Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk dertien

De drie prinsessen

Chitrangada

Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel III, Het huis van de Kuru's · 29 min. lezen

Na het huwelijk bracht koning Shantanu zijn mooie bruid naar zijn huis. Al gauw kreeg Satyavati een zoon van Shantanu, Chitrangada. Hij was verstandig, dapper en sterk, en hij werd een groot man. Daarna verwekte Shantanu bij Satyavati nog een zoon, Vichitravirya, die een groot boogschutter werd en later zelf koning zou worden. Nog voordat Vichitravirya volwassen was, kwam over de wijze koning Shantanu de onvermijdelijke macht van de Tijd.

Nadat Shantanu was opgenomen in de hemel van de goden, stelde Bhishma zich onder het bevel van Satyavati en zette hij Chitrangada op de troon. Chitrangada overwon met zijn kracht alle vorsten, en hij vond niemand zijn gelijke. Toen zijn naamgenoot, de koning van de gandharva's die ook Chitrangada heette, zag dat hij mensen, asura's en zelfs goden kon verslaan, kwam hij naar hem toe om met hem te vechten.

Op het veld van Kurukshetra, aan de oevers van de Sarasvati, vochten de gandharva en de Kuru-prins, allebei machtig, drie jaar lang tegen elkaar, onder dichte regens van wapens, en ze vermaalden elkaar. Ten slotte doodde de gandharva, die sterker was of listiger, de Kuru-prins, en daarna steeg hij op naar de hemel van de goden.

Bhishma, de zoon van Shantanu, verrichtte voor Chitrangada alle dodenriten. Toen zette hij de jongen Vichitravirya, die nog niet volwassen was, op de troon van de Kuru's. Vichitravirya stelde zich onder het bevel van Bhishma en regeerde over het rijk van zijn voorvaders. Hij eerde Bhishma, die alle regels van de dharma en het recht kende, en Bhishma beschermde op zijn beurt de jongen die zo gehoorzaam was aan wat de dharma vroeg.

De drie prinsessen

Na de dood van Chitrangada was zijn opvolger Vichitravirya nog niet volwassen, en Bhishma regeerde het rijk, onder het bevel van Satyavati. Toen hij zag dat zijn verstandige broer volwassen werd, besloot Bhishma hem uit te huwelijken.

In die tijd hoorde hij dat de drie dochters van de koning van Kashi, alle drie zo mooi als de apsara's, op één en dezelfde dag zouden trouwen, en dat ze hun man zouden kiezen op een svayamvara, een bruidskeuze waarbij de bruid zelf haar man kiest uit de vorsten die zijn uitgenodigd. Op bevel van zijn moeder ging Bhishma met één enkele wagen naar Varanasi, de hoofdstad van Kashi. Daar zag hij dat er ontelbare koningen uit alle windstreken waren gekomen, en hij zag ook de drie meisjes die hun man zouden kiezen.

Terwijl de verzamelde koningen een voor een bij hun naam werden genoemd, koos Bhishma de meisjes voor zijn broer. Hij tilde ze op zijn wagen en richtte zich tot de koningen, met een diepe, dreunende stem.

'De wijzen hebben voorgeschreven dat men een meisje, getooid met sieraden en met vele kostbare geschenken, mag geven aan een bekwaam man die men heeft uitgenodigd. Anderen geven hun dochters weg in ruil voor een paar koeien. Sommigen geven hun dochters voor een vastgestelde som, en sommigen nemen meisjes met geweld. Sommigen trouwen met instemming van het meisje, sommigen door haar met een middel te bedwelmen tot ze toestemt, en sommigen door naar haar ouders te gaan en hun toestemming te krijgen. En sommigen krijgen een vrouw als geschenk omdat ze bij een offer hebben geholpen. De geleerden prijzen altijd de laatste vorm die ik noemde. Koningen spreken lovend over de svayamvara en trouwen zelf volgens die vorm. Maar de wijzen hebben gezegd dat de vrouw het meest te waarderen is die met geweld wordt meegenomen, nadat de tegenstanders zijn verslagen, uit de menigte van prinsen en koningen die voor een svayamvara zijn uitgenodigd. Daarom, koningen, neem ik deze meisjes met geweld mee. Doe jullie uiterste best om mij te verslaan of door mij verslagen te worden. Ik sta hier, vastbesloten om te vechten!'

Toen reed hij met de meisjes weg en daagde de koningen en de koning van Kashi uit tot de strijd. De uitgedaagde koningen sprongen allemaal op, sloegen op hun armen en beten op hun onderlip van woede. Met veel lawaai rukten ze hun sieraden af en trokken hun harnas aan, en sieraden en harnassen flitsten in het licht. Met gefronste wenkbrauwen en rode ogen liepen ze ongeduldig heen en weer. De wagenmenners brachten mooie wagens met goede paarden ervoor. Die prachtige strijders stapten erin en zetten met geheven wapens van allerlei soort de achtervolging in.

Er volgde een gevecht tussen die ontelbare koningen aan de ene kant en Bhishma alleen aan de andere. De verzamelde koningen schoten tegelijk tienduizend pijlen op hun tegenstander af. Maar Bhishma hield al die pijlen tegen voordat ze hem bereikten, met een regen van zijn eigen pijlen, net zo talloos. De koningen omsingelden hem van alle kanten en overstelpten hem met pijlen. Bhishma hield ook die met zijn eigen schichten tegen en doorboorde elk van de koningen met drie pijlen. Zij doorboorden Bhishma op hun beurt elk met vijf pijlen. Maar Bhishma hield ook die tegen en trof elk van de strijdende koningen met twee pijlen. Het gevecht werd zo hevig, met die dichte regen van pijlen en andere wapens, dat het leek op de oude strijd tussen de goden en de asura's, en dappere mannen die er niet aan meededen, werden al bang als ze ernaar keken. Op het slagveld schoot Bhishma bogen en vaandelstokken, harnassen en mensenhoofden met honderden en duizenden weg. Zijn kracht was zo verschrikkelijk, zijn hand zo licht en zijn verdediging zo bekwaam, dat zelfs de wagenstrijders tegen wie hij vocht, hem luid toejuichten. Toen hij al die koningen in de strijd had verslagen, zette hij met de meisjes zijn weg voort naar de hoofdstad van de Bharata's.

Toen daagde koning Shalva, de heer van Saubha, Bhishma van achteren uit tot een gevecht. Shalva was een groot wagenstrijder, en zijn kracht was niet te meten. Hij wilde de meisjes hebben, en hij viel Bhishma aan zoals de leider van een kudde olifanten een andere olifant aanvalt en met zijn slagtanden diens flank openrijt, als hij een olifantenkoe in bronst ziet.

'Blijf staan! Blijf staan!' riep Shalva.

Die woorden tergden Bhishma, en zijn woede laaide op. Met de boog in de hand en een gefronst voorhoofd bleef hij op zijn wagen staan; volgens het gebruik van de kshatriya's had hij die tot stilstand gebracht om de vijand af te wachten. Alle koningen zagen hem halt houden en bleven staan om naar het gevecht tussen hem en Shalva te kijken. De twee begonnen hun kracht aan elkaar te tonen. Shalva bedekte Bhishma met honderden en duizenden snelle pijlen, en de koningen die dat zagen, juichten. Ze zagen hoe licht zijn hand in de strijd was, en ze prezen Shalva luid.

Bhishma hoorde het gejuich van de kshatriya's. 'Blijf staan! Blijf staan!' riep hij, en tegen zijn wagenmenner zei hij: 'Breng mijn wagen naar Shalva, zodat ik hem meteen kan doden zoals Garuda een slang doodt.'

Toen riep Bhishma het wapen van Varuna op, de god van de wateren, een van de wapens die aan een god toebehoren en met een mantra worden opgeroepen. Hij legde het op zijn boogpees en trof daarmee de vier paarden van koning Shalva. Hij weerde de wapens van zijn vijand af en doodde Shalva's wagenmenner. Bhishma vocht om die meisjes, en met het wapen van Indra doodde hij de edele paarden van zijn tegenstander. Hij versloeg Shalva, maar liet hem in leven. Na zijn nederlaag keerde Shalva terug naar zijn koninkrijk en regeerde het verder rechtvaardig. En ook de andere koningen die naar de svayamvara waren gekomen, keerden terug naar hun eigen rijk.

Bhishma ging met de meisjes op weg naar Hastinapura, van waaruit de rechtvaardige Kuru-prins Vichitravirya over de aarde regeerde, zoals zijn vader Shantanu vroeger. Hij trok door vele wouden, over rivieren en heuvels, en kwam al gauw aan. Hij had ontelbare vijanden verslagen zonder zelf één schram op te lopen. Hij bracht de dochters van de koning van Kashi naar de Kuru's zo teder alsof ze zijn schoondochters waren, of zijn jongere zusters, of zijn dochters. Hij wilde zijn broer goed doen, en hij bood die meisjes, die alle goede eigenschappen hadden, aan Vichitravirya aan. Hij kende de dharma, en nu hij volgens het gebruik van de koningen zo'n buitengewone daad had verricht, begon hij het huwelijk van zijn broer voor te bereiden.

Toen alles voor het huwelijk in overleg met Satyavati geregeld was, zei de oudste dochter van de koning van Kashi met een zachte glimlach tegen hem: 'In mijn hart had ik de koning van Saubha tot man gekozen. Hij had mij in zijn hart tot vrouw aangenomen, en mijn vader keurde het goed. Op de svayamvara zou ik ook hem als man hebben gekozen. U kent alle voorschriften van de dharma. Nu u dit alles weet, doe wat u juist vindt.'

Ze zei het in het bijzijn van de brahmanen, en Bhishma begon na te denken over wat hij moest doen. Hij kende de regels van de dharma, en hij overlegde met de brahmanen die de Veda's beheersten. Toen liet hij Amba, de oudste dochter van de heerser van Kashi, gaan, zodat ze kon doen wat ze wilde. Maar de twee andere dochters, Ambika en Ambalika, gaf hij met de voorgeschreven riten aan zijn jongere broer Vichitravirya.

Vichitravirya was rechtvaardig en matig, maar trots op zijn jeugd en zijn schoonheid raakte hij na zijn huwelijk al gauw in de ban van de begeerte. Ambika en Ambalika waren allebei lang, met een huid als gesmolten goud. Hun hoofd was bedekt met zwart krullend haar, hun vingernagels gewelfd en rood, hun heupen vol en rond, hun borsten vol en diep. Ze hadden alle gunstige tekens, en de lieve jonge vrouwen vonden dat ze getrouwd waren met een man die hen in alles waard was, en ze hielden van Vichitravirya en eerden hem. En Vichitravirya, met de kracht van de goden en de schoonheid van de tweelinggoden, de Ashvins, kon het hart stelen van elke mooie vrouw.

Zeven jaar lang bracht de prins onafgebroken door in het gezelschap van zijn vrouwen. Toen werd hij, nog in de bloei van zijn jeugd, getroffen door een ziekte die hem liet wegteren. Vrienden en verwanten overlegden met elkaar en probeerden hem te genezen. Maar ondanks al hun pogingen stierf de Kuru-prins, en hij ging onder als de avondzon.

Bhishma was diep bedroefd. In overleg met Satyavati liet hij door geleerde priesters en de voornaamsten van het geslacht van Kuru de dodenriten voor de gestorvene verrichten.

Het oudste kind

Satyavati rouwde om haar zoon. Samen met haar schoondochters verrichtte ze de dodenriten, en ze troostte, zo goed als ze kon, de huilende vrouwen en Bhishma. Toen richtte ze haar gedachten op de dharma en op de lijn van de vaders en de moeders van de Kuru's, en ze zei tegen Bhishma:

'De pinda, de rijstballen die men de voorouders offert, de roem en het voortbestaan van het geslacht van de rechtvaardige Shantanu hangen nu van jou af. Zoals de hemel van de goden onlosmakelijk verbonden is met goede daden, en een lang leven met waarheid en trouw, zo is de dharma onlosmakelijk met jou verbonden. Je kent de voorschriften van de dharma, in het groot en in het klein, en alle takken van de Veda. In standvastigheid, in kennis van de gebruiken van de geslachten en in vindingrijkheid in moeilijke tijden ben je gelijk aan Shukra en Angiras. Daarom vertrouw ik op je, en ik wil je iets opdragen. Luister en doe wat ik zeg. Mijn zoon, je broer, die je zo dierbaar was, is kinderloos naar de hemel van de goden gegaan, nog bijna een jongen. Deze vrouwen van je broer, de lieve dochters van de koning van Kashi, jong en mooi, verlangen naar kinderen. Verwek daarom op mijn bevel kinderen bij hen, zodat ons geslacht voortbestaat. Waak ervoor dat de dharma geen schade lijdt. Bestijg de troon en regeer over het rijk van de Bharata's. Trouw met een vrouw, zoals het voorschrift wil. Laat je voorouders niet in de oorden van kwelling vallen.'

Ook haar vrienden en verwanten drongen erop aan, maar de rechtvaardige Bhishma antwoordde: 'Moeder, wat u zegt, wordt door de dharma goedgekeurd. Maar u weet wat mijn gelofte is over het verwekken van kinderen. U weet ook alles wat er gebeurde toen uw bruidsprijs werd bedongen. Satyavati, ik herhaal de belofte die ik toen gaf. Ik zou de drie werelden opgeven, het rijk van de goden en wat daar nog boven gaat, maar de waarheid geef ik nooit op. De aarde mag haar geur opgeven, het water zijn vocht, het licht zijn vermogen om vormen te tonen, de lucht haar tastbaarheid, de zon zijn glans, het vuur zijn hitte, de maan zijn koele stralen, de ruimte haar vermogen om geluid voort te brengen, Indra, die Vritra doodde, zijn kracht, Dharma, de god van de dharma, zijn onpartijdigheid: maar ik kan de waarheid niet opgeven.'

'Jij wiens kracht de waarheid is,' zei Satyavati, 'ik ken je standvastigheid in de waarheid. Als je wilde, zou je met je kracht drie andere werelden kunnen scheppen naast die er al zijn. Ik weet welke gelofte je om mij hebt afgelegd. Maar denk aan deze nood, en draag de last van de plicht die men zijn voorouders verschuldigd is. Handel zo dat de keten van het geslacht niet breekt en dat onze vrienden en verwanten niet hoeven te treuren.'

Satyavati huilde, en in haar verdriet om haar zoon zei ze dingen die niet met de dharma strookten. Bhishma zei opnieuw tegen haar: 'Koningin, wend uw ogen niet af van de dharma. Richt ons niet te gronde. Een kshatriya die zijn woord breekt, wordt in onze leerboeken nooit geprezen. Ik zal u straks zeggen welk vastgesteld gebruik van de kshatriya's men kan volgen om te voorkomen dat het geslacht van Shantanu op aarde uitsterft. Luister naar me, en overleg daarna wat er moet gebeuren met geleerde priesters en met wie weten wat in tijden van nood geoorloofd is, zonder te vergeten wat in gewone tijden het gebruik is.'

En Bhishma vertelde.

Lang geleden doodde Rama, de zoon van Jamadagni, in woede om de dood van zijn vader met zijn strijdbijl Arjuna Kartavirya, de koning van de Haihaya's. Hij hakte hem zijn duizend armen af, een daad die niemand hem nadeed. Daarna trok hij uit om de wereld te veroveren, en eenentwintig keer roeide hij de kshatriya's uit. Toen Rama de aarde zo van kshatriya's had beroofd, lieten de vrouwen van de kshatriya's in het hele land kinderen verwekken door brahmanen die de Veda's kenden. In de Veda wordt gezegd dat de zonen die zo verwekt worden, horen bij de man met wie de moeder getrouwd is. De vrouwen van de kshatriya's gingen niet uit begeerte naar de brahmanen, maar omwille van de dharma. Zo werd het geslacht van de kshatriya's opnieuw tot leven gebracht.

Er is ook een ander oud verhaal. Er was een wijze rishi die Utathya heette, en hij had een vrouw, Mamata, van wie hij veel hield. Op een dag kwam Utathya's jongere broer, Brihaspati, de leraar van de goden, naar Mamata toe en begeerde haar. Maar Mamata zei tegen hem dat ze zwanger was van zijn oudere broer, en dat hij daarom nu niet zijn zin moest zoeken. 'Het kind dat ik draag, heeft in mijn schoot de Veda's met hun zes hulpwetenschappen al bestudeerd,' zei ze, 'en uw zaad kan niet vergeefs vallen. Hoe zou mijn schoot plaats bieden aan twee kinderen tegelijk? Zoek uw zin daarom niet nu.'

Toch kon Brihaspati, hoe wijs hij ook was, zijn begeerte niet bedwingen. Toen hij al met haar wilde samenkomen, zei het kind in de schoot tegen hem: 'Vader, houd op. Er is hier geen plaats voor twee. De ruimte is klein, en ik was er eerst. Uw zaad kan niet vergeefs vallen. Doe me geen pijn.' Maar Brihaspati luisterde niet naar het kind en zocht toch de omhelzing van Mamata, de vrouw met de mooiste ogen. Toen voorzag de wijze in de schoot het ogenblik waarop het zaad zou komen, en met zijn voeten versperde hij de weg waarlangs het naar binnen had kunnen gaan, zodat het zaad werd teruggedreven en op de grond viel. Brihaspati zag het, werd boos, verweet het kind wat het gedaan had en vervloekte het: 'Omdat jij zo tegen me hebt gesproken op een ogenblik van genot, waar alle schepselen naar verlangen, zal er een duisternis over je komen die je hele leven duurt.' Door die vloek werd het kind van Utathya, dat in kracht aan Brihaspati gelijk was, blind geboren, en het heette Dirghatamas, de man van de lange duisternis.

Blind als hij was, kreeg de wijze Dirghatamas door zijn kennis van de Veda's toch een jonge, mooie brahmaanse vrouw, Pradveshi, en om het geslacht van Utathya uit te breiden verwekte hij bij haar zonen, met Gautama als oudste. Maar die zonen waren hebzuchtig en dwaas. Kort daarna leerde Dirghatamas van de zoon van Surabhi, de stier, hoe diens soort leeft: hij paarde openlijk, zoals de stier doet. Hij deed het zonder vrees en met eerbied voor die gewoonte, want schaamte komt voort uit het kwaad en kan niet bestaan waar de bedoeling zuiver is. Maar de wijzen die in dezelfde hermitage woonden, zagen het, en ze zagen kwaad waar geen kwaad was. 'Deze man overschrijdt de grens van het fatsoen,' zeiden ze. 'Hij verdient geen plaats meer onder ons. We verstoten hem, deze ellendeling vol kwaad.' En ze zeiden nog veel meer over hem. Ook zijn vrouw, die nu haar kinderen had, keerde zich tegen hem.

'Waarom ben ook jij ontevreden over mij?' vroeg hij.

'De man heet bhartri omdat hij zijn vrouw onderhoudt, en pati omdat hij haar beschermt,' zei ze. 'Maar jij bent geen van beide voor mij. Jij bent blind geboren, en ik ben het die jou en je kinderen onderhoudt. Dat doe ik niet langer.'

De rishi werd boos en zei tegen haar en haar zonen: 'Breng me naar de kshatriya's, dan word je rijk.'

'Ik wil geen rijkdom die van jou komt,' zei ze, 'want die kan me nooit gelukkig maken. Doe wat je wilt, maar ik kan je niet meer onderhouden zoals vroeger.'

Toen zei Dirghatamas: 'Vanaf vandaag stel ik deze regel in: iedere vrouw zal haar hele leven aan één man gebonden zijn. Of haar man nu leeft of dood is, ze mag met geen ander samenkomen, en wie dat toch doet, verliest haar stand. Een vrouw zonder man zal altijd vatbaar zijn voor het kwaad. Al is ze rijk, ze zal van haar rijkdom niet kunnen genieten. Laster en kwade praatjes zullen haar altijd achtervolgen.'

Pradveshi werd woedend en beval haar zonen: 'Gooi hem in de Ganga!' Op bevel van hun moeder riepen Gautama en zijn broers, slaven van hun hebzucht en dwaasheid: 'Waarom zouden we die oude man ook onderhouden?' Ze bonden de rishi op een vlot, gaven hem prijs aan de stroom en keerden zonder berouw naar huis terug.

Het vlot dreef met de blinde oude man langs de gebieden van vele koningen. Op een dag ging koning Vali, die elke plicht kende, naar de Ganga om er zijn wassingen te doen, en het vlot kwam naar hem toe gedreven. De koning haalde de oude man eruit. Toen hij hoorde wie hij had gered, koos hij hem uit om kinderen te verwekken. 'Eerbiedwaardige,' zei Vali, 'verwek bij mijn vrouw een paar zonen die rechtvaardig en wijs zullen zijn.' De rishi stemde toe, en de koning stuurde zijn vrouw Sudeshna naar hem toe. Maar de koningin zag dat hij blind en oud was, en ze ging niet zelf; ze stuurde haar min, een vrouw uit de stand van de shudra's. Bij haar verwekte de rishi, die zijn hartstochten volkomen beheerste, elf zonen, met Kakshivat als oudste. Ze bestudeerden alle Veda's, droegen de Veda voor zoals rishi's doen en bezaten grote kracht.

'Zijn dit mijn kinderen?' vroeg Vali op een dag.

'Nee,' antwoordde de rishi, 'ze zijn van mij. Kakshivat en de anderen heb ik verwekt bij een vrouw uit de stand van de shudra's. Je ongelukkige koningin Sudeshna zag dat ik blind en oud was, en ze beledigde me door niet zelf te komen, maar haar min te sturen.'

De koning stelde de rishi gerust en stuurde hem Sudeshna zelf. De rishi raakte alleen haar lichaam aan en zei: 'Je zult vijf kinderen krijgen, Anga, Vanga, Kalinga, Pundra en Suhma, stralend als de zon, en naar hen zullen evenveel landen op aarde heten.'

'Zo werd lang geleden het geslacht van koning Vali door een grote rishi voortgezet,' zei Bhishma. 'En zo zijn er vele grote boogschutters en wagenstrijders die de dharma volgden, in het geslacht van de kshatriya's geboren uit het zaad van brahmanen. Nu u dit gehoord hebt, moeder, kunt u doen wat u juist vindt. Maar luister, dan zeg ik u hoe het geslacht van Bharata kan worden voortgezet. Laat men een bekwame brahmaan met een aanbod van rijkdom uitnodigen, en laat hij kinderen verwekken bij de vrouwen van Vichitravirya.'

Satyavati glimlachte zacht, en met een stem die haperde van schaamte zei ze: 'Wat je zegt, is waar. Omdat ik je vertrouw, zal ik je nu een middel noemen om ons geslacht voort te zetten. Je zult het niet kunnen afwijzen, want je kent wat in tijden van nood geoorloofd is. In ons geslacht ben jij de dharma, jij bent de waarheid, en jij bent onze enige toevlucht. Luister daarom naar wat ik zeg, en doe wat juist is.

Mijn vader was een rechtvaardig man, en omwille van de dharma hield hij een veerboot. Op een dag, toen ik jong was, voer ik die boot, en de wijze rishi Parashara stapte in om de Yamuna over te steken. Terwijl ik hem overzette, werd hij door begeerte bevangen en begon hij me met zachte woorden aan te spreken. Ik was bang voor mijn vader, maar de angst voor de vloek van de rishi won het. Hij gaf me een kostbare gunst, en ik kon zijn verzoek niet weigeren. Hij hulde de streek in een dichte mist en nam me daar. Vroeger rook mijn lichaam walgelijk naar vis, maar hij nam die geur weg en gaf me de geur die ik nu heb. Hij zei ook dat ik maagd zou blijven als ik zijn kind op een eiland in de rivier baarde. Het kind dat ik zo als meisje van Parashara kreeg, is een grote rishi geworden, Dvaipayana, de op het eiland geborene. Hij heeft door zijn ascese de Veda in vier delen geordend en heet daarom op aarde Vyasa, de ordenaar, en om zijn donkere huid Krishna, de donkere. Hij is waarachtig, vrij van hartstocht, een groot asceet die al zijn kwade daden heeft verbrand, en direct na zijn geboorte ging hij met zijn vader mee. Als jij en ik het hem vragen, zal die rishi goede kinderen verwekken bij de vrouwen van je broer. Toen hij wegging, zei hij tegen me: "Moeder, denk aan mij als je in nood bent." Ik zal hem nu roepen, als je dat wilt, Bhishma.'

Bij het horen van die naam vouwde Bhishma zijn handen. 'Verstandig is wie zijn ogen oordeelkundig richt op dharma, voorspoed en verlangen, en wie na geduldig nadenken zo handelt dat de dharma tot nieuwe dharma leidt, voorspoed tot nieuwe voorspoed en vervuld verlangen tot nieuwe vervulling. Wat u gezegd hebt, is goed voor ons en strookt met de dharma; het is de beste raad, en ik stem er volledig mee in.'

Satyavati dacht aan de wijze Dvaipayana. Hij was op dat ogenblik bezig de Veda's uit te leggen, en toen hij merkte dat zijn moeder hem riep, kwam hij meteen naar haar toe, zonder dat iemand het wist. Satyavati groette haar zoon, sloeg haar armen om hem heen en baadde hem in haar tranen: na zo lange tijd zag de dochter van de visser haar zoon terug. En Vyasa, haar eerste zoon, zag haar huilen, wies haar met koel water, boog voor haar en zei: 'Ik ben gekomen om je wensen te vervullen, moeder. Zeg me zonder uitstel wat ik moet doen.'

De huispriester van de Bharata's bracht de rishi de eer die hem toekwam, en Vyasa nam de gaven aan onder het uitspreken van de gebruikelijke mantra's en ging zitten. Toen hij op zijn gemak zat, zei Satyavati tegen hem:

'Zonen komen voort uit de vader en uit de moeder, en ze behoren aan hen beiden toe. De moeder heeft even veel zeggenschap over hen als de vader. Jij bent volgens de voorschriften mijn oudste zoon, en Vichitravirya was mijn jongste. Zoals Bhishma van vaderszijde de broer van Vichitravirya is, zo ben jij van moederszijde zijn broer. Deze Bhishma, de zoon van Shantanu, wil omwille van de waarheid geen kinderen verwekken en niet regeren. Doe daarom wat ik zeg: uit liefde voor je broer Vichitravirya, voor het voortbestaan van ons geslacht, omdat Bhishma het vraagt en ik het beveel, uit mededogen met alle schepselen, voor de bescherming van het volk en uit de ruimheid van je hart. Je jongere broer heeft twee weduwen achtergelaten, als dochters van de goden, jong en mooi. Omwille van de dharma verlangen ze naar kinderen. Jij bent de meest geschikte om aangewezen te worden. Verwek bij hen kinderen die ons geslacht waardig zijn en het voortzetten.'

'Satyavati,' zei Vyasa, 'je weet wat dharma is, in dit leven en in het volgende, en ook je genegenheid is op de dharma gericht. Daarom zal ik op je bevel, met de dharma als mijn beweegreden, doen wat je wilt. Ik ken dit gebruik, dat strookt met de ware en eeuwige dharma. Ik zal mijn broer kinderen geven die als Mitra en Varuna zullen zijn. Laat de vrouwen eerst een vol jaar de gelofte houden die ik hun opleg; dan zijn ze gereinigd. Geen vrouw mag ooit bij mij komen zonder een strenge gelofte te hebben gehouden.'

'Het zal zijn zoals je zegt,' zei Satyavati. 'Maar zorg ervoor dat de vrouwen meteen zwanger worden. In een rijk zonder koning gaat het volk ten onder omdat niemand het beschermt; de offers en de riten worden gestaakt, de wolken geven geen regen en de goden verdwijnen. Hoe kan een rijk zonder koning beschermd worden? Bhishma zal over de kinderen waken zolang ze in de schoot van hun moeder zijn.'

'Als ik mijn broer zo buiten de tijd kinderen moet geven,' zei Vyasa, 'laat de vrouwen dan mijn lelijkheid verdragen. Dat zal voor hen de zwaarste ascese zijn. Als Ambika, de oudste van de weduwen, mijn sterke geur, mijn lelijke, grimmige gezicht, mijn kleding en mijn lichaam kan verdragen, zal ze een uitzonderlijk kind krijgen.'

Daarna voegde hij eraan toe: 'Laat Ambika, in schone kleren en getooid met sieraden, in haar slaapkamer op me wachten.' Toen verdween de rishi.

Satyavati ging naar haar schoondochter en zei onder vier ogen tegen haar: 'Prinses, luister naar wat ik zeg; het strookt met de dharma. Door mijn ongeluk is het geslacht van de Bharata's uitgestorven. De wijze Bhishma zag mijn verdriet en het uitsterven van de lijn van zijn vader, en omdat ook hij wil dat ons geslacht voortbestaat, heeft hij me iets voorgesteld. Maar of het gebeurt, hangt van jou af. Doe het, dochter, en herstel de verloren lijn van de Bharata's. Breng een kind ter wereld dat straalt als de koning van de goden. Hij zal de zware last van ons erfelijke rijk dragen.'

Met grote moeite kreeg Satyavati de instemming van haar rechtvaardige schoondochter voor haar voorstel, dat niet tegen de dharma inging. Toen gaf ze de brahmanen, de rishi's en de ontelbare gasten die voor die gelegenheid gekomen waren te eten.

Drie zonen

Kort nadat de maandelijkse bloeding van Ambika voorbij was, liet Satyavati haar schoondochter het reinigingsbad nemen en bracht haar naar de slaapkamer. Ze liet haar op een weelderig bed zitten en zei tegen haar: 'Prinses, je man heeft een oudere broer, en die zal vannacht in je schoot komen als je kind. Wacht vannacht op hem, en val niet in slaap.'

Terwijl ze op haar bed lag, dacht de prinses aan Bhishma en de andere ouderen van het geslacht van Kuru. De rishi, wiens woord altijd waar was, had beloofd eerst naar Ambika te gaan, en bij het licht van de lamp kwam hij haar kamer binnen. De prinses zag zijn donkere gezicht, zijn koperkleurige haar, samengekoekt tot strengen, zijn vlammende ogen en zijn grimmige baard, en van angst sloot ze haar ogen. De rishi, die de wens van zijn moeder wilde vervullen, sliep met haar. Maar zij deed van angst geen enkele keer haar ogen open om naar hem te kijken.

Toen Vyasa naar buiten kwam, stond zijn moeder hem op te wachten. 'Zal de prinses een begaafde zoon krijgen?' vroeg ze.

'De zoon die de prinses zal baren, zal zo sterk zijn als tienduizend olifanten,' antwoordde hij. 'Hij zal een beroemde koninklijke wijze worden, met veel kennis, verstand en kracht. Hij zal in zijn tijd honderd zonen krijgen. Maar door de fout van zijn moeder zal hij blind zijn.'

'Mijn zoon,' zei Satyavati, 'hoe kan een blinde een koning worden die de Kuru's waardig is? Hoe kan een blinde zijn verwanten en zijn familie beschermen, en de glorie zijn van het geslacht van zijn vader? Je moet de Kuru's een andere koning geven.'

'Goed,' zei Vyasa, en hij ging weg. Toen haar tijd gekomen was, bracht Ambika een blinde zoon ter wereld: Dhritarashtra.

Kort daarna riep Satyavati Vyasa opnieuw, nadat ze de instemming van haar andere schoondochter had gekregen. Vyasa kwam, zoals hij beloofd had, en ging net als de vorige keer naar de tweede vrouw van zijn broer. Toen Ambalika de rishi zag, werd ze bleek van angst.

Vyasa zag hoe ze verbleekte en zei: 'Omdat je bleek werd van angst toen je mijn grimmige gezicht zag, zal je kind een bleke huid hebben. En het zal ook de naam Pandu dragen, de bleke.' Daarna verliet hij haar kamer. Zijn moeder kwam hem tegemoet en vroeg naar het kind dat zou komen, en hij vertelde het haar. Satyavati vroeg hem opnieuw om nog een kind, en de rishi antwoordde: 'Goed.'

Toen het zover was, bracht Ambalika een zoon met een bleke huid ter wereld. Het kind straalde van schoonheid en had alle gunstige tekens. Het was dit kind dat later de vader werd van die grote boogschutters, de Pandava's.

Een tijd later, toen de oudste van de weduwen van Vichitravirya opnieuw haar maandelijkse bloeding had gehad, vroeg Satyavati haar nog eens naar Vyasa te gaan. Maar de prinses dacht aan het grimmige gezicht en de sterke geur van de rishi en weigerde te doen wat haar schoonmoeder vroeg. In plaats daarvan stuurde ze een dienares die niet vrij was, mooi als een apsara en getooid met de sieraden van de prinses zelf.

Zodra Vyasa binnenkwam, stond de dienares op en groette hem. Ze diende hem met eerbied en ging naast hem zitten toen hij het vroeg. De rishi, die strenge geloften hield, was met haar ingenomen, en toen hij opstond om te gaan, zei hij tegen haar: 'Je zult niet langer onvrij zijn. En je kind zal veel geluk hebben en rechtvaardig zijn, de verstandigste van alle mensen op aarde.'

De zoon die Krishna Dvaipayana zo bij haar verwekte, was Vidura. Daarmee was hij de broer van Dhritarashtra en van Pandu. Vidura was vrij van begeerte en hartstocht en kende de regels van het bestuur, en hij was Dharma zelf, op aarde geboren door de vloek van de rishi Mandavya.

Krishna Dvaipayana ontmoette zijn moeder weer en vertelde haar hoe de oudste van de prinsessen hem had misleid en hoe hij een zoon had verwekt bij een vrouw uit de stand van de shudra's. Daarna verdween de rishi voor haar ogen.

In de akker van Vichitravirya waren uit Dvaipayana de zonen geboren die het geslacht van Kuru voortzetten, met de glans van kinderen van de goden.

Mandavya aan de paal

'Wat had Dharma gedaan, dat hij vervloekt werd?' vroeg Janamejaya. 'En wie was de brahmaanse asceet door wiens vloek de god in de stand van de shudra's geboren moest worden?'

En Vaishampayana vertelde verder.

Er was een brahmaan die Mandavya heette. Hij kende alle plichten en was toegewijd aan de dharma, de waarheid en de ascese. Altijd zat hij bij de ingang van zijn hermitage onder een boom, met geheven armen, en hield een gelofte van zwijgen.

Hij zat daar al jaren zo, toen er op een dag een bende rovers met hun buit zijn hermitage binnenkwam. Ze werden achtervolgd door een grotere troep wachters van de koning. De rovers verborgen hun buit in de hermitage en verstopten zich in hun angst in de buurt, voordat de wachters er waren. Maar nauwelijks hadden ze zich verstopt, of de wachters kwamen aan. Ze zagen de rishi onder de boom zitten.

'Brahmaan,' vroegen ze, 'welke kant zijn de rovers op gegaan? Wijs het ons, zodat we ze zonder tijdverlies kunnen volgen.'

De asceet zei geen woord, goed noch slecht. Maar de mannen van de koning doorzochten de hermitage, en al gauw vonden ze de rovers die zich daar verstopt hadden, met de buit. Toen vielen hun verdenkingen op de wijze. Ze grepen hem samen met de rovers en brachten hem voor de koning, en de koning veroordeelde hem samen met zijn vermeende handlangers tot de dood. De wachters wisten niet wie hij was, en ze voerden het vonnis uit: ze spietsten de rishi op een paal. Daarna gingen ze met de teruggevonden buit naar de koning.

Maar de rechtvaardige rishi bleef, hoewel hij aan de paal gespietst was en geen eten kreeg, lange tijd in leven. Door de kracht van zijn ascese hield hij zich niet alleen in leven, maar hij riep ook andere rishi's naar die plek. Ze kwamen 's nachts in de gedaante van vogels, en toen ze zagen dat hij, vastgespietst aan die paal, in meditatie verzonken zat, werden ze bedroefd. Ze vertelden hem wie ze waren en vroegen: 'Brahmaan, we willen weten welk kwaad je hebt gedaan, dat je zo gefolterd wordt aan de paal.'

'Wie moet ik hiervoor de schuld geven?' antwoordde de asceet. 'Niemand anders dan ikzelf heeft me dit aangedaan.'

De wachters zagen dat hij nog leefde en vertelden het de koning. De koning overlegde met zijn raadslieden, ging naar de plek en probeerde de rishi aan de paal te verzoenen.

'Rishi,' zei hij, 'ik heb u uit onwetendheid onrecht gedaan. Ik smeek u, vergeef het me. Wees niet boos op me.'

De wijze liet zich verzoenen. Toen de koning zag dat zijn woede verdwenen was, haalde hij hem met paal en al omlaag en probeerde de paal uit zijn lichaam te trekken. Omdat dat niet lukte, hakte hij de paal af, net buiten het lichaam. Met een stuk van de paal in zijn lichaam liep de wijze rond, en in die toestand beoefende hij de zwaarste ascese en verwierf hij ontelbare werelden die voor anderen onbereikbaar zijn. En omdat er een stuk van de paal in zijn lichaam zat, heette hij in de drie werelden Ani-Mandavya, Mandavya met de punt van de paal.

Ani-Mandavya kende de hoogste waarheid van de dharma. Op een dag ging hij naar de woning van Dharma. Hij zag de god daar op zijn troon zitten en verweet hem: 'Welke kwade daad heb ik zonder het te weten begaan, dat ik deze straf moet dragen? Zeg het me snel, en merk dan wat mijn ascese vermag.'

'Rishi,' antwoordde Dharma, 'je hebt eens een klein insect op een grasspriet geprikt. Nu draag je daar de gevolgen van. Zoals een gift, hoe klein ook, zich vermenigvuldigt in verdienste, zo vermenigvuldigt een kwade daad zich in het leed dat ze meebrengt.'

'Wanneer heb ik dat gedaan?' vroeg Ani-Mandavya.

Dharma zei dat hij het als kind had gedaan. 'Wat een kind tot zijn twaalfde jaar doet, zal geen kwaad zijn,' zei de rishi. 'De leerboeken zullen het niet als kwaad erkennen. De straf die je me voor zo'n klein vergrijp hebt opgelegd, was buiten alle verhouding zwaar. Het doden van een brahmaan is een zwaarder kwaad dan het doden van welk ander levend wezen ook. Daarom zul jij, Dharma, onder de mensen geboren moeten worden, en wel in de stand van de shudra's. En vanaf vandaag stel ik deze grens aan de gevolgen van daden: een daad zal geen kwaad zijn als ze begaan is door iemand onder de veertien jaar. Maar wie ouder is, zal er wel op worden aangerekend.'

Door die vloek van de rishi werd Dharma als Vidura in de stand van de shudra's geboren. Vidura was thuis in de leer van de dharma, in het bestuur en in de wegen van de voorspoed. Hij was volkomen vrij van hebzucht en woede. Hij zag ver vooruit, zijn rust van geest was onverstoorbaar, en hij was altijd toegewijd aan het welzijn van de Kuru's.

De bloei

Na de geboorte van die drie kinderen bloeiden Kurujangala, Kurukshetra en het volk van de Kuru's op. De aarde gaf overvloedige oogsten van smakelijk graan, de wolken gaven regen op tijd, en de bomen hingen vol geurige bloemen en zoete vruchten. De trekdieren waren gezond; de vogels en de andere dieren waren vrolijk. De steden en dorpen raakten vol kooplieden, ambachtslieden, handelaars en kunstenaars van allerlei soort. De mensen waren dapper, geleerd, eerlijk en gelukkig. Er waren geen rovers, en niemand deed kwaad. Het was alsof in elk deel van het rijk de Krita-yuga was teruggekeerd, het eerste en volmaakte van de vier wereldtijdperken.

De mensen wijdden zich aan goede daden, aan offers en aan de waarheid, ze hielden van elkaar en werden steeds welvarender. Vrij van trots, woede en hebzucht vermaakten ze zich met onschuldige spelen. De hoofdstad van de Kuru's was een tweede Amaravati, de stad van Indra, met honderden paleizen en huizen, en met poorten en bogen. Onophoudelijk zochten de mensen hun plezier op de rivieren, de meren en de vijvers, en in mooie bosjes en wouden. De Kuru's in het zuiden wedijverden in rechtvaardigheid met hun verwanten in het noorden en liepen rond in het gezelschap van siddha's, charana's en rishi's. In dat mooie land waren geen gierigaards en geen weduwen. De putten en de meren waren altijd vol, de bosjes stonden vol bomen, de huizen van de brahmanen waren vol rijkdom, en in het hele rijk werd feest gevierd.

Bhishma bestuurde het rijk rechtvaardig, en het was versierd met honderden offerpalen. Hij liet de dharma overal gelden, en het ging het land zo goed dat mensen uit andere rijken hun huizen verlieten en er kwamen wonen. De burgers en het volk kregen hoop toen ze de jeugdige daden van hun prinsen zagen. In de huizen van de Kuru-vorsten en van de voornaamste burgers hoorde men alleen deze woorden: 'Geef!' en 'Eet!'

Dhritarashtra, Pandu en de verstandige Vidura werden vanaf hun geboorte door Bhishma grootgebracht alsof ze zijn eigen zonen waren. De kinderen doorliepen de gebruikelijke riten van hun stand en wijdden zich aan geloften en studie. Ze groeiden op tot flinke jonge mannen, thuis in de Veda's en in alle vormen van lichaamsoefening. Ze werden bekwaam met de boog, in het paardrijden, in het gevecht met knots, zwaard en schild, in het besturen van olifanten in de strijd en in de leer van de dharma. Ze kenden de geschiedenis en de purana's en vele takken van kennis, en de waarheden van de Veda's en hun hulpwetenschappen; hun kennis was veelzijdig en diep. Pandu overtrof alle mensen in het boogschieten, Dhritarashtra overtrof iedereen in lichaamskracht, en in de drie werelden was niemand Vidura gelijk in toewijding aan de dharma en in kennis van wat de dharma voorschrijft.

Men zag dat de uitgestorven lijn van Shantanu hersteld was, en in alle landen ging het gezegde rond: onder de moeders van helden zijn de dochters van de koning van Kashi de eersten; onder de landen is Kurujangala het eerste; onder de rechtvaardigen is Vidura de eerste; onder de steden is Hastinapura de eerste. Pandu werd koning, want Dhritarashtra kreeg het rijk niet omdat hij blind was, en Vidura niet omdat zijn moeder een shudra was.

Boek 1 · Het huis van de Kuru's

  1. Deel I · Het slangenoffer
  2. 1Het woord Jaya
  3. 2De oorringen van de koningin
  4. 3Het halve leven
  5. 4De karning van de oceaan
  6. 5De roof van de amrita
  7. 6De dode slang
  8. 7Het slangenoffer
  9. Deel II · De voorouders
  10. 8Vaishampayana begint
  11. 9Shakuntala
  12. 10Kacha
  13. 11De ouderdom
  14. Deel III · Het huis van de Kuru's
  15. 12De gelofte
  16. 13De drie prinsessen
    1. Chitrangada
    2. De drie prinsessen
    3. Het oudste kind
    4. Drie zonen
    5. Mandavya aan de paal
    6. De bloei
  17. 14Het kind in het water
  18. 15Het hert
  19. 16De lente

Alles in boek 1 · Alle boeken