voor een alle tirtha's en heilige plaatsen aan de kust van de westelijke oceaan, tot hij bij Prabhasa kwam. Krishna hoorde dat Arjuna in die heilige en lieflijke streek was aangekomen, en hij ging er meteen heen om zijn vriend te zien. Krishna en Arjuna omhelsden elkaar, vroegen hoe het met de ander ging en gingen samen zitten. Die twee vrienden waren niemand anders dan Nara en Narayana, de twee goddelijke rishi's van oudsher: Narayana, die Vishnu zelf is, en Nara, de rishi die altijd aan zijn zijde staat.

'Waarom zwerf je over de aarde, Arjuna,' vroeg Krishna, 'langs alle heilige wateren en heilige plaatsen?'

Arjuna vertelde hem alles wat er gebeurd was. 'Dat is zoals het moet,' zei Krishna.

Een tijd lang bleven Krishna en Arjuna in Prabhasa en deden ze waar ze zin in hadden, en daarna gingen ze naar de berg Raivataka om er enkele dagen door te brengen. Nog voor ze er aankwamen, hadden handwerkslieden de berg op bevel van Krishna prachtig versierd, en er was ook veel eten bijeengebracht. Arjuna genoot van alles wat daar voor hem klaarlag, en met Krishna keek hij naar de voorstellingen van de toneelspelers en de dansers. Daarna liet hij hen allemaal met de nodige eer gaan en legde hij zich neer op een rijk opgemaakt bed. Daar lag hij, en hij vertelde Krishna over alle heilige wateren, de meren en de bergen, de rivieren en de wouden die hij gezien had, tot midden in zijn verhaal de slaap hem overviel.

's Morgens werd hij gewekt door zoete zang, door de klanken van de vina, de luit, en door de lofliederen en heilwensen van de barden. Toen hij de ochtendriten had verricht, begroette Krishna hem hartelijk, en in een gouden wagen reed Arjuna naar Dvaraka, de hoofdstad van de Yadava's. Om Arjuna te eren was de hele stad versierd, tot alle tuinen en huizen toe. De burgers wilden de zoon van Kunti zien, en ze stroomden bij honderdduizenden gretig de straten op. Op de pleinen en in de straten mengden honderden en duizenden vrouwen zich onder de mannen, in de grote menigte van de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's, de stammen van de Yadava's, die daar was samengekomen.

Alle zonen van de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's ontvingen Arjuna met eerbied. Hij eerde op zijn beurt wie eer verdiende en ontving hun heilwensen. Alle jonge mannen van de Yadava's heetten hem met genegenheid welkom, en wie even oud was als hij, omhelsde hij keer op keer. Daarna ging hij naar het schitterende huis van Krishna, vol edelstenen en alles wat een mens kan wensen, en daar bleef hij vele dagen bij Krishna wonen.

De ontvoering

Een paar dagen later begon op de berg Raivataka een groot feest van de Vrishni's en de Andhaka's. Op dat bergfeest gaven de helden van de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's de brahmanen bij duizenden hun rijkdom. Rond de berg stonden huizen vol edelstenen en kunstbomen in bonte kleuren. De muzikanten speelden samen, de dansers dansten en de zangers zongen. De jonge mannen van de Vrishni's reden in hun wagens vol goud, met al hun sieraden om, en ze zagen er prachtig uit. De burgers kwamen er met honderden en duizenden, te voet of in mooie wagens, met hun vrouwen en hun gevolg.

Balarama, de oudere broer van Krishna, zwierf er rond zoals hij wilde, vrolijk van de drank, met zijn vrouw Revati, en achter hem aan kwamen muzikanten en zangers. Ook Ugrasena, de machtige koning van de Vrishni's, was er, met zijn duizend vrouwen en zangers met mooie stemmen. Pradyumna, de zoon van Rukmini, en Shamba, altijd woest in de strijd, liepen opgewonden van de drank rond, met prachtige bloemenkransen en in kostbare kleren. En Akrura, Sarana, Gada, Satyaki, Kritavarman, Uddhava en vele anderen maakten het bergfeest met hun vrouwen en hun groepen zangers nog mooier.

Terwijl het feest in volle gang was, liepen Krishna en Arjuna samen rond en keken naar alles. Onderweg zagen ze de mooie dochter van Vasudeva, de vader van Krishna, getooid met alle sieraden, te midden van haar dienaressen. Zodra Arjuna haar zag, greep Kama hem. Krishna merkte hoe Arjuna haar in gedachten verzonken aankeek.

'Wat is dit?' zei hij. 'Kan het hart van iemand die door de wouden zwerft, door Kama in beroering raken? Dit is mijn zuster, Arjuna, Sarana's zuster van dezelfde moeder. Ze heet Subhadra, en ze is de lievelingsdochter van mijn vader. Zeg me of je hart op haar gericht is, dan spreek ik zelf met mijn vader.'

'Ze is de dochter van Vasudeva en jouw zuster, en zo mooi,' zei Arjuna. 'Wie zou ze niet in haar ban brengen? Als deze zuster van jou, dit meisje uit het geslacht van de Vrishni's, mijn vrouw wordt, dan zal het me in alles goed gaan. Zeg me hoe ik haar kan krijgen. Om haar te krijgen doe ik alles wat een mens kan doen.'

'Voor het huwelijk van kshatriya's is de bruidskeuze voorgeschreven, de svayamvara,' zei Krishna. 'Maar hoe die afloopt, is onzeker, Arjuna, want we weten niet wat voor aard dit meisje heeft en wat ze zal willen. Bij dappere kshatriya's wordt een ontvoering met het oog op een huwelijk geprezen, zeggen de geleerden. Neem mijn mooie zuster daarom met geweld mee, want wie weet wat ze op een svayamvara zou doen.'

Krishna en Arjuna besloten samen wat er moest gebeuren. Ze stuurden snelle boden naar Yudhishthira in Indraprastha, de stad van de Pandava's, om hem alles te laten weten, en Yudhishthira gaf meteen zijn toestemming. Arjuna kwam te weten dat het meisje naar de berg Raivataka was gegaan, en hij besprak met Krishna hoe hij het zou aanpakken. Met Krishna's instemming ging hij op weg, alsof hij op jacht ging. Hij reed in zijn stevige gouden wagen, behangen met rijen belletjes en voorzien van alle soorten wapens, met ratelende wielen, een wagen die elke vijand angst aanjoeg. De paarden Shaibya en Sugriva waren ervoor gespannen. Arjuna droeg zijn harnas en zijn zwaard, en om zijn vingers zaten leren beschermers.

Intussen had Subhadra de berg Raivataka, de vorst van de bergen, geëerd. Ze had de goden vereerd, de brahmanen heilwensen over haar laten uitspreken en was om de berg heen gelopen, en nu was ze op weg terug naar Dvaraka. Arjuna was door de pijlen van Kama getroffen. Plotseling stormde hij op haar af, trok haar met geweld in zijn wagen en reed weg, naar zijn eigen stad.

De gewapende begeleiders van Subhadra zagen hoe ze gegrepen en weggevoerd werd, en ze renden allemaal schreeuwend naar Dvaraka. Samen kwamen ze in de vergaderzaal van de Yadava's, die Sudharma heette, en ze vertelden de opzichter van de zaal alles wat er gebeurd was. De opzichter sloeg op zijn met goud versierde krijgstrom, die luid dreunde en iedereen te wapen riep. Bij dat geluid stroomden de Bhoja's, de Vrishni's en de Andhaka's van alle kanten toe. Wie aan het eten was, liet zijn eten staan, en wie aan het drinken was, liet zijn drank staan. De grote strijders van de Vrishni's en de Andhaka's namen plaats op hun duizend gouden tronen, bedekt met prachtige tapijten, ingelegd met edelstenen en koraal. Toen ze zaten, vertelde de opzichter, bijgestaan door zijn mannen, wat Arjuna gedaan had.

De trotse helden van de Vrishni's, met ogen rood van de wijn, sprongen op. Ze konden niet verdragen wat Arjuna had gedaan. 'Span onze wagens in!' riepen sommigen. 'Breng onze wapens!' riepen anderen. 'Breng onze kostbare bogen en onze sterke harnassen!' Sommigen riepen luid naar hun wagenmenners dat ze de wagens moesten inspannen, en anderen spanden van ongeduld zelf hun paarden met gouden tuig voor de wagens. Terwijl de wagens, de harnassen en de vaandels werden aangedragen, werd het tumult van die helden steeds luider.

Toen nam Balarama het woord, wit en hoog als de top van de Kailasa, met kransen van wilde bloemen om en in blauwe kleren, trots en dronken. 'Dwazen, wat doen jullie, terwijl Krishna daar zwijgend zit? Zonder te weten wat hij denkt, brullen we tevergeefs van woede. Laat de grootmoedige Krishna zeggen wat hij van plan is, en voer dan meteen uit wat hij wil.'

'Goed zo! Goed zo!' riepen ze allemaal. Daarna zwegen ze en gingen ze weer op hun plaatsen in de vergadering zitten.

Balarama wendde zich tot Krishna. 'Waarom zit je daar zwijgend te kijken, Krishna? Om jou hebben wij de zoon van Pritha welkom geheten en geëerd. Maar die ellendeling verdiende onze eer blijkbaar niet. Welke man van goede familie breekt het bord waarvan hij net gegeten heeft? Zelfs wie zo'n verbintenis wil, handelt toch niet zo overhaast, als hij denkt aan alles wat hem gegeven is en zijn eigen geluk zoekt? Die Pandava heeft ons geminacht, en jou ook, en vandaag Subhadra met geweld ontvoerd, alsof hij zijn eigen dood zoekt. Hij heeft zijn voet op mijn kruin gezet. Hoe zou ik dat lijdzaam verdragen, Krishna? Zou ik me niet verweren, zoals een slang waarop getrapt wordt? In mijn eentje maak ik vandaag de aarde leeg van het hele geslacht van Kuru! Dit vergrijp van Arjuna laat ik nooit over mijn kant gaan.'

Alle Bhoja's, Vrishni's en Andhaka's die daar waren, gaven Balarama in alles gelijk, en ze brulden het uit.

De koeherderin

Terwijl de helden van de Vrishni's zo keer op keer tekeergingen, nam Krishna het woord. 'Met wat hij gedaan heeft, heeft Arjuna ons geslacht niet beledigd. Hij heeft ons aanzien juist vergroot. Hij weet dat wij, het geslacht van Satvata, niet op geld uit zijn. Ook vindt hij de afloop van een svayamvara onzeker. En wie zou ermee instemmen een bruid als een geschenk aan te nemen, alsof ze een dier was? Welke man op aarde verkoopt zijn eigen kind? Ik denk dat Arjuna bij alle andere wegen die bezwaren zag en daarom het meisje met geweld heeft meegenomen, zoals de voorschriften het toestaan. Het is een goede verbintenis. Subhadra is een meisje met een grote naam, en Arjuna heeft ook een grote naam. Misschien heeft hij aan dat alles gedacht toen hij haar meenam. Wie zou hem niet als vriend willen hebben? Hij is geboren in het geslacht van Bharata en van de beroemde Shantanu, en hij is de zoon van de dochter van Kuntibhoja. In alle werelden, bij Indra en de Rudra's, de elf zonen van Sthanu, zie ik niemand die hem in de strijd met geweld kan verslaan, behalve Shiva, de god met de drie ogen. Iedereen kent zijn wagen, en mijn paarden zijn ervoor gespannen. Iedereen kent hem als strijder, iedereen weet hoe snel zijn hand is. Wie is zijn gelijke? Dit is mijn mening: ga Arjuna met een blij gezicht achterna, houd hem met vriendelijke woorden tegen en breng hem terug. Als hij naar zijn stad gaat nadat hij ons met geweld heeft verslagen, is onze roem weg. In een verzoening ligt geen schande.'

Ze deden wat Krishna zei. Arjuna liet zich door hen tegenhouden, keerde terug naar Dvaraka en trouwde met Subhadra. De zonen van de Vrishni's eerden hem, en hij bleef een heel jaar in Dvaraka. Het laatste jaar van zijn ballingschap bracht hij door in de heilige plaats Pushkara. Toen de twaalf jaar voorbij waren, keerde hij terug naar Indraprastha. Eerst ging hij naar de koning, daarna eerde hij met aandacht de brahmanen, en ten slotte ging hij naar Draupadi.

Draupadi zei uit liefde tegen hem: 'Ga dan maar naar de dochter van de Satvata's, zoon van Kunti. Ook bij een last die goed is vastgebonden, gaat de eerste knoop losser zitten.'

Ze klaagde lang in die trant. Arjuna probeerde haar keer op keer te kalmeren en vroeg haar om vergeving. Daarna ging hij snel terug naar de plek waar Subhadra in haar rode zijde op hem wachtte, en hij stuurde haar de vrouwenvertrekken in, niet gekleed als een koningin, maar in de eenvoudige kleren van een koeherderin. Toch zag de beroemde Subhadra er in die kleren nog mooier uit toen ze in het paleis aankwam. Ze had grote ogen, een beetje rood. Eerst eerde ze Kunti, die vol liefde aan haar hoofd rook en haar met heilwensen overlaadde. Daarna ging Subhadra haastig naar Draupadi, boog voor haar en zei: 'Ik ben uw dienares!'

Draupadi stond snel op, omhelsde de zuster van Krishna uit genegenheid en zei: 'Laat je man geen vijand hebben!'

'Laat het zo zijn!' zei Subhadra. Van toen af, koning, leefden de Pandava's gelukkig, en Kunti ook.

Krishna hoorde dat Arjuna in zijn eigen prachtige stad Indraprastha was aangekomen, en hij kwam erheen met Balarama en de andere helden en grote strijders van de Vrishni's en de Andhaka's, met zijn broers en zonen en vele andere dappere mannen, en een groot leger beschermde hem. Met hem kwamen Akrura, de vrijgevige, verstandige aanvoerder van het leger van de Vrishni's, Uddhava, een leerling van Brihaspati zelf, de leraar van de goden, en Kritavarman, Pradyumna, Shamba, Sarana en Gada, en nog vele anderen van de Vrishni's, de Bhoja's en de Andhaka's. Ze brachten vele bruidsgeschenken mee.

Koning Yudhishthira hoorde dat Krishna was aangekomen, en hij stuurde de tweeling, Nakula en Sahadeva, om hem te ontvangen. Onder hun begeleiding trok het rijke gezelschap van de Vrishni's de stad binnen, waar vlaggen en vaandels hingen. De straten waren geveegd, natgemaakt en met bloemenkransen en boeketten versierd, en daarover was geurig, koel sandelwater gesprenkeld. Overal in de stad hing de zoete geur van brandend aloëhout, en het krioelde er van vrolijke, gezonde mensen, handelaars en kooplieden. De burgers en de brahmanen eerden Krishna bij duizenden, terwijl hij met Balarama en vele Vrishni's, Andhaka's en Bhoja's voorbijtrok. Ten slotte ging hij het paleis van de koning binnen.

Yudhishthira ontving Balarama met de gepaste plechtigheden. Hij rook aan het hoofd van Krishna en omhelsde hem. Krishna eerde Yudhishthira nederig, en hij bewees ook Bhima eer. Daarna ontving Yudhishthira de andere voorname mannen van de Vrishni's en de Andhaka's. Sommigen eerde hij als zijn meerderen, anderen verwelkomde hij als zijn gelijken, sommigen ontving hij met genegenheid, en door sommigen werd hij zelf met eerbied begroet.

Toen gaf Krishna de familie van de bruidegom veel rijkdom. Aan Subhadra gaf hij de bruidsgeschenken die haar verwanten haar hadden gegeven. Aan de Pandava's gaf hij duizend gouden wagens met rijen belletjes, elk met vier paarden en een goed geoefende wagenmenner. Hij gaf hun tienduizend koeien uit het land van Mathura, die veel melk gaven en allemaal een mooie kleur hadden. Hij gaf hun duizend maanwitte merries met gouden tuig, en duizend snelle, goed afgerichte muilezels, wit met zwarte manen. Hij gaf hun ook duizend jonge meisjes, bedreven in het baden en zalven, mooi gekleed en met een gave huid, elk met honderd gouden munten om de hals, behangen met sieraden en geoefend in elke persoonlijke dienst. Als geschenk dat Subhadra bij haar huwelijk meekreeg, gaf hij honderdduizenden trekpaarden uit het land van de Valhika's, en als haar eigen bezit gaf hij haar tien draaglasten van het fijnste goud, deels gezuiverd en deels nog erts. En Balarama, die de ploeg als wapen draagt en altijd van moed hield, gaf Arjuna als bruidsgeschenk duizend reusachtige olifanten in volle bronst, onverslaanbaar in de strijd, met dekkleden en bellen en gouden sieraden, en met prachtige zetels op hun rug.

Die grote golf van rijkdom en edelstenen die de Yadava's brachten, met de kleden en dekens als schuim, de olifanten als krokodillen en haaien en de vaandels als drijvend wier, stroomde in de oceaan van de Pandava's en vulde die tot de rand, tot groot verdriet van al hun vijanden. Yudhishthira nam al die geschenken aan en eerde de grote strijders van de Vrishni's en de Andhaka's.

De helden van de Kuru's, de Vrishni's en de Andhaka's brachten daar hun dagen met feesten door, en af en toe klonk hun luide gejuich en hun handgeklap. Vele dagen lang eerden de Kuru's hen, en toen keerden de helden van de Vrishni's en de Andhaka's terug naar Dvaraka. Ze gingen op weg met Balarama voorop, en ze namen de zuiverste edelstenen mee die de Kuru's hun gegeven hadden. Maar Krishna bleef met Arjuna in de lieflijke stad Indraprastha. Hij zwierf langs de oevers van de Yamuna op zoek naar wild, en samen met Arjuna schoot hij herten en wilde zwijnen.

Daarna baarde Subhadra, de lievelingszuster van Krishna, een beroemde zoon, met lange armen, een brede borst en grote ogen. Die held werd Abhimanyu genoemd, de onversaagde vol woede. Bij zijn geboorte gaf Yudhishthira de brahmanen tienduizend koeien en gouden munten. Van zijn vroegste jaren af was het kind de lieveling van Krishna, van zijn vader en van zijn ooms, en Krishna voerde zelf de riten uit die bij de kindertijd horen. De jongen groeide op, en al snel kende hij de Veda's, en van zijn vader leerde hij de wapenkunde van de goden en van de mensen, met haar vier onderdelen en haar tien afdelingen.

Hij werd sterk, leerde ook hoe hij de wapens die anderen op hem wierpen, kon afweren, was vlug met zijn hand, en kon zich snel vooruit, achteruit, opzij en in een cirkel bewegen. In kennis van de leerboeken en de riten werd Abhimanyu zijn vader gelijk. Arjuna keek naar zijn zoon zoals Indra naar Arjuna had gekeken. Abhimanyu kon iedere vijand doden en droeg alle gunstige tekens op zijn lichaam. Hij had brede schouders, een trotse houding en een diepe stem, hij droeg een grote boog, en in moed en kracht, in schoonheid en gestalte was hij Krishna gelijk.

Ook Draupadi, de prinses van Panchala, kreeg van haar vijf mannen vijf zonen, allemaal helden, onwrikbaar in de strijd: Prativindhya van Yudhishthira, Sutasoma van Bhima, Shrutakarma van Arjuna, Shatanika van Nakula en Shrutasena van Sahadeva. De brahmanen voorzagen dat de zoon van Yudhishthira de wapens van de vijand zou verdragen zoals het Vindhya-gebergte, en daarom zeiden ze hem dat hij Prativindhya moest heten. Het kind dat Draupadi Bhima schonk, werd geboren nadat Bhima duizend soma-offers had gebracht, en daarom heette hij Sutasoma. De zoon van Arjuna werd geboren na diens terugkeer uit de ballingschap, waarin hij vele beroemde daden had verricht, en daarom heette dat kind Shrutakarma, hij van de beroemde daden. Nakula noemde zijn zoon Shatanika, naar een koninklijke wijze met die naam uit het beroemde geslacht van Kuru. En de zoon die Draupadi Sahadeva schonk, werd geboren onder het maanhuis Krittika, dat aan Agni is gewijd, en daarom werd hij Shrutasena genoemd, naar Kartikeya, de aanvoerder van het leger van de goden.

De zonen van Draupadi werden met telkens een jaar ertussen geboren; ze werden allemaal beroemd en waren erg aan elkaar gehecht. Dhaumya, de huispriester van de Pandava's, voerde volgens de voorschriften alle riten voor hen uit die bij de kindertijd en de jeugd horen, de eerste haarsnede en de wijding met het heilige koord. Met hun brede borst leken de zonen van de Pandava's op de kinderen van de goden, en ze groeiden allemaal uit tot grote strijders. Ze gedroegen zich voorbeeldig en hielden zich aan hun geloften, en toen ze de Veda's hadden bestudeerd, leerden ze van Arjuna alle wapens, die van de goden en die van de mensen.

Boek 2 · De leerjaren

  1. Deel I · De rivalen
  2. 1De ring in de put
  3. 2Het toernooi
  4. 3Het huis van lak
  5. 4De grasspriet
  6. Deel II · Draupadi
  7. 5De dochter uit het vuur
  8. 6De huispriester
  9. 7Het schot
  10. 8Vijf Indra's
  11. Deel III · Indraprastha
  12. 9Waar Krishna is
  13. 10Tilottama
  14. 11De ontvoering
    1. Ulupi
    2. Manipura
    3. De krokodillen
    4. Raivataka
    5. De ontvoering
    6. De koeherderin
  15. 12Gandiva
  16. 13De brand

Alles in boek 2 · Alle boeken