Boek 1 · Hoofdstuk vier
De karning van de oceaan
In de jaren van wachten zagen de twee zusters, Kadru en Vinata, eens een paard naderen: Uchchaihshravas, kalm en zeker van zichzelf, door de goden vereerd, het kostbaarste van alle paarden. Het was opgerezen toen de oceaan werd gekarnd om de amrita, de drank van de onsterfelijkheid. Het dier was goddelijk, eeuwig jong, het meesterstuk van de schepping en onweerstaanbaar sterk, en het droeg alle tekens van geluk.
'Waarom karnden de goden de oceaan om de amrita?' vroeg Shaunaka. 'En hoe en wanneer rees dat stralende paard eruit op?'
'Er is een berg, Meru,' zei Sauti, 'die één gloed van licht is.'
Op de gouden toppen van Meru vallen de stralen van de zon, en het goud kaatst ze terug. De goden en de gandharva's, de hemelse muzikanten, wonen er. Niemand kan hem meten, en wie veel kwaad heeft gedaan, komt er niet in de buurt. Over zijn flanken zwerven roofdieren, en hij licht op van goddelijke kruiden die leven geven. Zijn top raakt de hemel. Hij is de eerste van alle bergen, en gewone mensen durven er niet eens aan te denken hem te beklimmen. Er staan bomen, er stromen beken en er zingen vogels.
Lees het hele verhaal in hoofdstuk vier, De karning van de oceaan
In hetzelfde hoofdstuk
De eieren van Kadru en Vinata; de karning; de weddenschap om het paard.