Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk twee

Het toernooi

De kop van de vogel

Boek 2 · De leerjaren · Deel I, De rivalen · 30 min. lezen

Drona nam zijn intrek bij de Kuru's en bleef er wonen, door iedereen vereerd. Toen hij wat was uitgerust, bracht Bhishma de prinsen bij hem als leerlingen, de zonen van Pandu en de zonen van Dhritarashtra, en hij gaf hem vele kostbare geschenken, en ook een net en schoon huis, vol rijst en allerlei rijkdom. Graag nam Drona de prinsen aan.

Op een dag nam hij hen apart. Hij liet hen zijn voeten aanraken, en met een hart dat overliep zei hij: 'Ik draag een bepaald doel in mijn hart. Beloof me dat jullie het zullen volbrengen wanneer jullie bedreven zijn in de wapens.'

De Kuru-prinsen zwegen. Maar Arjuna beloofde het te volbrengen, wat het ook was. Drona drukte hem tegen zijn borst en rook keer op keer aan zijn kruin, en de tranen liepen hem over de wangen. Daarna leerde hij de zonen van Pandu vele wapens, hemelse en menselijke.

Er kwamen nog veel meer prinsen bij Drona om de wapenkunst te leren: de Vrishni's en de Andhaka's, twee stammen van de Yadava's, prinsen uit allerlei landen, en ook Karna, de pleegzoon van Radha, uit het geslacht van de suta's, de barden en wagenmenners. Van hen allemaal daagde Karna Arjuna het vaakst uit, uit jaloezie, en met de steun van Duryodhana keek hij neer op de Pandava's. Arjuna bleef uit liefde voor de wapenkunst altijd aan de zijde van zijn leraar, en in vaardigheid, in kracht van arm en in volharding overtrof hij al zijn medeleerlingen. Hoewel de leraar iedereen hetzelfde onderwijs gaf, werd Arjuna de snelste en de handigste van hen allemaal. Drona was ervan overtuigd dat geen van zijn leerlingen ooit Arjuna's gelijke zou worden.

Drona gaf iedere leerling een kruik met een nauwe hals om water te halen, zodat het vullen veel tijd kostte, maar zijn eigen zoon Ashvatthama kreeg een kruik met een wijde hals, zodat hij snel terug kon zijn. In de tijd die hij zo won, leerde Drona zijn zoon betere manieren om de wapens te hanteren. Arjuna kwam erachter. Voortaan vulde hij zijn nauwe kruik door het wapen van Varuna, de god van de wateren, op te roepen, en kwam hij tegelijk met de zoon van zijn leraar terug. Daardoor bleef hij in bekwaamheid niet bij Ashvatthama achter. Omdat hij zijn leraar zo trouw diende en zo toegewijd was aan de wapens, werd hij al gauw Drona's lieveling.

Drona zag hoe ijverig zijn leerling was. Hij riep de kok bij zich en zei hem in het geheim: 'Geef Arjuna nooit te eten in het donker, en vertel hem niet dat ik je dat heb gezegd.' Een paar dagen later zat Arjuna te eten toen er wind opstak en de lamp uitwoei. Arjuna at in het donker door, want uit gewoonte bracht hij zijn hand vanzelf naar zijn mond. Hij merkte wat gewoonte vermag, en hij besloot 's nachts met zijn boog te oefenen. In de nacht hoorde Drona het zoemen van zijn pees. Hij kwam naar hem toe, sloeg zijn armen om hem heen en zei: 'Ik zal ervoor zorgen dat er in deze wereld geen boogschutter is die jouw gelijke is.'

Daarna leerde Drona Arjuna vechten te paard, op een olifant, op een wagen en te voet. Hij leerde hem vechten met de knots, het zwaard, de lans, de speer en de werpspies, vele wapens hanteren en tegen vele mannen tegelijk vechten. Koningen en prinsen hoorden hoe bekwaam hij was, en bij duizenden kwamen ze naar Drona om de wapenkunst te leren.

Onder hen was een prins die Ekalavya heette, de zoon van Hiranyadhanus, de koning van de nishada's, een volk dat in de wouden leeft. Maar Drona, de kenner van de dharma, nam hem niet aan als leerling in het boogschieten. Het is de zoon van een nishada, dacht hij, en hij deed het uit zorg voor zijn eigen leerlingen, de prinsen. De nishada-prins raakte met gebogen hoofd Drona's voeten aan en ging het woud in. Daar maakte hij van klei een beeld van Drona. Hij vereerde het alsof het zijn leraar zelf was, en voor dat beeld oefende hij met de strengste regelmaat. Doordat hij zijn leraar zo diep vereerde en zo op zijn doel gericht was, werd hij een meester in de drie handelingen: de pijl op de pees leggen, richten en loslaten.

Op een dag trokken de Kuru-prinsen en de Pandava's met Drona's toestemming in hun wagens op jacht. Een bediende volgde op zijn gemak, met de gebruikelijke uitrusting en een hond. In het woud zwierven ze rond, op zoek naar wild. Intussen liep de hond in zijn eentje door het woud en kwam bij de nishada-prins. De hond zag de donkere nishada, met vuil besmeurd, in het zwart gekleed, met zijn haar samengekoekt tot strengen, en begon luid te blaffen. De nishada-prins wilde laten zien hoe snel zijn hand was, en voordat de hond zijn bek kon sluiten, schoot hij er zeven pijlen in. Met de zeven pijlen in zijn bek kwam de hond terug bij de Pandava's. Ze stonden versteld. Ze schaamden zich voor hun eigen vaardigheid, en ze prezen de snelle hand en het zuivere mikken van de onbekende schutter, die alleen op het geluid had geschoten. Ze gingen hem in het woud zoeken, en al gauw vonden ze hem, terwijl hij zonder ophouden pijlen afschoot. Ze kenden die man met zijn grimmige gezicht niet.

'Wie ben je, en wiens zoon?' vroegen ze.

'Helden, ik ben de zoon van Hiranyadhanus, de koning van de nishada's. Ik ben een leerling van Drona, en ik beul me af om de wapenkunst meester te worden.'

De Pandava's lieten zich alles over hem vertellen, keerden terug naar de stad en beschreven Drona dat wonderlijke staaltje boogschieten in het woud. Vooral Arjuna kon aan niets anders denken: Ekalavya. Hij zocht Drona op toen die alleen was, en omdat hij op de liefde van zijn leraar vertrouwde, zei hij: 'U hebt me liefdevol tegen uw borst gedrukt en gezegd dat geen leerling van u mijn gelijke zou zijn. Waarom is er dan een leerling van u, de zoon van de nishada-koning, die beter is dan ik?'

Drona dacht even na en besloot wat hij zou doen. Hij nam Arjuna mee en ging naar de nishada-prins. Hij zag Ekalavya, met vuil besmeurd, met zijn haar in strengen, in lompen gekleed, met een boog in zijn hand, terwijl hij zonder ophouden pijlen afschoot. Toen Ekalavya Drona zag aankomen, liep hij hem een paar passen tegemoet, raakte zijn voeten aan en wierp zich languit op de grond. Hij vereerde Drona, noemde zich zoals het hoort zijn leerling en bleef met gevouwen handen voor hem staan, wachtend op zijn bevel.

'Als je dan mijn leerling bent, held,' zei Drona, 'geef me dan wat een leraar toekomt, de gurudakshina.' Dat is het geschenk waarmee een leerling aan het einde van zijn leerjaren zijn schuld aan zijn leraar aflost.

Ekalavya's gezicht klaarde op. 'Wat zal ik u geven, meester? Zeg het me. Er is niets wat ik mijn leraar niet zou geven.'

'Ekalavya,' zei Drona, 'als je me iets wilt geven, dan wil ik de duim van je rechterhand.'

Het waren wrede woorden. Maar Ekalavya was altijd trouw aan de waarheid, en hij wilde zijn belofte houden. Met een opgewekt gezicht en zonder dat zijn hart ervan leed, sneed hij zonder aarzelen zijn duim af en gaf hem aan Drona. Toen de nishada-prins daarna weer begon te schieten met zijn overgebleven vingers, merkte hij dat zijn hand niet meer zo snel was als vroeger. En Arjuna was gelukkig: de koorts van zijn jaloezie had hem verlaten. Drona had woord gehouden: niemand overtrof Arjuna.

Twee van Drona's leerlingen werden meesters met de knots, Duryodhana en Bhima, die altijd jaloers op elkaar waren. Ashvatthama overtrof iedereen in de geheimen van de wapenkunst. De tweeling, Nakula en Sahadeva, de zonen van Madri, waren met het zwaard de besten. Yudhishthira blonk uit als wagenstrijder. Maar Arjuna streefde iedereen in alles voorbij, in verstand, in vindingrijkheid, in kracht en in volharding. Hij beheerste alle wapens, geen wagenstrijder kon zich met hem meten, en zijn roem ging over de hele aarde, tot aan de zee. In de wapens en in zijn toewijding aan zijn leraar was niemand hem gelijk. Van alle prinsen werd alleen Arjuna een atiratha, een wagenstrijder die het in zijn eentje tegen talloze vijanden tegelijk kan opnemen. De zonen van Dhritarashtra zagen Bhima's kracht en Arjuna's meesterschap, en ze werden verteerd door jaloezie.

Op een dag, toen hun opleiding voltooid was, wilde Drona weten wie van zijn leerlingen het best met de wapens was, en hij riep hen allemaal bij elkaar. Van tevoren had hij boven in een boom in de buurt een nagemaakte vogel laten zetten, een gier, als doelwit.

'Neem je bogen,' zei hij, 'leg een pijl op de pees, ga hier staan en richt op die vogel in de boom. Zodra ik het zeg, schiet je hem de kop af. Ieder krijgt zijn beurt, een voor een, kinderen.'

Eerst riep Drona Yudhishthira. 'Richt je pijl en schiet zodra ik het zeg.'

Yudhishthira nam als eerste de boog, zoals zijn leraar wilde, en richtte op de vogel. Maar al na een ogenblik vroeg Drona: 'Zie je die vogel boven in de boom, prins?'

'Ja.'

Het volgende ogenblik vroeg Drona opnieuw: 'Wat zie je nu, prins? Zie je de boom, mij, of je broers?'

'Ik zie de boom, u, mijn broers en de vogel.'

Drona herhaalde zijn vraag, en hij kreeg telkens hetzelfde antwoord. Hij ergerde zich aan Yudhishthira en zei verwijtend: 'Ga opzij. Het is niet aan jou om dit doel te treffen.'

Daarna deed Drona dezelfde proef met Duryodhana en de andere zonen van Dhritarashtra, een voor een, en ook met zijn andere leerlingen, met Bhima en de rest, en met de prinsen die uit andere landen naar hem toe waren gekomen. Iedere keer was het antwoord hetzelfde als dat van Yudhishthira: 'We zien de boom, u, onze medeleerlingen en de vogel.' Een voor een kregen ze een verwijt van hun leraar, en een voor een moesten ze opzij gaan.

Toen iedereen had gefaald, riep Drona glimlachend Arjuna bij zich. 'Door jou moet het doel getroffen worden. Richt je ogen erop. Zodra ik het zeg, laat je de pijl gaan. Kom hier staan met je boog en je pijl, mijn zoon, een ogenblik maar.'

Arjuna ging staan zoals zijn leraar wilde, met gespannen boog, en richtte op de vogel. Een ogenblik later vroeg Drona, net als bij de anderen: 'Zie je de vogel daar, Arjuna, de boom en mij?'

'Ik zie alleen de vogel. Niet de boom, en niet u.'

Meteen vroeg Drona opnieuw: 'Als je de gier ziet, beschrijf hem me dan.'

'Ik zie alleen de kop van de gier, niet zijn lijf.'

Bij die woorden gingen Drona's haren overeind staan van verrukking. 'Schiet,' zei hij.

Op slag liet Arjuna zijn scherpe pijl gaan, en hij sloeg de gier in de boom de kop af, zodat die op de grond viel. Zodra het gebeurd was, drukte Drona Arjuna tegen zijn borst, en in gedachten zag hij Drupada met al zijn vrienden al verslagen in de strijd.

Enige tijd later ging Drona met al zijn leerlingen naar de oever van de Ganga om in de heilige rivier te baden. Hij was nog maar net in het water gedoken, of een krokodil, gedreven door de Tijd, greep hem bij zijn dij. Drona had zichzelf best kunnen redden, maar hij deed alsof hij haast had en riep zijn leerlingen toe: 'Dood dat beest en red me!' Op hetzelfde ogenblik schoot Arjuna vijf pijlen die door niets waren tegen te houden in het dier onder water, terwijl de andere leerlingen verbluft bleven staan waar ze stonden. Drona zag hoe snel Arjuna was. Het dier was door Arjuna's pijlen in stukken gesneden; het liet Drona's dij los en stierf.

'Neem dit wapen aan, Arjuna,' zei Drona. 'Het is het hoogste van alle wapens, niets houdt het tegen, en het heet Brahmashira. Ik geef je ook de kunst om het te werpen en terug te roepen. Maar gebruik het nooit tegen een menselijke vijand, want als je het werpt naar een vijand met mindere kracht, kan het de hele wereld verbranden. In de drie werelden heeft dit wapen zijn gelijke niet, mijn jongen. Bewaar het met zorg, en onthoud wat ik zeg. Als ooit een vijand die geen mens is tegen je strijdt, dan mag je het tegen hem gebruiken, om hem in de strijd te doden.'

Arjuna beloofde te doen wat hem gezegd werd, en met gevouwen handen nam hij het wapen in ontvangst.

'Niemand in deze wereld zal ooit een betere boogschutter worden dan jij,' zei zijn leraar. 'Nooit zul je door een vijand worden verslagen, en je daden zullen groot zijn.'

Het toernooi

Drona zag dat de zonen van Dhritarashtra en van Pandu de wapens beheersten, en hij ging naar koning Dhritarashtra. Kripa was erbij, en de Kuru-oudsten Bahlika en Somadatta, en Bhishma, de wijze zoon van Ganga, en Vyasa en Vidura. 'Koning,' zei Drona, 'uw kinderen hebben hun opleiding voltooid. Als u het goedvindt, laten ze nu zien wat ze kunnen.'

Dhritarashtra hoorde het graag. 'U hebt iets groots volbracht, brahmaan. Bepaal zelf de plaats en de tijd, en hoe de proef moet verlopen. Ik ben blind, en dat verdriet maakt me jaloers op wie ogen heeft en de kracht van mijn kinderen met de wapens zal zien. Vidura, doe alles wat Drona zegt. Niets kan me meer plezier doen.'

Vidura stelde de koning gerust en ging doen wat hem was opgedragen. Drona mat een stuk land af zonder bomen en struikgewas, met putten en bronnen. Hij koos een dag waarop de maan in een gunstig maanhuis stond, en op het afgemeten land bracht hij de goden een offer, in het bijzijn van de burgers, die bij afkondiging waren opgeroepen om het bij te wonen. Daarna bouwden de ambachtslieden van de koning er een groot tribunegebouw volgens de regels van de leerboeken, voorzien van allerlei wapens, en nog een sierlijke zaal voor de vrouwen die wilden kijken. De burgers timmerden overal stellages, en de rijksten sloegen er ruime, hoge tenten omheen op.

Toen de dag van het toernooi kwam, ging de koning met zijn ministers naar dat bijna hemelse schouwtoneel van zuiver goud, versierd met snoeren parels en stenen van lapis lazuli, en Bhishma en Kripa, de voornaamste leraren, liepen voor hem uit. Gandhari, de vrouw van Dhritarashtra, en Kunti, en de andere vrouwen van het koninklijk huis stegen prachtig gekleed met hun dienaressen de tribunes op. De vier standen, met de brahmanen en de kshatriya's voorop, liepen de stad uit om te zien wat de prinsen met de wapens konden. Iedereen was zo ongeduldig om het te zien dat de enorme menigte bijna in een oogwenk bij elkaar was. Trompetten schetterden, trommels roffelden, duizenden stemmen gonsden door elkaar.

Ten slotte kwam Drona met zijn zoon de arena binnen, in witte kleren, met een wit heilig koord, wit haar, een witte baard, witte kransen en witte sandelpasta op zijn lichaam gewreven. Hij bracht op het juiste moment de verering, en brahmanen die de mantra's kenden, voltrokken de riten die heil brengen. Toen de muziekinstrumenten hun gunstige, welluidende klanken hadden laten horen, kwamen er eerst mannen binnen met allerlei wapens. Daarna kwamen de prinsen uit het geslacht van Bharata, met opgeschorte kleren, met leren beschermers om hun vingers, met bogen en met pijlkokers. Yudhishthira ging voorop, de anderen volgden in de volgorde van hun leeftijd, en ze begonnen hun wonderlijke vaardigheid met de wapens te tonen. Sommige toeschouwers doken ineen, bang dat er pijlen op hen zouden vallen; anderen keken zonder vrees en vol verwondering toe. In snelle draf reden de prinsen op hun paarden en stuurden ze behendig, en ze troffen hun doelen met pijlen waarin hun eigen namen gegraveerd stonden. De toeschouwers zagen de prinsen met hun bogen en pijlen, en ze stonden versteld: het was of ze een stad van de gandharva's zagen, zo'n luchtbeeld dat opdoemt en weer verdwijnt. Plotseling riepen honderden en duizenden vol verbazing: 'Goed zo! Goed zo!'

Keer op keer lieten de prinsen zien hoe behendig ze met boog en pijl waren en hoe ze hun wagens konden mennen. Daarna namen ze zwaard en schild en trokken met hun wapens zwaaiend over het veld. De toeschouwers zagen hoe snel en soepel ze waren, hoe goed gebouwd en hoe kalm, en hoe vast en handig ze zwaard en schild in de hand hielden.

Toen kwamen Bhima en Duryodhana de arena binnen met een knots in de hand, en allebei popelden ze om met elkaar te vechten. Ze gordden zich aan, verzamelden al hun kracht en brulden, en zonder één fout tegen de regels van de wapenkunst draaiden ze links en rechts om elkaar heen over het veld. Vidura beschreef aan Dhritarashtra, aan Kunti, de moeder van de Pandava's, en aan Gandhari alles wat de prinsen deden.

Zodra Duryodhana en Bhima in de arena stonden, raakte het publiek verdeeld, want ieder had zijn voorkeur. 'Kijk, de dappere Duryodhana!' riepen sommigen, en anderen: 'Kijk, Bhima!' Door dat geroep ontstond er ineens een oorverdovend tumult. Drona zag dat de menigte woelig werd, en hij zei tegen zijn lieve zoon Ashvatthama: 'Houd die twee tegen, hoe bedreven ze ook zijn. Laat het gevecht tussen Bhima en Duryodhana de toeschouwers niet opzwepen.'

Ashvatthama hield de twee tegen, die hun knotsen al hadden geheven. Drona zelf liep de arena in, beval de muzikanten op te houden en zei met een diepe, dreunende stem: 'Kijk nu naar de zoon van Kunti, die mij liever is dan mijn eigen zoon: de meester van alle wapens, de zoon van Indra zelf, gelijk aan Vishnu, de jongere broer van Indra!' Na de riten die heil brengen, verscheen de jonge Arjuna in de arena, met de leren beschermer om zijn vingers, met zijn pijlkoker vol pijlen en zijn boog in de hand, en met een gouden pantser aan.

Het publiek juichte, en overal werden schelphoorns geblazen en andere instrumenten bespeeld. Er steeg een tumult op, want de toeschouwers riepen: 'Dat is de mooie zoon van Kunti!' 'Dat is de middelste Pandava!' 'Dat is de zoon van de machtige Indra!' 'Dat is de beschermer van de Kuru's!' 'Dat is de grootste van allen die de wapens kennen!' 'Dat is de grootste van allen die de dharma hoog houden!' 'Dat is de grootste van allen die weten hoe het hoort, die alle goede manieren kent!' Bij die kreten liepen Kunti de tranen over de wangen, ze vermengden zich met de melk uit haar borsten en maakten haar borst nat.

Dhritarashtra hoorde het tumult en vroeg Vidura: 'Vidura, wat is dat voor lawaai, zo ineens, als van een woelige zee, dat de lucht openscheurt?'

'Grote koning,' zei Vidura, 'Arjuna, de zoon van Pandu en Kunti, is in zijn wapenrusting de arena binnengekomen. Daarom is er zo'n lawaai.'

'Wijze Vidura,' zei Dhritarashtra, 'door die drie vuren uit Kunti, die voor hen het offerhout is geweest, ben ik gelukkig gemaakt, begunstigd en beschermd.'

Toen de opgewonden toeschouwers enigszins tot rust waren gekomen, begon Arjuna te tonen hoe snel hij met de wapens was. Met het wapen van Agni riep hij vuur op, met het wapen van Varuna water, met het wapen van Vayu wind en met het wapen van Parjanya wolken. Met het wapen van de aarde bracht hij land voort en met het wapen van de bergen bergen. Met het wapen van het verdwijnen liet hij alles weer verdwijnen. Nu leek hij lang, dan weer klein; nu stond hij op het juk van zijn wagen, dan in de wagen zelf, en het volgende ogenblik op de grond. Met zijn geoefende behendigheid trof hij allerlei doelen, zachte, fijne en dikke. In de bek van een ijzeren zwijn dat voortbewoog, schoot hij in één keer vijf pijlen, alsof het één pijl was. En in de holte van een koehoorn die aan een touw heen en weer zwaaide, schoot hij eenentwintig pijlen. Arjuna toonde zijn diepe kennis van zwaard, boog en knots, terwijl hij in cirkels over het veld liep.

Het was bijna afgelopen. De opwinding van de toeschouwers was bekoeld en de muziek was weggestorven. Toen klonk er vanaf de poort een dreunend geluid: het klappen van armen, het teken van kracht. Meteen dacht de menigte: 'Splijten de bergen? Scheurt de aarde open? Of dreunt de lucht van de wolken die zich samenpakken?' Alle toeschouwers keken naar de poort. Drona stond daar met de vijf broers om zich heen, de zonen van Pandu. Duryodhana sprong op, en om hem heen stonden zijn honderd trotse broers, met Ashvatthama tussen hen in. Hij had zijn knots in de hand, en al zijn broers hadden hun wapens geheven.

De toeschouwers keken met grote ogen en maakten ruimte, en Karna kwam de wijde arena binnen, met het pantser dat aan zijn lichaam vastzat en met zijn gezicht stralend van zijn oorringen. Hij had zijn boog opgenomen en zijn zwaard omgegord, en hij kwam binnen als een rots die liep. Hij was lang, mooi van gezicht, in de volle kracht van zijn jeugd, met talloze gaven. Hij liet zijn blik over de hele arena gaan en boog achteloos voor Drona en Kripa. Het hele publiek stond roerloos en staarde hem aan. 'Wie is dat?' dachten ze, en ze brandden van nieuwsgierigheid.

Met een diepe stem richtte Karna zich tot Arjuna, zijn broer, die hij niet als broer kende. 'Zoon van Kunti, ten overstaan van al deze mensen zal ik alles doen wat jij hebt gedaan, en beter. Je zult ervan staan te kijken.'

Hij was nog niet uitgesproken of alle toeschouwers stonden als één man op. Duryodhana was vol verrukking, maar Arjuna schaamde zich en werd boos. Met toestemming van Drona deed Karna, die van strijd hield, daar alles wat Arjuna eerder had gedaan. Duryodhana en zijn broers omarmden Karna uitbundig.

'Welkom, held,' zei Duryodhana. 'Het geluk heeft je naar me toe gebracht, en je bent een man met manieren. Leef zoals je wilt, en beschik over mij en over het koninkrijk van de Kuru's.'

'Wat u zegt, beschouw ik als al gedaan,' zei Karna. 'Ik verlang alleen naar uw vriendschap. En ik wil een tweegevecht met Arjuna.'

'Geniet dan met mij van alles wat het leven te bieden heeft. Doe je vriend goed, en zet je voet op het hoofd van al je vijanden.'

Arjuna keek naar Karna, die daar tussen de broers stond. 'Er is een weg die wacht op wie ongenood binnendringt en ongevraagd het woord neemt. Die weg zul jij gaan, Karna, want ik zal je doden.'

'Deze arena is voor iedereen, niet voor jou alleen, Arjuna. Wie sterker is, is koning, en een kshatriya erkent alleen kracht. Waarom schelden? Dat doen zwakkeren. Spreek met pijlen, tot ik je vandaag met mijn pijlen het hoofd afsla, hier voor de ogen van onze leraar!'

Haastig omarmden zijn broers Arjuna, en met toestemming van Drona trok hij op voor het gevecht. Aan de andere kant omarmden Duryodhana en zijn broers Karna, en hij nam zijn boog en pijlen en stond klaar om te vechten. De lucht raakte bedekt met wolken waaruit bliksems schoten, en de veelkleurige boog van Indra verscheen en straalde zijn licht uit. Rijen witte kraanvogels vlogen voorbij, en het was of de wolken lachten. Surya zag dat Indra uit liefde voor zijn zoon op de arena neerkeek, en ook hij verjoeg de wolken boven zijn eigen kind. Arjuna stond diep in de schaduw van de wolken verborgen, maar Karna bleef zichtbaar, omringd door de stralen van de zon. Duryodhana ging naast Karna staan, en Drona, Kripa en Bhishma bleven bij Arjuna. Het publiek raakte verdeeld, en de vrouwen op hun tribune ook.

Kunti, de dochter van Kuntibhoja, wist hoe het zat, en ze viel flauw. Vidura liet haar dienaressen haar met sandelpasta en water besprenkelen, en toen ze bijkwam, zag ze haar twee zonen in hun pantser tegenover elkaar staan, en ze werd door angst gegrepen. Maar ze kon niets doen.

Kripa, de zoon van Sharadvat, kende alle plichten en de regels van het tweegevecht. Hij zag beide strijders met gespannen boog staan en zei tegen Karna: 'Deze Pandava, de jongste van Kunti's eigen zonen, hoort bij het geslacht van Kuru, en hij zal met je vechten. Maar ook jij, held, moet ons vertellen uit welk geslacht je komt, hoe je vader en je moeder heten en van welk koningshuis je de trots bent. Als Arjuna dat weet, zal hij beslissen of hij met je vecht of niet. Koningszonen vechten nooit met mannen zonder aanzienlijke afkomst.'

Karna's gezicht werd als een lotus die door de stortbuien van de regentijd gehavend en verbleekt is.

'Leraar,' zei Duryodhana, 'volgens de leerboeken kunnen drie soorten mensen aanspraak maken op het koningschap: wie van koninklijk bloed is, wie een held is, en wie legers aanvoert. Als Arjuna niet wil vechten met iemand die geen koning is, dan wijd ik Karna tot koning van Anga.'

Op datzelfde ogenblik werd Karna op een gouden zetel gezet, en met geroosterde rijst, met bloemen, met kruiken water en veel goud wijdden brahmanen die de mantra's kenden, hem tot koning. De koninklijke parasol werd boven zijn hoofd gehouden, en om de sierlijke held heen wuifden de waaiers van jakstaarten. Toen het gejuich was verstomd, zei Karna, nu koning van Anga, tegen Duryodhana: 'Wat kan ik u geven dat opweegt tegen het koninkrijk dat u me hebt geschonken? Prins, ik zal alles doen wat u me opdraagt.'

'Ik wil niets liever dan je vriendschap,' zei Duryodhana.

'Goed,' zei Karna, en ze omarmden elkaar.

Toen kwam Adhiratha de arena binnen, de suta in wiens huis Karna was opgegroeid. De doek over zijn schouder hing los, hij zweette en beefde, en hij steunde op een stok.

Zodra Karna hem zag, legde hij zijn boog neer, en uit eerbied voor zijn vader boog hij zijn hoofd. Adhiratha bedekte haastig zijn voeten met de slip van zijn doek en noemde de zegevierende Karna zijn zoon. Hij omarmde hem, en uit grote liefde maakte hij met zijn tranen het hoofd van Karna nat, dat nog nat was van het water waarmee hij tot koning van Anga was gewijd.

Bhima zag Adhiratha en hield Karna voor de zoon van een suta. 'Zoon van een suta,' zei hij spottend, 'jij verdient het niet dat Arjuna je in een gevecht doodt. Pak liever gauw de zweep, zoals past bij je afkomst. Jij, de laagste van alle stervelingen, bent het koninkrijk Anga niet waard, zoals een hond de offerboter niet waard is die bij het offervuur staat.'

Karna's lippen trilden een beetje. Hij haalde diep adem en keek op naar Surya, hoog in de lucht.

Woedend stond Duryodhana op van tussen zijn broers, en hij zei tegen Bhima: 'Bhima, zulke woorden passen je niet. Kracht is waar het een kshatriya om gaat, en ook met een kshatriya van lage geboorte hoort men te vechten. De afkomst van helden is, net als de bron van een grote rivier, altijd onbekend. Het vuur dat de hele wereld bedekt, komt voort uit het water. De bliksem waarmee de danava's worden gedood, is gemaakt van een bot van de rishi Dadhichi. Guha, de krijgsgod die ook Skanda heet, in wie de delen van alle goden samenkomen, is van onbekende afkomst: sommigen noemen hem een zoon van Agni, anderen van de Krittika's, weer anderen van Rudra of van Ganga. We hebben gehoord dat mensen die als kshatriya geboren waren, brahmaan zijn geworden: Vishvamitra en anderen zijn het voorgoed geworden. Drona, onze leraar, die met de wapens zijn gelijke niet heeft, is in een waterkruik geboren, en Kripa uit het geslacht van Gautama is uit een pol riet voortgekomen. En hoe jullie zelf geboren zijn, prinsen van Pandu, weet ik ook. Kan een hinde een tijger voortbrengen, stralend als de zon, met alle tekenen die heil voorspellen, en geboren met een pantser en oorringen die aan zijn lichaam vastzitten? Deze man verdient de heerschappij over de hele wereld, niet alleen over Anga, door de kracht van zijn arm en omdat ik gezworen heb hem in alles te gehoorzamen. Is er hier iemand die niet kan verdragen wat ik voor Karna heb gedaan, laat hij dan op zijn wagen stappen en zijn boog met zijn voeten spannen.'

Onder de toeschouwers ging een verward gemompel op, en het klonk als instemming met Duryodhana's woorden. Maar de zon ging onder. Prins Duryodhana nam Karna bij de hand en leidde hem de arena uit, die nu door ontelbare lampen werd verlicht. Ook de Pandava's gingen met Drona, Kripa en Bhishma naar huis. Het volk trok weg, en de een noemde Arjuna de winnaar van die dag, de ander Karna, een derde Duryodhana.

Kunti had haar zoon in Karna herkend aan de tekenen die heil voorspellen op zijn lichaam, en toen ze zag dat hij tot koning van Anga was gewijd, was ze uit moederliefde blij. Ze zei er tegen niemand iets over. Nu Duryodhana Karna had gewonnen, was hij niet langer bang voor Arjuna's meesterschap met de wapens. Karna begon Duryodhana met vriendelijke woorden te behagen. En Yudhishthira was ervan overtuigd dat er op aarde geen strijder was die zich met Karna kon meten.

De gurudakshina

Drona zag dat de Pandava's en de zonen van Dhritarashtra de wapens beheersten, en hij vond dat de tijd gekomen was om te vragen wat een leraar toekomt, zijn gurudakshina. Op een dag riep hij zijn leerlingen bij elkaar. 'Neem Drupada, de koning van Panchala, in de strijd gevangen en breng hem bij mij,' zei hij. 'Dat is de gurudakshina die ik het liefst wil.'

'Goed,' zeiden de strijders. Ze stegen op hun wagens, en om hun leraar de gurudakshina te geven die hij vroeg, trokken ze met hem op. Onderweg sloegen ze de Panchala's neer, en ze sloten de hoofdstad van Drupada in. Duryodhana en Karna wedijverden met vele andere kshatriya-prinsen om als eerste aan te vallen, en onder hen waren ook Duryodhana's broers: Yuyutsu, Duhshasana, Vikarna, Jalasandha en Sulochana. In prachtige wagens, achter de ruiterij aan, reden de prinsen de vijandelijke hoofdstad binnen en trokken door de straten.

De koning van Panchala zag dat machtige leger en hoorde het lawaai, en hij kwam met zijn broers zijn paleis uit. Hij was goed gewapend, maar het leger van de Kuru's schoot van alle kanten op hem en hief zijn strijdkreet aan. Drupada liet zich in de strijd niet gemakkelijk onderwerpen. Op zijn witte wagen reed hij op de Kuru's af en schoot pijl na pijl in hun gelederen.

Voordat het gevecht begon, had Arjuna gezien hoe trots de prinsen op hun kracht waren, en hij had tegen Drona gezegd: 'Laten zij eerst hun kracht tonen; daarna zullen wij ons inspannen. Geen van hen kan de koning van Panchala op het slagveld gevangen nemen.' Daarop had hij met zijn broers een eind buiten de stad gewacht.

Drupada stormde op het leger van de Kuru's af en bracht hun gelederen zware verliezen toe. Hij vocht alleen, op één wagen, maar hij bewoog zo snel over het slagveld dat de Kuru's in paniek dachten dat er vele Drupada's tegen hen vochten. Waar ze ook stonden, overal sloegen zijn pijlen in, tot de Panchala's vanuit hun huizen duizenden schelphoorns, trompetten en trommels lieten klinken om alarm te slaan. Uit het leger van de Panchala's steeg een geweldige brul op, en het zoemen van hun boogpezen leek de lucht te scheuren. Duryodhana, Vikarna, Suvahu, Dirghalochana en Duhshasana werden woedend en schoten hun pijlen op de vijand af. Maar Drupada was in de strijd niet te overwinnen. Hoewel de vijandelijke pijlen hem van alle kanten doorboorden, viel hij hun gelederen nog heviger aan. Als een vuurwiel draaide koning Drupada over het slagveld, en met zijn pijlen trof hij Duryodhana, Vikarna en zelfs Karna, en vele andere dappere prinsen en talloze strijders, en hij leste hun dorst naar de strijd. Toen gingen alle burgers de Kuru's met allerlei werpwapens te lijf. Jong en oud stormde de strijd in. De strijd werd gruwelijk, en de Kaurava's braken en vluchtten jammerend naar de Pandava's.

De Pandava's hoorden het gejammer van het verslagen leger. Ze groetten Drona eerbiedig en stegen op hun wagens. Haastig zei Arjuna tegen Yudhishthira dat hij niet mee moest vechten, en hij stelde Nakula en Sahadeva, de zonen van Madri, aan om de wielen van zijn wagen te beschermen. Bhima, die altijd in de voorste linie vocht, rende met zijn knots voorop. Arjuna trok met zijn broers op het geschreeuw van de vijand af, en het geratel van zijn wagenwielen vulde de hele streek. Brullend drong Bhima met zijn knots de gelederen van de Panchala's binnen. Hij ging eerst de olifanten te lijf, terwijl Arjuna met de kracht van zijn armen het leger aanviel, en Bhima begon ze met zijn knots te doden. De reusachtige dieren kregen de slagen op hun kop, en hun schedels braken in stukken. Onder de stromen bloed stortten ze neer. De Pandava's velden olifanten, paarden en wagens bij duizenden en doodden vele voetsoldaten en wagenstrijders, en Bhima dreef de wagens en de olifanten van de vijand voor zich uit.

Intussen schoot Arjuna, die Drona een dienst wilde bewijzen, een zoon van Prishata, een van Drupada's broers, met zijn pijlen van de olifant waarop hij zat. Paarden, wagens en olifanten bij duizenden sloeg hij neer. De Panchala's en de Srinjaya's, die met hen verbonden waren, kwamen hem tegemoet met allerlei wapens, hieven een luide strijdkreet aan en vochten wanhopig tegen hem. Het gevecht werd woest. Arjuna hoorde het geschreeuw van de vijand en ontstak in woede. Hij stormde op het vijandelijke leger af, en hij schoot zo snel dat wie hem toen zag, geen tussenpoos kon ontdekken tussen het moment waarop hij een pijl op de pees legde en het moment waarop hij hem losliet. Luid was het geschreeuw, en het juichen van wie het zag klonk erdoorheen.

Toen reed de koning van Panchala met Satyajit, de aanvoerder van zijn leger, op Arjuna af. Arjuna richtte zijn boog op de koning, en in het leger van de Panchala's steeg een tumult op. Satyajit zag dat Arjuna op de koning afging om hem te grijpen, en hij wierp zich op Arjuna. De twee strijders gingen elkaar te lijf en maalden elkaars gelederen fijn. Arjuna schoot Satyajit met volle kracht tien scherpe pijlen in het lijf, en alle toeschouwers stonden versteld. Maar Satyajit verloor geen tijd en viel Arjuna aan met honderd pijlen. Arjuna werd van alle kanten geraakt, maar hij wreef over zijn pees om zijn pijlen meer kracht en snelheid te geven. Hij sneed de boog van zijn tegenstander in tweeën en ging op de koning van Panchala af. Maar Satyajit greep snel een steviger boog en doorboorde Arjuna, zijn wagen, zijn wagenmenner en zijn paarden met zijn pijlen. Arjuna liet het niet op zich zitten. Hij wilde hem doden, en hij doorboorde met een reeks pijlen de paarden van zijn tegenstander, zijn vaandels, zijn boog, zijn gebalde linkervuist, zijn wagenmenner en de dienaar achter hem. Satyajit zag dat zijn bogen keer op keer in tweeën werden gesneden en dat zijn paarden gedood waren, en hij gaf het gevecht op.

De koning van Panchala zag dat zijn aanvoerder was verslagen en begon zelf zijn pijlen op de Pandava af te schieten. Arjuna vocht nu woest. Hij sneed de boog van zijn vijand in tweeën, liet zijn vaandelstok neerstorten en doorboorde zijn paarden en zijn wagenmenner met vijf pijlen. Toen gooide hij zijn boog weg, nam zijn pijlkoker, trok een kromzwaard en sprong met een luide kreet van zijn eigen wagen op die van zijn vijand. Daar stond hij, zonder enige vrees, en hij greep Drupada zoals Garuda een grote slang grijpt nadat hij het water van de oceaan heeft opgezweept. Bij dat gezicht vluchtten de troepen van Panchala alle kanten op.

Arjuna had de kracht van zijn arm voor de ogen van beide legers getoond. Met een brul kwam hij de gelederen van de Panchala's uit. De prinsen zagen hem met zijn gevangene terugkomen en begonnen de hoofdstad van Drupada te verwoesten.

'Deze koning, Drupada, is verwant aan de helden van het huis van Kuru,' zei Arjuna. 'Dood zijn soldaten niet, Bhima. Laten we onze leraar alleen zijn gurudakshina geven.'

Bhima had nog lang niet genoeg van het vechten, maar hij hield zich in. De prinsen brachten Drupada, die ze op het slagveld met zijn vrienden en raadsheren gevangen hadden genomen, naar Drona. Drona zag Drupada helemaal in zijn macht, vernederd en beroofd van zijn rijkdom, en hij dacht terug aan de vijandschap van die koning.

'Je koninkrijk en je hoofdstad zijn door mij verwoest,' zei hij. 'Maar vrees niet voor je leven, al hangt het nu af van de wil van je vijand. Wil je onze vriendschap nu weer opnemen?' Hij glimlachte een beetje en zei opnieuw: 'Vrees niet voor je leven, dappere koning. Wij brahmanen vergeven altijd. Mijn genegenheid en mijn liefde voor jou zijn met mij meegegroeid, omdat we als kinderen samen in de hermitage hebben gespeeld. Daarom vraag ik je opnieuw om je vriendschap. En als gunst, zonder dat je erom vraagt, geef ik je de helft van het koninkrijk terug dat van jou was. Je hebt me eens gezegd dat wie geen koning is, geen vriend van een koning kan zijn. Daarom houd ik de helft van je koninkrijk, Yajnasena. Jij bent koning over al het land ten zuiden van de Bhagirathi, zoals de Ganga daar heet, en ik word koning over al het land ten noorden van die rivier. En als je dat wilt, koning van Panchala, beschouw me dan voortaan als je vriend.'

'U bent edel van geest en groot in kracht,' zei Drupada. 'Daarom verbaast het me niet wat u doet, brahmaan. Ik ben u dankbaar, en ik wens uw eeuwige vriendschap.'

Daarop liet Drona de koning van Panchala vrij. Met de gebruikelijke eerbewijzen gaf hij hem de helft van zijn koninkrijk. Vanaf die dag woonde Drupada bedroefd in de stad Kampilya, in de streek Makandi aan de oever van de Ganga, een land vol steden en dorpen, en na zijn nederlaag tegen Drona regeerde hij over de zuidelijke Panchala's, tot aan de oever van de Charmanvati. Drupada wist nu dat hij Drona niet met de kracht van een kshatriya alleen kon verslaan, omdat hij voor de kracht van een brahmaan ver moest onderdoen. Hij begon over de hele aarde rond te trekken, op zoek naar een manier om een zoon te krijgen die zijn brahmaanse vijand zou onderwerpen.

Drona hield intussen Ahichchhatra als zijn rijk. Het land van Ahichchhatra, vol steden en dorpen, was door Arjuna veroverd en aan Drona geschonken.

Een jaar later wijdde Dhritarashtra, uit welwillendheid tegenover het volk, Yudhishthira tot kroonprins, om zijn standvastigheid, zijn geduld, zijn goedheid, zijn oprechtheid en zijn onwrikbare eerlijkheid. Binnen korte tijd overschaduwde Yudhishthira met zijn goede gedrag, zijn manieren en zijn toewijding aan zijn taak de daden van zijn vader. Bhima, de tweede Pandava, kreeg voortdurend les van Balarama, de oudere broer van Krishna, de zoon van Kunti's broer Vasudeva, in het vechten met zwaard en knots en vanaf de wagen. Toen zijn opleiding voltooid was, had hij een ongelooflijke kracht; hij leefde in eendracht met zijn broers en begon die kracht te tonen. Arjuna werd vermaard om de vastheid van zijn greep, zijn snelheid, zijn zuivere mikken en zijn beheersing van alle wapens, rechte, gekromde en zware.

Op een dag, in het bijzijn van alle Kaurava-prinsen, zei Drona tegen Arjuna: 'Agnivesha, een leerling van Agastya in de wapenkunst, was mijn leraar. Door mijn ascese kreeg ik van hem het Brahmashira, het wapen dat nooit zijn doel mist en dat jij nu van mij hebt. Dankzij mij kan het van leerling op leerling overgaan. Toen mijn leraar het me gaf, zei hij: "Zoon van Bharadvaja, werp dit wapen nooit naar een mens, en vooral niet naar iemand met weinig kracht." Jij, held, hebt dat hemelse wapen gekregen. Niemand anders verdient het. Maar houd je aan het bevel van de rishi. En geef me nu ook jouw eigen gurudakshina, Arjuna, hier in het bijzijn van je neven en je verwanten.'

Arjuna beloofde te geven wat zijn leraar vroeg.

'Je moet tegen mij vechten,' zei Drona, 'wanneer ik tegen jou vecht.'

Arjuna raakte zijn voeten aan en vertrok naar het noorden. Toen steeg er een luid geroep op, dat zich over de hele aarde tot aan haar gordel van zeeën verbreidde: nergens ter wereld was er een boogschutter als Arjuna. Sahadeva leerde van Brihaspati, de leraar van de goden, de hele leer van de dharma, en hij bleef onder het gezag van zijn broers. Nakula, de lieveling van zijn broers, had bij Drona geleerd en werd bekend als een bekwame strijder en een atiratha.

Arjuna en de andere Pandava-prinsen werden zo machtig dat ze in de strijd de grote koning van de Sauvira's doodden, die een offer van drie jaar had gebracht zonder zich te laten afschrikken door de invallen van de gandharva's. De koning van de Yavana's, een volk uit het westen, die zelfs Pandu niet had kunnen onderwerpen, bracht Arjuna onder zijn gezag. Vipula, de geduchte koning van de Sauvira's, die de Kuru's altijd had geminacht, kreeg de kracht van Arjuna te voelen. Ook koning Sumitra van Sauvira, die hem koppig tot een gevecht had uitgedaagd, bracht Arjuna met zijn pijlen tot bedaren. Samen met Bhima onderwierp Arjuna op één enkele wagen alle koningen van het oosten, al hadden ze tienduizend wagens achter zich. En op dezelfde manier, op één wagen, veroverde hij het hele zuiden en stuurde hij een grote buit naar het rijk van de Kuru's.

De Pandava's veroverden de gebieden van andere koningen en breidden de grenzen van hun eigen rijk uit. Maar koning Dhritarashtra zag de kracht en de macht van die boogschutters, en ineens was zijn hart tegenover de Pandava's vergiftigd. Vanaf die dag was de koning zo ongerust dat hij 's nachts bijna niet meer kon slapen.

Boek 2 · De leerjaren

  1. Deel I · De rivalen
  2. 1De ring in de put
  3. 2Het toernooi
    1. De kop van de vogel
    2. Het toernooi
    3. De gurudakshina
  4. 3Het huis van lak
  5. 4De grasspriet
  6. Deel II · Draupadi
  7. 5De dochter uit het vuur
  8. 6De huispriester
  9. 7Het schot
  10. 8Vijf Indra's
  11. Deel III · Indraprastha
  12. 9Waar Krishna is
  13. 10Tilottama
  14. 11De ontvoering
  15. 12Gandiva
  16. 13De brand

Alles in boek 2 · Alle boeken