
Hoofdstuk zeven
Het schot
De boog en het doel
Boek 2 · De leerjaren · Deel II, Draupadi · 18 min. lezen
De vijf broers, de Pandava's, gingen met hun moeder op weg naar Panchala. Ze wilden het land zien, en Draupadi, en de feesten voor haar huwelijk. Onderweg kwamen ze een groep brahmanen tegen die samen reisden, jonge leerlingen van de Veda die in onthouding leefden. 'Waar gaan jullie heen?' vroegen die. 'En waar komen jullie vandaan?'
'Wij zijn broers van dezelfde moeder, en we reizen met haar,' zei Yudhishthira. 'We komen uit Ekachakra.'
'Ga dan vandaag nog naar het huis van Drupada in het land van de Panchala's,' zeiden de brahmanen. 'Daar wordt een svayamvara gehouden, een bruidskeuze, en er wordt veel geld aan besteed. Wij gaan er ook heen. Laten we samen gaan. Drupada, die ook Yajnasena heet, heeft een dochter die midden uit het offeraltaar is opgerezen. Ze is de zuster van Dhrishtadyumna, die ooit Drona zal doden. Ze is buitengewoon mooi, en de geur van de blauwe lotus die van haar uitgaat, is tot een krosha in de omtrek te ruiken. Uit de uitgenodigde prinsen zal ze een man kiezen. Wij gaan erheen om haar te zien, en de feesten, die op die van de goden zullen lijken. Er komen koningen en prinsen uit veel landen: mannen die grote offers brengen en de brahmanen rijk belonen, die studeren, rein leven en strenge geloften houden, jong en mooi, geduchte wagenstrijders die de wapens beheersen. Om het meisje te winnen zullen ze allemaal veel weggeven: rijkdom, koeien, voedsel en wat er verder te genieten valt. We nemen wat ze geven, we zien de svayamvara, we genieten van de feesten, en dan gaan we waarheen we willen. Er komen ook toneelspelers, barden die de lof van de koningen zingen, dansers, vertellers van de purana's, de oude overleveringen, herauten en sterke worstelaars. Kijk naar dat alles, neem aan wat er aan voorname gasten wordt weggegeven en kom dan met ons terug. Jullie zijn allemaal zo mooi als goden. Wie weet kiest Draupadi, als ze jullie ziet, een van jullie, omdat hij boven de anderen uitsteekt. En deze broer van jullie, met zijn sterke armen, zo goed gebouwd en getraind in het worstelen, kan er misschien veel rijkdom verdienen.'
'We gaan allemaal met jullie mee, brahmanen,' zei Yudhishthira, 'naar de svayamvara van dat meisje, dat prachtige feest.'
De Pandava's trokken, koning, verder naar het land van de zuidelijke Panchala's, waar koning Drupada heerste. Onderweg ontmoetten ze Vyasa, hun grootvader, een wijze die zuiver van hart was en vrij van kwaad. Ze groetten hem en hij groette hen, en na hun gesprek gingen ze op zijn bevel verder naar het huis van Drupada. Ze reisden in korte dagmarsen en bleven soms een tijd in de mooie wouden en bij de heldere meren die ze tegenkwamen. Ze wijdden zich aan hun studie, leefden rein, waren vriendelijk en spraken zacht, en ten slotte kwamen ze in het land van de Panchala's.
Ze zagen de hoofdstad en de burcht, en ze namen hun intrek in het huis van een pottenbakker. Ze leefden als brahmanen en haalden hun eten bij de huizen op, en zolang ze in de hoofdstad van Drupada verbleven, herkende niemand hen.
Drupada had altijd gewild dat zijn dochter met Arjuna zou trouwen, de zoon van Pandu, maar hij had er met niemand over gesproken. Met hem in gedachten liet hij een boog maken die zo stug was dat alleen een boogschutter als Arjuna hem kon spannen. Hoog in de lucht liet hij een toestel opstellen, met daaraan een doel.
'Wie deze boog spant en met deze versierde pijlen het doel boven het toestel raakt,' zei Drupada, 'krijgt mijn dochter.'
Dat liet hij bekendmaken, en de koningen uit andere landen kwamen naar zijn hoofdstad, en veel rishi's die de svayamvara wilden zien, en brahmanen uit alle landen. Ook Duryodhana kwam, met de andere Kaurava's en met Karna, zijn vriend. Drupada ontving alle koningen met eerbied. De burgers, die luid door elkaar riepen, namen plaats op de tribunes die rond het strijdperk waren gebouwd.
Het strijdperk lag op een gunstige, vlakke plek ten noordoosten van de hoofdstad, en de koning ging er door de noordoostelijke poort binnen. Het was aan alle kanten omgeven door hoge muren en een gracht met hier en daar een boogpoort, en een baldakijn in vele kleuren overdekte het. Duizenden trompetten klonken, het rook naar zwarte aloë, overal was water met sandelpasta gesprenkeld, en overal hingen bloemenslingers. Rondom stonden hoge, spierwitte huizen van zeven verdiepingen, als de toppen van de Kailasa die tot in de wolken reiken. Hun ramen waren bedekt met gouden traliewerk, hun muren ingelegd met diamanten en behangen met kostbare tapijten en stoffen, en hun geur was een yojana ver te ruiken. Elk huis had honderd deuren, zo breed dat er een hele groep tegelijk door kon, en binnen stonden rijke bedden, lagen tapijten en glansden versieringen van metaal. Daar woonden de koningen die Drupada had uitgenodigd, met al hun sieraden, en ieder wilde de anderen overtreffen. Ze waren ingesmeerd met de geurige pasta van zwarte aloë. Het waren vrijgevige vorsten, toegewijd aan de Veda, die hun rijken tegen alle vijanden beschermden, en om hun goede daden hield de hele wereld van hen. De mensen uit de stad en het land, die gekomen waren om Draupadi te zien, zaten op de tribunes en keken naar de koningen in die huizen.
Ook de Pandava's kwamen het strijdperk binnen. Ze gingen tussen de brahmanen zitten en zagen de weergaloze rijkdom van de koning van de Panchala's. De menigte van prinsen, brahmanen en anderen keek met plezier naar de voorstellingen van de toneelspelers en de dansers, terwijl er voortdurend rijke geschenken werden uitgedeeld, en ze groeide met de dag.
Dat ging vele dagen door. Op de zestiende dag, toen de menigte op haar grootst was, kwam de dochter van Drupada het strijdperk binnen. Ze had gebaad, ze was rijk gekleed en met elk sieraad getooid, en in haar hand droeg ze een gouden schaal met de arghya, het water en de gaven waarmee men een geëerde gast ontvangt, en een bloemenkrans.
De huispriester van de Somaka's, het geslacht van koning Drupada, was een brahmaan die alle mantra's kende. Hij ontstak het offervuur en goot er volgens de riten geklaarde boter in. Toen Agni zo gunstig gestemd was, liet hij de brahmanen de heilwensen uitspreken en de muziek zwijgen die overal speelde. In het hele strijdperk werd het doodstil. Dhrishtadyumna nam zijn zuster bij de arm, ging midden in de menigte staan en zei met een stem zo diep als de donder:
'Luister, verzamelde koningen. Dit is de boog, dat is het doel, en dit zijn de pijlen. Schiet met deze vijf scherpe pijlen door de opening in het toestel op het doel. Wie van goede afkomst, mooi en sterk is en deze grote daad volbrengt, krijgt vandaag mijn zuster tot vrouw. Dat zeg ik naar waarheid.'
Daarna wendde hij zich tot zijn zuster en noemde haar de namen, de afkomst en de daden van de verzamelde koningen.
'Duryodhana, Duhshasana en vele andere zonen van Dhritarashtra, allemaal helden, zijn samen met Karna voor jou gekomen, zuster. Shakuni en zijn broers, de zonen van de koning van Gandhara, zijn gekomen. Ashvatthama, de zoon van Drona, is gekomen. Virata is gekomen met zijn twee zonen, Shankha en Uttara, en Jarasandha, de koning van Magadha, en Bhagadatta, en Shalya, de koning van Madra, met zijn zoon. Somadatta uit het geslacht van Kuru is gekomen met zijn drie zonen, Bhuri, Bhurishravas en Shala. Jayadratha, de koning van de Sindhu's, is gekomen, en Shishupala, en ook Shibi, de zoon van Ushinara. Uit het geslacht van de Vrishni's zijn Balarama gekomen, de oudere broer van Krishna, en Krishna zelf, en met hen Satyaki, Kritavarman, Pradyumna, de zoon van Krishna en Rukmini, en vele anderen. Deze en nog veel meer koningen, kshatriya's die over de hele wereld bekend zijn, zijn voor jou gekomen. Ze zijn vol kracht, en ze zullen op het doel schieten. En jij kiest tot man wie van hen het doel raakt.'
Het schot
De jonge prinsen, met hun oorringen, stonden op en zwaaiden met hun wapens. Ze wedijverden met elkaar, en ieder vond zichzelf sterk en bedreven in de wapenkunst. Ze waren dronken van trots op hun schoonheid, hun moed, hun afkomst, hun kennis, hun rijkdom en hun jeugd. Kama, de god van de liefde, had hen in zijn macht, en ze keken jaloers naar elkaar, zelfs naar hun beste vrienden. 'Draupadi wordt van mij!' riepen ze, en ze daalden af in het strijdperk om het meisje uit Panchala te winnen.
Ook de goden kwamen in hun wagens, met al hun scharen, de Rudra's en de Aditya's, de Vasu's en de Ashvins, de tweelinggoden, de Sadhya's en alle Maruts, de stormgoden, met Kubera en Yama voorop. Er kwamen daitya's, de zonen van Diti, en suparna's, de vogels met de prachtige veren, grote naga's en rishi's van de goden, guhyaka's, de dienaren van Kubera, en charana's, de zangers die de lof van de goden zingen, Vishvavasu, Narada en Parvata, en de gandharva's, de hemelse muzikanten, met de apsara's. Er kwamen asura's en siddha's, wezens die de volmaaktheid hebben bereikt. De lucht hing vol hemelse geuren en lag bezaaid met hemelse bloemen; ze weergalmde van pauken en van het gegons van ontelbare stemmen, van fluit, vina en trommel, zodat de wagens van de goden nauwelijks een weg door het hemelgewelf vonden.
Balarama, die de ploeg als wapen draagt, en Krishna, de neef van de Pandava's, keken toe, met de voormannen van de Vrishni's, de Andhaka's en de Yadava's, die Krishna als hun leider volgden. Krishna zag de vijf Pandava's, die zich tot Draupadi aangetrokken voelden en daar zaten als vuur dat onder de as smeult, en hij begon na te denken.
'Dat is Yudhishthira,' zei hij tegen Balarama. 'Dat is Bhima, en dat Arjuna, en dat zijn de tweelingen.' Balarama bekeek hen langzaam en wierp Krishna een tevreden blik toe.
De andere helden, zonen en kleinzonen van koningen, beten op hun onderlip van woede. Hun ogen, hun hart en hun gedachten waren bij Draupadi. Ze staarden alleen naar haar, en de Pandava's merkten ze niet op. Ook de Pandava's zagen Draupadi, en ook zij werden door Kama getroffen.
Een voor een begonnen de prinsen hun kracht te tonen om dat meisje van weergaloze schoonheid te winnen: Duryodhana, Shalva van Saubha, Shalya, Ashvatthama, Kratha, Sunitha, Vakra, de koning van Kalinga en Vanga, Pandya, Paundra, de koning van Videha, de vorst van de Yavana's, een volk uit het westen, en vele andere zonen en kleinzonen van koningen. Ze droegen kronen, kransen, armbanden en andere sieraden, ze hadden sterke armen en barstten van kracht, maar ze konden die buitengewoon stugge boog zelfs niet in gedachten spannen. Wie het probeerde, met gezwollen lippen en ieder naar zijn kracht, zijn opleiding en zijn bekwaamheid, werd door de boog op de grond geslingerd en bleef een tijd roerloos liggen. Hun kracht was op, hun kronen en kransen lagen los, ze hijgden naar adem, en hun eerzucht om het meisje te winnen was bekoeld. Ze jammerden, en de hele verzameling koningen, die geen hoop meer had Draupadi te krijgen, zat er somber bij.
Karna, die was opgegroeid bij de suta's, het geslacht van barden en wagenmenners, zag hoe die koningen erbij lagen. Hij ging naar de boog, tilde hem snel op, spande hem en legde de pijlen op de pees. De Pandava's zagen hoe vastberaden hij op het doel aanlegde, en ze beschouwden het al als geraakt en neergehaald. Maar toen Draupadi Karna zag, zei ze luid: 'Ik kies geen suta tot man.'
Karna lachte van ergernis, keek naar de zon en gooide de boog weg, die hij al tot een cirkel had gespannen.
Toen alle kshatriya's het hadden opgegeven, kwam Shishupala, de zoon van Damaghosha en koning van de Chedi's. Dapper en vastberaden probeerde hij de boog te spannen, en hij viel zelf op zijn knieën. Na hem kwam de sterke Jarasandha, de koning van Magadha, naar de boog en stond er een ogenblik roerloos bij. Ook hij werd door de boog neergeslingerd en viel op zijn knieën; hij stond op, verliet het strijdperk en keerde terug naar zijn rijk. Toen probeerde Shalya het, de koning van Madra, met al zijn kracht, en ook hij viel op zijn knieën.
Ten slotte, toen alle koningen in die voorname vergadering het mikpunt van spot waren geworden, stond Arjuna op uit de menigte brahmanen om de boog te spannen. De brahmanen zagen hem naar de boog lopen, schudden hun hertenvellen en maakten luid lawaai, sommigen uit ongenoegen, anderen uit bijval.
Enkele verstandige, vooruitziende brahmanen zeiden tegen elkaar: 'Hoe kan een jonge brahmaan die niet in de wapens geoefend is en weinig kracht heeft, een boog spannen die sterke kshatriya's als Shalya, meesters in de wapenkunst, niet konden spannen? Als hij niet slaagt in deze onbeproefde taak, die hij uit jongensachtige onbezonnenheid op zich neemt, maakt hij alle brahmanen hier belachelijk in de ogen van de koningen. Houd hem tegen, voor hij uit ijdelheid of kinderlijke durf aan die boog begint.'
Anderen wilden daar niets van weten. 'We maken ons niet belachelijk, en we halen ons geen minachting op de hals, en ook niet het ongenoegen van de koningen. Kijk naar die schouders, die armen en die dijen, kijk hoe hij loopt, hoe geduldig en vastberaden hij is: hij gaat die daad volbrengen. Hij heeft kracht en wilskracht; had hij die niet, dan ging hij niet uit zichzelf. Bovendien is er in de drie werelden niets wat brahmanen niet kunnen volbrengen. Ook als ze vasten, of alleen van lucht of vruchten leven, trouw aan hun geloften, uitgemergeld en zwak, hebben brahmanen altijd hun eigen kracht. Onderschat een brahmaan nooit, of hij nu goed of verkeerd handelt; denk niet dat hij een taak niet aankan, groot of klein, met een gelukkige of een ongelukkige afloop. Rama, de zoon van Jamadagni, versloeg alle kshatriya's in de strijd. De rishi Agastya dronk met de kracht van een brahmaan de peilloze oceaan leeg. Zeg daarom: "Laat deze jonge man de boog buigen en hem moeiteloos spannen."'
'Goed,' zeiden velen, en de brahmanen bleven nog lang zo met elkaar praten.
Arjuna ging naar de boog en bleef er even bij staan. Hij liep eromheen, boog het hoofd voor Ishana, dat is Shiva, de gever van gunsten, dacht ook aan Krishna en nam de boog op. De boog die Rukmi, Sunitha, Vakra, Duryodhana, Shalya en vele andere koningen, allemaal bedreven in de wapenkunst, zelfs met grote inspanning niet hadden kunnen spannen, spande Arjuna in een oogwenk. Hij nam de vijf pijlen, schoot op het doel en haalde het neer: door de opening in het toestel waarboven het hing, viel het op de grond.
In de lucht steeg rumoer op, en in het strijdperk barstte een luid geschreeuw los. De goden lieten hemelse bloemen regenen, op het hoofd van Arjuna en over het hele strijdperk. Duizenden brahmanen zwaaiden met hun bovenkleren. Overal om hen heen slaakten de koningen die niet geslaagd waren, kreten van wanhoop. De muzikanten begonnen samen te spelen, en barden en herauten zongen met zoete stemmen zijn lof. Drupada zag Arjuna en was bereid hem met zijn troepen bij te staan als het nodig was. Toen het rumoer op zijn hoogst was, verliet Yudhishthira met de tweelingen haastig het strijdperk om naar hun tijdelijke onderkomen terug te keren.
Draupadi zag dat het doel geraakt was, en ze zag Arjuna, die het had geraakt. Glimlachend ging ze naar hem toe met een witte bruidskrans. Alle brahmanen begroetten Arjuna met eerbied, want hij had Draupadi met zijn schot in het strijdperk gewonnen. Al gauw wilde hij het strijdperk verlaten, en Draupadi volgde hem op de voet, die nu zijn vrouw was.
De koningen
Toen koning Drupada te kennen gaf dat hij zijn dochter wilde geven aan de brahmaan die het doel had geraakt, keken de koningen die voor de svayamvara waren uitgenodigd elkaar aan, en plotseling werden ze woedend. 'Hij gaat ons voorbij,' zeiden ze. 'Hij behandelt de verzamelde koningen als stro, deze Drupada, en hij wil zijn dochter, de mooiste van alle vrouwen, aan een brahmaan geven! Hij plant de boom en hakt hem om als die op het punt staat vrucht te dragen. Die ellendeling ziet ons niet staan; laten we hem doden. Hij verdient ons respect niet, en ook niet de eerbied die men aan ouderdom verschuldigd is. Laten we hem doden, samen met zijn zoon, want hij beledigt alle koningen. Hij nodigt ons uit, onthaalt ons op goed eten, en op het laatst veracht hij ons. Ziet hij in deze vergadering van koningen niet één koning die hem gelijk is? Iedereen kent het woord van de Veda dat de svayamvara voor de kshatriya's is. Een brahmaan telt niet mee als een kshatriya-meisje een man kiest. En als dit meisje niemand van ons tot man wil kiezen, koningen, laten we haar dan in het vuur werpen en naar onze rijken teruggaan. Maar die brahmaan mag niet gedood worden, ook al heeft hij de koningen uit bemoeizucht of hebzucht dit onrecht aangedaan, want onze rijken, ons leven, onze schatten, onze zonen en kleinzonen en alle andere rijkdom die we hebben, bestaan voor de brahmanen. Er moet hier iets gebeuren, uit angst voor schande en om te bewaren wat aan elke stand toekomt, zodat andere svayamvara's niet zo aflopen.'
Ze grepen hun wapens en gingen op Drupada af om hem ter plekke te doden. Toen Drupada al die koningen tegelijk met bogen en pijlen op zich af zag komen, zocht hij uit angst bescherming bij de brahmanen. Maar Bhima en Arjuna, geduchte boogschutters allebei, gingen de aanvallers tegemoet. Met handschoenen aan en geheven wapens drongen de koningen op de twee Kuru-prinsen aan om hen te doden.
Bhima rukte een grote boom uit en ontdeed hem van zijn bladeren. Met die boom stond hij naast Arjuna, zoals Yama, de koning van de doden, met zijn verschrikkelijke knots. Arjuna zag wat zijn broer deed en verwonderde zich. Hij schudde alle angst van zich af en stond met zijn boog klaar om de aanvallers op te vangen.
Krishna had alles gezien. 'Nu zie je het zelf, Balarama,' zei hij tegen zijn broer. 'Die held daar, die de grote boog van vier volle el in zijn hand trekt, is Arjuna. Daar bestaat geen twijfel over, zo waar als ik de zoon van Vasudeva ben. En die andere, die zo snel de boom heeft uitgerukt en ineens klaarstaat om de koningen te verjagen, is Bhima, want niemand in de wereld behalve Bhima zou vandaag op het slagveld zoiets kunnen. En de jonge man met de ogen als lotusbladeren, vier volle el lang, trots van tred en toch bescheiden, met een lichte huid en een markante, glanzende neus, die daarnet het strijdperk verliet, is Yudhishthira, de zoon van Dharma. De twee jongsten, die zo mooi zijn als Kartikeya, de god van de oorlog, zijn de zonen van de Ashvins. Ik had al gehoord dat de zonen van Pandu met hun moeder Pritha aan de brand in het huis van lak waren ontkomen.'
'Dan is het waar,' zei Balarama, met grote voldoening. 'Wat een geluk: de zuster van onze vader, Pritha, is met de Kuru-prinsen aan de dood ontkomen!' Pritha was de naam die Kunti als meisje had gedragen, voordat haar vader Shura haar aan koning Kuntibhoja gaf.
De brahmanen schudden hun hertenvellen en hun waterpotten van kokosnoot en riepen: 'Wees niet bang, wij zullen tegen de vijand vechten!'
'Ga opzij en kijk toe,' zei Arjuna tegen hen. 'Met honderden pijlen met rechte punten houd ik al die woedende koningen tegen, zoals men slangen met mantra's bedwingt.'
Arjuna nam de boog waarmee hij de bruid had gewonnen, en hij stond onbeweeglijk naast zijn broer Bhima. De twee helden zagen de kshatriya's, altijd woest in de strijd, met Karna voorop, en ze gingen onbevreesd op hen af.
'In de strijd mag je iemand doden die wil vechten,' riepen de koningen, die naar het gevecht verlangden, en ze vielen de brahmanen aan. Karna ging vol kracht op Arjuna af, Shalya op Bhima. Duryodhana en de anderen schermutselden met de brahmanen, lichtjes en achteloos.
Arjuna zag Karna op zich af komen, trok zijn stugge boog en doorboorde hem met zijn scherpe pijlen. De kracht van die pijlen deed Karna flauwvallen. Toen hij weer bij zinnen kwam, viel hij Arjuna voorzichtiger aan dan eerst. Ze wilden elkaar allebei verslaan en vochten als bezetenen. Hun handen waren zo snel dat ze, ieder gehuld in de pijlenregen van de ander, voor de toeschouwers onzichtbaar werden.
'Kijk naar de kracht van mijn armen.'
'Kijk hoe ik die daad heb afgeslagen.'
Zulke woorden, die alleen helden begrijpen, riepen ze elkaar toe. Het maakte Karna woedend dat de kracht van Arjuna's armen op aarde haar gelijke niet had, en hij vocht nog heftiger. Hij weerde alle pijlen af die Arjuna op hem afschoot en slaakte een luide kreet, en alle strijders juichten om die daad.
'Brahmaan,' zei Karna, 'het doet me goed de kracht van je armen te zien, die in de strijd niet verslapt, en je wapens, die gemaakt zijn om te overwinnen. Ben je de wapenkunst zelf in een lichaam, of Rama, de zoon van Jamadagni, of Indra zelf, of Indra's jongere broer Vishnu, die ook Achyuta heet, die zich als brahmaan heeft vermomd en met zo'n kracht tegen mij vecht? Niemand anders dan Indra, de man van Shachi, of Arjuna, de zoon van Pandu, kan met me vechten als ik woedend ben op het slagveld.'
'Karna,' antwoordde Arjuna, 'ik ben de wapenkunst niet in een lichaam, en ook niet Rama met zijn bovenmenselijke krachten. Ik ben alleen een brahmaan, maar geen strijder en geen wapendrager overtreft mij. Dankzij mijn leraar ben ik bedreven geworden in het brahmastra, het wapen van Brahma, en in dat van Indra. Ik ben hier om je in de strijd te verslaan. Wacht nog even, held.'
Karna hield op met vechten, want de kracht van een brahmaan, dacht hij, is niet te overwinnen. Intussen hadden Shalya en Bhima elkaar op een ander deel van het veld uitgedaagd, en ze vochten als twee bronstige olifanten. Ze sloegen elkaar met gebalde vuisten en met hun knieën. Soms duwden ze elkaar vooruit en soms trokken ze elkaar naar zich toe, soms gooiden ze elkaar voorover op de grond en soms op de zij. Hun slagen klonken zo hard dat het strijdperk ervan weergalmde. Een paar ogenblikken ging het zo, en toen tilde Bhima Shalya op zijn armen en slingerde hem een eind weg. Iedereen stond versteld, want hij gooide Shalya wel op de grond, maar zonder hem veel pijn te doen.
Nu Shalya was neergeworpen en Karna bang was geworden, schrokken alle andere koningen. Ze omringden Bhima haastig en riepen: 'Die brahmanen zijn geweldige strijders! Zoek uit van welk geslacht ze zijn en waar ze wonen. Wie kan het in de strijd opnemen tegen Karna, de zoon van Radha, behalve Rama of Drona, of Arjuna, de zoon van Pandu? Wie kan het in de strijd opnemen tegen Duryodhana, behalve Krishna, de zoon van Devaki, en Kripa, de zoon van Sharadvat? En wie kan Shalya in de strijd neerwerpen, behalve de held Balarama, of Bhima, de zoon van Pandu, of de dappere Duryodhana? Laten we ophouden met deze strijd tegen de brahmanen. Brahmanen moeten, ook als ze ons beledigen, altijd beschermd worden. Laten we eerst uitzoeken wie ze zijn; als we dat weten, kunnen we met plezier met ze vechten.'
Krishna had ook deze worp van Bhima gezien, en hij wist wie die twee brahmanen waren. 'Dit meisje is rechtmatig verworven,' zei hij rustig tegen de verzamelde koningen, en met die woorden haalde hij hen over. De koningen hielden op met vechten en keerden verwonderd terug naar hun rijken. Wie gekomen was, ging weg en zei: 'Het feest is geëindigd met de overwinning van de brahmanen. De prinses van Panchala is de bruid van een brahmaan geworden.' Bhima en Arjuna, door de vijand gehavend, baanden zich moeizaam een weg uit de menigte, omringd door brahmanen in vellen van herten en andere wilde dieren en gevolgd door Draupadi, tot ze eindelijk buiten stonden.
Intussen maakte Kunti zich zorgen, omdat haar zonen zo laat terugkwamen van hun ronde langs de huizen. Ze stelde zich alle rampen voor die hun overkomen konden zijn. Het ene ogenblik dacht ze dat de zonen van Dhritarashtra haar zonen hadden herkend en gedood. Dan weer was ze bang dat wrede, sterke rakshasa's, de mensenetende nachtwezens, hen met hun begoocheling hadden gedood. 'Kan Vyasa zelf, die mijn zonen naar Panchala stuurde, door een verkeerde gedachte geleid zijn?' vroeg ze zich af, zo bang was ze om haar kinderen.
Het was al late middag, en stil, toen Arjuna met een groep brahmanen het huis van de pottenbakker binnenkwam.