Boek 1 · Hoofdstuk dertien, De drie prinsessen
Mandavya aan de paal
'Wat had Dharma gedaan, dat hij vervloekt werd?' vroeg Janamejaya. 'En wie was de brahmaanse asceet door wiens vloek de god in de stand van de shudra's geboren moest worden?'
Er was een brahmaan die Mandavya heette. Hij kende alle plichten en was toegewijd aan de dharma, de waarheid en de ascese. Altijd zat hij bij de ingang van zijn hermitage onder een boom, met geheven armen, en hield een gelofte van zwijgen.
Hij zat daar al jaren zo, toen er op een dag een bende rovers met hun buit zijn hermitage binnenkwam. Ze werden achtervolgd door een grotere troep wachters van de koning. De rovers verborgen hun buit in de hermitage en verstopten zich in hun angst in de buurt, voordat de wachters er waren. Maar nauwelijks hadden ze zich verstopt, of de wachters kwamen aan. Ze zagen de rishi onder de boom zitten.
Lees het hele verhaal in hoofdstuk dertien, De drie prinsessen
In hetzelfde hoofdstuk
Chitrangada, de roof van de prinsessen, de niyoga: Vyasa's drie zonen; Mandavya en de herkomst van Vidura; Pandu wordt koning.