Boek 1 · Hoofdstuk dertien, De drie prinsessen
Drie zonen
Kort nadat de maandelijkse bloeding van Ambika voorbij was, liet Satyavati haar schoondochter het reinigingsbad nemen en bracht haar naar de slaapkamer. Ze liet haar op een weelderig bed zitten en zei tegen haar: 'Prinses, je man heeft een oudere broer, en die zal vannacht in je schoot komen als je kind. Wacht vannacht op hem, en val niet in slaap.'
Terwijl ze op haar bed lag, dacht de prinses aan Bhishma en de andere ouderen van het geslacht van Kuru. De rishi, wiens woord altijd waar was, had beloofd eerst naar Ambika te gaan, en bij het licht van de lamp kwam hij haar kamer binnen. De prinses zag zijn donkere gezicht, zijn koperkleurige haar, samengekoekt tot strengen, zijn vlammende ogen en zijn grimmige baard, en van angst sloot ze haar ogen. De rishi, die de wens van zijn moeder wilde vervullen, sliep met haar. Maar zij deed van angst geen enkele keer haar ogen open om naar hem te kijken.
Lees het hele verhaal in hoofdstuk dertien, De drie prinsessen
In hetzelfde hoofdstuk
Chitrangada, de roof van de prinsessen, de niyoga: Vyasa's drie zonen; Mandavya en de herkomst van Vidura; Pandu wordt koning.