Boek 1 · Hoofdstuk dertien, De drie prinsessen
Het oudste kind
Satyavati rouwde om haar zoon. Samen met haar schoondochters verrichtte ze de dodenriten, en ze troostte, zo goed als ze kon, de huilende vrouwen en Bhishma. Toen richtte ze haar gedachten op de dharma en op de lijn van de vaders en de moeders van de Kuru's, en ze zei tegen Bhishma:
'De pinda, de rijstballen die men de voorouders offert, de roem en het voortbestaan van het geslacht van de rechtvaardige Shantanu hangen nu van jou af. Zoals de hemel van de goden onlosmakelijk verbonden is met goede daden, en een lang leven met waarheid en trouw, zo is de dharma onlosmakelijk met jou verbonden. Je kent de voorschriften van de dharma, in het groot en in het klein, en alle takken van de Veda. In standvastigheid, in kennis van de gebruiken van de geslachten en in vindingrijkheid in moeilijke tijden ben je gelijk aan Shukra en Angiras. Daarom vertrouw ik op je, en ik wil je iets opdragen. Luister en doe wat ik zeg. Mijn zoon, je broer, die je zo dierbaar was, is kinderloos naar de hemel van de goden gegaan, nog bijna een jongen. Deze vrouwen van je broer, de lieve dochters van de koning van Kashi, jong en mooi, verlangen naar kinderen. Verwek daarom op mijn bevel kinderen bij hen, zodat ons geslacht voortbestaat. Waak ervoor dat de dharma geen schade lijdt. Bestijg de troon en regeer over het rijk van de Bharata's. Trouw met een vrouw, zoals het voorschrift wil. Laat je voorouders niet in de oorden van kwelling vallen.'
Lees het hele verhaal in hoofdstuk dertien, De drie prinsessen
In hetzelfde hoofdstuk
Chitrangada, de roof van de prinsessen, de niyoga: Vyasa's drie zonen; Mandavya en de herkomst van Vidura; Pandu wordt koning.