Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Boek 1 · Hoofdstuk twaalf, De gelofte

De achtste zoon

Verteld door Vaishampayana, aan koning Janamejaya, tijdens het slangenoffer. Ongeveer 6 minuten lezen.

De koning glimlachte, en zijn woorden waren zacht en lief. Het meisje dacht aan wat ze de Vasu's had beloofd. 'Koning,' zei ze, 'ik zal je vrouw worden en je gehoorzamen. Maar je mag je nooit bemoeien met wat ik doe, of het je nu bevalt of niet. En je mag nooit een onvriendelijk woord tegen me zeggen. Zolang je vriendelijk tegen me bent, beloof ik bij je te blijven. Maar op het moment dat je je met me bemoeit of een onvriendelijk woord tegen me zegt, ga ik bij je weg.'

'Goed,' zei de koning.

Het meisje kreeg de koning uit het geslacht van Bharata tot man. En koning Shantanu genoot ten volle van het gezelschap van zijn vrouw. Hij hield zich aan zijn belofte en vroeg haar nooit iets. Haar gedrag, haar schoonheid, haar grootmoedigheid en de aandacht waarmee ze voor hem zorgde, bevielen hem steeds meer. En de godin Ganga, die langs drie wegen stroomt, leefde in een menselijke gedaante van hemelse schoonheid als de vrouw van Shantanu; als vrucht van haar goede daden had ze een man gekregen die als Indra was. Ze nam de koning voor zich in met haar aantrekkingskracht en haar genegenheid, met haar listen en haar liefde, met haar muziek en haar dans, en zelf was ze gelukkig. De koning was zo verrukt van zijn mooie vrouw dat de maanden, de seizoenen en de jaren voorbijgingen zonder dat hij het merkte.

Lees het hele verhaal in hoofdstuk twaalf, De gelofte

In hetzelfde hoofdstuk

Ganga en de acht zonen; Devavrata's gelofte: Bhishma.