
Hoofdstuk tien
Tilottama
Boek 2 · De leerjaren · Deel III, Indraprastha · 17 min. lezen
'Brahmaan, rijk door uw ascese,' zei Janamejaya, 'wat deden mijn voorouders, de Pandava's, nadat ze het koninkrijk Indraprastha hadden gekregen? Hoe gehoorzaamde hun vrouw Draupadi hen allemaal? En hoe kon het dat er geen onenigheid ontstond tussen die vorsten, die alle vijf aan één vrouw gehecht waren? Ik wil in bijzonderheden horen hoe ze zich na hun huwelijk met Draupadi tegenover elkaar gedroegen.'
En Vaishampayana vertelde.
In Khandavaprastha, het land dat ze op bevel van Dhritarashtra hadden gekregen, leefden de Pandava's met Draupadi in vreugde. Yudhishthira, die altijd aan de waarheid vasthield, regeerde met de hulp van zijn broers rechtvaardig over het land. De zonen van Pandu waren wijs en toegewijd aan waarheid en dharma, en ze hadden al hun vijanden verslagen. Ze zaten op kostbare koninklijke zetels en regelden samen alle zaken van het bestuur.
Op een dag, toen ze daar zo zaten, kwam Narada, de rishi van de goden, op zijn zwerftochten bij hen. Yudhishthira stond hem zijn eigen mooie zetel af, gaf hem met eigen hand de arghya, het water dat men een geëerde gast aanbiedt, en vertelde hem hoe het met zijn koninkrijk stond. Narada nam de eerbewijzen tevreden aan, wenste de koning alle heil en liet hem weer plaatsnemen. Toen liet de koning Draupadi in de binnenvertrekken weten dat de rishi gekomen was. Ze reinigde zich en kwam eerbiedig naar de plek waar Narada met de Pandava's zat, raakte de voeten van de rishi aan en bleef gesluierd met gevouwen handen voor hem staan. Narada gaf haar allerlei heilwensen mee en liet haar gaan.
Zodra Draupadi weg was, nam hij alle Pandava's, met Yudhishthira voorop, apart. 'De prinses van Panchala is de getrouwde vrouw van jullie allemaal,' zei hij. 'Stel onder elkaar een regel in, zodat er geen onenigheid tussen jullie ontstaat. Vroeger waren er twee broers, Sunda en Upasunda, die in de drie werelden bekend waren. Ze leefden samen, en niemand kon hen doden, behalve de een de ander. Ze regeerden over hetzelfde koninkrijk, woonden in hetzelfde huis, sliepen op hetzelfde bed, zaten op dezelfde zetel en aten van dezelfde schotel. En toch hebben ze elkaar gedood, om Tilottama. Bewaar daarom jullie vriendschap, Yudhishthira, en doe niets wat jullie uit elkaar drijft.'
'Wiens zonen waren die asura's, Sunda en Upasunda?' vroeg Yudhishthira. 'Waardoor ontstond die onenigheid tussen hen, en waarom brachten ze elkaar om? En wiens dochter was die Tilottama, om wie de broers elkaar in hun waanzin doodden? Was ze een apsara, een danseres uit de hemel van de goden, of de dochter van een god? We willen alles in bijzonderheden horen, brahmaan, zoals het gebeurd is. U hebt ons nieuwsgierig gemaakt.'
'Luister met je broers naar mij, zoon van Pritha,' zei Narada. 'Ik zal je dit oude verhaal vertellen, precies zoals het gebeurd is.'
En Narada vertelde.
Lang geleden werd in het geslacht van de grote asura Hiranyakashipu een daitya geboren, Nikumbha, die een ontzaglijke kracht bezat. De daitya's waren een van de twee geslachten van de asura's, de oude rivalen van de goden. Nikumbha kreeg twee zonen, Sunda en Upasunda. Het waren allebei asura's van een verschrikkelijke moed, woest en boosaardig. Ze hadden één wil, en ze werkten altijd aan dezelfde taken en dezelfde doelen. Vreugde en ellende deelden ze. Ieder zei en deed wat de ander aangenaam was; ze waren nooit zonder elkaar en gingen nergens heen zonder elkaar. Ze hadden precies dezelfde aard en dezelfde gewoonten, en het leek of één wezen in tweeën was gedeeld.
Samen groeiden ze op, en samen wilden ze de drie werelden onderwerpen. Ze lieten zich wijden, gingen naar het Vindhya-gebergte en legden zich daar een zware ascese op. Ze leden honger en dorst, hun haar was samengekoekt tot strengen en ze droegen boombast. Van top tot teen besmeurden ze zich met vuil; ze leefden van lucht alleen, stonden op hun tenen en wierpen stukken van hun eigen vlees in het vuur. Lange tijd hielden ze zich aan hun geloften, met hun armen omhoog en hun ogen strak op één punt. De bergen van de Vindhya werden zo lang verhit door de kracht van hun ascese dat ze overal begonnen te dampen.
De goden zagen hoe streng die ascese was, en ze schrokken. Ze legden de broers allerlei hindernissen in de weg. Keer op keer verleidden ze hen met kostbaarheden en met de mooiste meisjes. Toen toonden de goden opnieuw hun vermogen om te begoochelen. Het leek of de zusters, de moeders, de vrouwen en de andere verwanten van de broers in doodsangst op hen af renden, met losse haren, verschoven sieraden en gescheurde kleren, achtervolgd en geslagen door een rakshasa met een lans in zijn hand. En het leek of de vrouwen hun om hulp smeekten: 'Red ons!' Maar de broers hielden vast aan hun geloften, en toen niets van dat alles op een van de twee de minste indruk bleek te maken, verdwenen de vrouwen en de rakshasa.
Ten slotte kwam de Grootvader zelf naar de twee asura's toe: Brahma, die over alles heerst en altijd het welzijn van alle schepselen zoekt. Hij vroeg hun welke gunst ze wensten. Sunda en Upasunda zagen de Grootvader, stonden op en wachtten met gevouwen handen.
'Grootvader,' zeiden ze, 'als u tevreden bent over onze ascese en ons goedgezind bent, laat ons dan alle wapens kennen en alle middelen om te begoochelen. Geef ons grote kracht, en laat ons elke gedaante kunnen aannemen die we willen. En ten slotte: laat ons ook onsterfelijk zijn.'
'Alles wat jullie vragen, krijgen jullie, behalve de onsterfelijkheid,' zei Brahma. 'Vraag een manier van sterven waarbij jullie toch aan de onsterfelijken gelijk zijn. Jullie hebben die zware ascese alleen op je genomen uit verlangen naar heerschappij; daarom kan ik jullie de onsterfelijkheid niet geven. Om de drie werelden te onderwerpen hebben jullie je ascese beoefend, en daarom, daitya's, kan ik jullie niet geven wat jullie vragen.'
'Grootvader,' zeiden Sunda en Upasunda, 'laat ons dan van niets wat in de drie werelden bestaat, van niets wat beweegt en van niets wat niet beweegt, iets te vrezen hebben, behalve van elkaar.'
'Ik geef jullie wat jullie gevraagd hebben,' zei de Grootvader. Hij gaf hun die gunst, liet hen ophouden met hun ascese en keerde terug naar zijn eigen wereld.
Nu konden de twee daitya's door niemand in de drie werelden meer gedood worden. Ze keerden naar huis terug, en al hun vrienden en verwanten verheugden zich over de gunsten die ze hadden verworven. Sunda en Upasunda sneden hun samengekoekte haar af en zetten kronen op hun hoofd. In kostbare kleren en sieraden zagen ze er prachtig uit. Elke nacht lieten ze de maan boven hun stad opkomen, ook als het zijn tijd niet was. Iedereen om hen heen vierde feest. 'Eet, geef te eten, geef weg, maak plezier, zing, drink!': dat hoorde men elke dag in elk huis. Hier en daar stegen luide feestgeluiden op, met handgeklap, en ze vulden de hele stad. De daitya's konden elke gedaante aannemen die ze wilden; ze speelden en vermaakten zich op alle manieren en merkten nauwelijks hoe de tijd verstreek. Een heel jaar leek hun één dag.
Toen de feesten voorbij waren, overlegden de broers, die over de drie werelden wilden heersen, en ze lieten hun troepen aantreden. Met de instemming van hun vrienden en verwanten, van de oudsten van de daitya's en van hun ministers, en na de riten voor een vertrek, trokken ze 's nachts uit, toen de maan in het maanhuis Magha stond. Een groot leger van daitya's ging mee, in pantsers en gewapend met knotsen, bijlen, lansen en strijdkolven, en vrolijk trokken ze op, terwijl de lofzangers liederen zongen die hun overwinning voorspelden.
De broers waren woest in de strijd en konden gaan waarheen ze wilden. Ze stegen op naar de wereld van de goden. De goden wisten dat ze kwamen en kenden de gunsten die de broers van de Grootvader hadden gekregen. Ze verlieten hun wereld en zochten hun toevlucht in de wereld van Brahma. De daitya's onderwierpen al gauw de wereld van Indra, versloegen de stammen van de yaksha's, halfgoddelijke wezens, en van de rakshasa's en alle wezens die door de lucht gaan, en trokken verder. Daarna onderwierpen de broers de naga's in de werelden onder de aarde, dan de bewoners van de oceaan, en dan alle stammen van de mleccha's, de volken buiten de orde van de Veda.
Toen wilden ze ook de hele aarde in hun macht krijgen. Ze riepen hun soldaten bij elkaar en gaven hun een wreed bevel. 'Brahmanen en koninklijke wijzen versterken met hun plengoffers en de spijzen die ze bij grote offers geven de kracht van de goden, en hun welvaart. Wie dat doet, is een vijand van de asura's. Laten we ons daarom allemaal verzamelen en hen van de aarde wegvagen!'
Aan de oostkust van de grote oceaan gaven ze hun soldaten dat bevel, en met dat wrede plan trokken de broers alle kanten op. Wie een offer bracht en de brahmanen die daarbij hielpen, doodden ze op slag, en na die slachting trokken ze verder. In de hermitages van de muni's, wijzen die zich in zwijgen en ascese terugtrekken en hun zinnen volkomen beheersen, gooiden hun soldaten de offervuren in het water. De vloeken die de rishi's in hun woede uitspraken, troffen de broers niet, want de gunsten van Brahma maakten ze machteloos. Toen de brahmanen zagen dat hun vloeken niets uithaalden, vluchtten ze alle kanten op en lieten hun riten en geloften in de steek. Zelfs de rishi's op aarde die door hun ascese de volmaaktheid hadden bereikt, die hun hartstochten in bedwang hadden en helemaal opgingen in hun meditatie, vluchtten uit angst voor de broers. De heilige hermitages werden vertrapt en vernield, de offerkruiken en offerschalen gebroken, en wat erin zat, lag over de grond verspreid. De hele wereld raakte leeg.
Toen de rishi's allemaal verdwenen waren en zich onzichtbaar hadden gemaakt, namen de twee asura's, die hen wilden vernietigen, allerlei gedaanten aan. In de gedaante van bronstige olifanten zochten ze de rishi's op die zich in grotten schuilhielden, en ze stuurden hen naar het rijk van Yama, de god van de dood. Soms werden ze leeuwen, dan weer tijgers, en het volgende ogenblik waren ze verdwenen; zo, en op andere manieren, doodden die wrede broers de rishi's zodra ze die zagen. Offers en studie hielden op, koningen en brahmanen werden uitgeroeid. Op aarde werden geen offers en geen feesten meer gehouden. De mensen riepen ach en wee, en al het kopen en verkopen stopte. Alle riten vielen stil; er waren geen heilige plechtigheden en geen huwelijken meer. De akkers werden verwaarloosd, het vee werd niet meer gehoed, steden en hermitages raakten verlaten. De aarde lag bezaaid met botten en skeletten en bood een verschrikkelijke aanblik. De offers voor de voorouders werden niet meer gebracht, en de heilige offerroep, vashat, en alle riten die heil brengen verstomden. De zon en de maan, de planeten en de sterren, de maanhuizen en de andere bewoners van het hemelgewelf zagen wat Sunda en Upasunda deden, en ze treurden diep. Met die gruweldaden onderwierpen de asura-broers alle windstreken, en ze vestigden zich zonder één rivaal op de vlakte van Kurukshetra.
De rishi's van de goden, de siddha's, wezens die de volmaaktheid hebben bereikt, en de grote rishi's, die innerlijke rust en zelfbeheersing bezaten, zagen die slachting over de hele wereld. Uit mededogen met de wereld gingen ze naar de woning van de Grootvader. Daar zagen ze hem zitten, met goden, siddha's en brahmaanse rishi's om zich heen. Shiva, de god van de goden, was er, en Agni met Vayu, en Soma, Surya en Indra, en rishi's die zich wijdden aan de meditatie op het brahman, de allerhoogste werkelijkheid, en asceten van allerlei orden, onder wie de Valakhilya's, rishi's zo klein als een duim. Bedroefd gingen de rishi's naar Brahma toe en vertelden hem alles wat Sunda en Upasunda gedaan hadden, hoe ze het gedaan hadden en in welke volgorde. Alle goden en grote rishi's legden de zaak met klem aan de Grootvader voor.
Brahma luisterde naar alles wat ze zeiden, dacht een ogenblik na en besloot wat hij zou doen. Hij wilde de asura-broers vernietigen, en hij riep Vishvakarma bij zich, de bouwmeester van de goden. 'Maak een meisje dat alle harten kan veroveren,' beval hij.
Vishvakarma boog voor de Grootvader, nam zijn bevel eerbiedig aan en maakte met grote zorg een meisje uit de wereld van de goden. Eerst bracht hij alle mooie trekken in haar lichaam bijeen; ze was bijna helemaal van edelstenen. In schoonheid had ze haar gelijke niet onder de vrouwen van de drie werelden. Er was geen plekje aan haar lichaam, hoe klein ook, dat niet door zijn pracht de blik trok. Als Shri zelf, de godin van geluk en glans, in een lichaam, veroverde ze de ogen en de harten van alle schepselen. En omdat ze was gemaakt uit deeltjes zo klein als sesamzaadjes, tila, van het beste van alle edelstenen, gaf de Grootvader haar de naam Tilottama.
Zodra ze tot leven was gewekt, boog het meisje voor Brahma. 'U die over alle schepselen heerst,' zei ze met gevouwen handen, 'welke taak moet ik volbrengen? Waarvoor ben ik gemaakt?'
'Ga naar de asura's Sunda en Upasunda, Tilottama,' zei de Grootvader, 'en verleid hen met je schoonheid, die ieder hart verovert. Gedraag je daar zo dat de asura-broers door de rijkdom van je schoonheid ruzie met elkaar krijgen zodra ze je zien.'
'Goed,' zei Tilottama. Ze boog voor de Grootvader en liep om de vergadering van de goden heen. Brahma zat met zijn gezicht naar het oosten, en Shiva zat aan de zuidkant; de goden zaten aan de noordkant en de rishi's rondom. Terwijl Tilottama om de vergadering heen liep, waren Indra en Shiva de enigen die onbewogen bleven zitten. Maar Shiva verlangde zo naar haar aanblik dat er, toen het meisje aan zijn zuidkant was, aan de zuidkant van zijn lichaam een tweede gezicht verscheen. Toen ze achter hem was, verscheen er een gezicht aan de westkant, en toen ze aan zijn noordkant was, een vierde gezicht aan de noordkant. En Indra, die even vurig naar haar wilde kijken, kreeg duizend ogen, groot en een beetje rood, voor, achter en aan zijn flanken. Zo kwam Shiva, de grote god, aan zijn vier gezichten, en Indra, die de asura Vala versloeg, aan zijn duizend ogen. De menigte van goden en rishi's draaide het gezicht alle kanten op, terwijl Tilottama om hen heen liep. Behalve de Grootvader zelf lieten al die groten hun blik op het lichaam van Tilottama vallen. En toen Tilottama met al haar schoonheid naar de stad van de asura's vertrok, beschouwde iedereen de taak al als volbracht. Toen ze weg was, liet Brahma, uit wie alles wat bestaat is voortgekomen, alle goden en rishi's gaan.
Intussen hadden de asura-broers de aarde onderworpen, en ze hadden geen rivaal meer. Hun vermoeidheid was voorbij; ze hadden de drie werelden onder één gezag gebracht en vonden dat er niets meer te doen was. Ze hadden alle schatten van de goden, de gandharva's, de yaksha's, de naga's, de rakshasa's en de koningen van de aarde bijeengebracht, en ze hadden geen zorgen meer. Ze gaven elke inspanning op en leefden als de goden voor hun genot: voor vrouwen, geuren, bloemenkransen, spijzen en dranken en veel andere aangename dingen, in overvloed. In huizen, wouden en tuinen, op heuvels en in bossen, waar ze maar wilden, vermaakten ze zich.
Eens gingen ze voor hun plezier naar een hoogvlakte in het Vindhya-gebergte, vlak en van steen, begroeid met bloeiende bomen. Alles wat ze maar konden begeren, van het aangenaamste soort, werd erheen gebracht, en de broers zaten op een prachtige zetel, met mooie vrouwen om zich heen. Om hen te behagen begonnen de vrouwen te dansen op muziek, en ze zongen lieflijk lofliederen op het tweetal.
Toen kwam Tilottama eraan, gekleed in één enkel stuk rode zijde dat haar lichaam nauwelijks bedekte, en onderweg plukte ze wilde bloemen. Langzaam liep ze naar de plek waar de asura's zaten. De broers hadden veel gedronken, en toen ze dat meisje van weergaloze schoonheid zagen, waren ze verloren. Ze stonden op van hun zetel en haastten zich naar haar toe. Ze begeerden haar allebei, en ieder wilde het meisje voor zichzelf. Sunda greep het meisje met de mooie wenkbrauwen bij haar rechterhand. Dronken van de gunsten die ze hadden gekregen, van hun lichaamskracht, van de rijkdom en de edelstenen die ze uit alle windstreken hadden bijeengebracht, en van de wijn, keerden ze zich tegen elkaar, en ieder trok zijn wenkbrauwen samen van woede.
'Ze is mijn vrouw, en dus voor jou een meerdere,' zei Sunda.
'Ze is mijn vrouw, en dus je schoonzuster,' antwoordde Upasunda.
'Ze is van mij, niet van jou!' riepen ze allebei.
Al gauw werden ze razend. Buiten zinnen door de schoonheid van het meisje vergaten ze hun liefde en hun genegenheid voor elkaar, en allebei pakten ze hun zware knotsen. 'Ik was de eerste! Ik was de eerste!' riep ieder, en ze sloegen elkaar met hun knotsen neer. Badend in hun bloed lagen de woeste asura's op de grond, als twee zonnen die uit het hemelgewelf zijn losgeslagen.
De vrouwen die er waren en de andere asura's zagen het, en bevend van angst vluchtten ze naar de werelden onder de aarde. Toen kwam de Grootvader, zuiver van hart, met de goden en de grote rishi's daarheen. Hij prees Tilottama en wilde haar een gunst geven. Nog voordat ze iets kon zeggen, zei hij: 'Jij zult zwerven door de wereld van de Aditya's, de zonnegoden. Je glans zal zo groot zijn dat niemand je ooit lang zal kunnen aankijken.' Nadat de Grootvader van alle schepselen haar die gunst had gegeven, legde hij de heerschappij over de drie werelden weer in handen van Indra, zoals vroeger, en keerde terug naar zijn eigen wereld.
'Die asura's waren altijd één en hadden één doel, en toch hebben ze elkaar in hun woede gedood om Tilottama,' zei Narada. 'Daarom zeg ik jullie uit genegenheid, nazaten van Bharata: als jullie mij een genoegen willen doen, tref dan een regeling, zodat jullie om Draupadi nooit ruzie krijgen met elkaar.'
De Pandava's overlegden met elkaar, en in het bijzijn van de rishi van de goden, die een onmetelijke kracht bezat, stelden ze een regel in. Wanneer een van hen met Draupadi zat, moest ieder van de andere vier die hem zo met haar zag, twaalf jaar naar het woud gaan en daar leven als brahmacharin: in onthouding, zoals een leerling van de Veda. Toen de Pandava's die regel hadden ingesteld, was de grote muni Narada tevreden over hen, en hij ging waarheen hij wilde.
'Zo hebben de Pandava's op aandringen van Narada een regel ingesteld voor hun gezamenlijke vrouw, Janamejaya,' zei Vaishampayana. 'En daarom is er tussen hen nooit twist ontstaan.'
De koeien van de brahmaan
En Vaishampayana vertelde verder.
Met de kracht van hun armen brachten de Pandava's vanuit Khandavaprastha veel koningen onder hun gezag, en ze hielden zich aan de regel die ze hadden ingesteld. Draupadi gehoorzaamde alle vijf zonen van Pritha. Zoals de rivier de Sarasvati vreugde vindt in de olifanten die in haar baden, en de olifanten in haar, zo vond Draupadi vreugde in haar vijf heldhaftige mannen, en zij in haar.
Na enige tijd stalen rovers de koeien van een brahmaan. Terwijl ze met hun buit wegtrokken, ging de brahmaan, buiten zichzelf van woede, naar Khandavaprastha, en daar begon hij de Pandava's verwijten te maken.
'Pandava's! Uit jullie eigen rijk worden mijn koeien op dit ogenblik met geweld weggehaald door laaghartige, slechte ellendelingen! Zet de dieven achterna! Ach, de offerboter van een vreedzame brahmaan wordt door kraaien weggeroofd! Ach, de ellendige jakhals dringt het lege hol van de leeuw binnen! Een koning die het zesde deel van de oogst als belasting heft zonder zijn onderdanen daarvoor te beschermen, noemen de wijzen de grootste kwaaddoener van de hele wereld. Het bezit van een brahmaan wordt door rovers weggehaald! De dharma zelf neemt af! Pak me bij de hand, Pandava's, want ik ga ten onder aan mijn verdriet!'
Arjuna, de zoon van Kunti, hoorde de brahmaan bitter huilen en klagen. 'Wees niet bang!' riep hij luid.
Maar de kamer waar de Pandava's hun wapens bewaarden, was op dat ogenblik bezet door Yudhishthira, die er met Draupadi zat. Arjuna kon er niet binnengaan en ook niet met de brahmaan meegaan, hoe vaak diens gehuil hem ook tot het een of het ander aanspoorde. De brahmaan bleef hem roepen, en Arjuna dacht na.
'Het bezit van deze onschuldige brahmaan wordt geroofd. Ik moet zijn tranen drogen. Hij is aan onze poort gekomen en huilt nog steeds. Als ik hem niet bescherm, treft het kwaad van mijn onverschilligheid de koning; ons onrecht zal in het hele rijk worden rondverteld, en we laden een groot kwaad op ons. Maar ga ik de kamer binnen zonder de koning te ontzien, dan ben ik onwaarachtig tegenover de koning die geen vijand heeft. En als ik de kamer binnenga, loop ik de straf op van een ballingschap in het woud. Toch moet ik over alles heen stappen. Het kan me niet schelen of ik kwaad op me laad door de koning niet te ontzien. Het kan me niet schelen of ik naar het woud moet gaan en daar sterven. De dharma staat boven het lichaam en blijft bestaan als het lichaam vergaan is!'
Hij ging de kamer binnen en praatte met Yudhishthira. Met zijn boog kwam hij weer naar buiten. 'Ga snel voor, brahmaan,' zei hij, 'voordat die ellendige rovers een te grote voorsprong hebben. Ik ga met u mee en geef u het bezit terug dat in handen van de dieven is gevallen.'
Met zijn boog, in zijn wapenrusting en op zijn strijdwagen met het vaandel zette Arjuna de dieven achterna. Hij doorboorde hen met zijn pijlen en dwong hen de buit op te geven. De brahmaan kreeg zijn koeien terug; Arjuna won er grote roem mee en keerde naar de hoofdstad terug. Daar boog hij voor alle oudsten, en iedereen prees hem. Ten slotte ging Arjuna naar Yudhishthira.
'Geef me verlof, koning, om de gelofte na te komen die ik heb afgelegd,' zei hij. 'Ik heb u met Draupadi zien zitten, en daarmee heb ik de regel gebroken die we zelf hebben ingesteld. Daarom ga ik naar het woud. Zo hebben we het afgesproken.'
'Waarom?' riep Yudhishthira. Even later zei hij tegen zijn broer, die nooit van zijn geloften afweek: 'Als ik voor jou een gezag ben, luister dan naar wat ik zeg. Ik weet heel goed waarom je mijn kamer bent binnengegaan en iets hebt gedaan waarvan je denkt dat het me onaangenaam was. Maar ik ben niet boos op je. Een jongere broer doet niets verkeerd als hij de kamer binnengaat waar zijn oudere broer met zijn vrouw zit. Alleen de oudere broer doet wat niet hoort als hij de kamer binnengaat waar zijn jongere broer met zijn vrouw zit. Zie daarom af van je voornemen en doe wat ik zeg. Je dharma heeft er niets onder geleden. Je hebt me niet tekortgedaan.'
'Ik heb van u zelf gehoord dat je de dharma niet met uitvluchten mag ontlopen,' antwoordde Arjuna. 'Ik kan niet van de waarheid afwijken. De waarheid is mijn wapen.'
Met toestemming van de koning maakte Arjuna zich klaar voor het leven in het woud, en hij vertrok om er twaalf jaar te blijven.