Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Begrip

Brahma

De god. Zie de notitie Brahma, brahmaan, brahman, en Grootvader.

Brahma, brahmaan, brahman

Deze drie woorden zijn in het Sanskriet verwant. In het verhaal staan ze voor drie verschillende dingen.

Brahma is een god: de Grootvader, die uit het oerei voortkwam en de schepselen voortbracht (hoofdstuk 1). Hij spreekt, geeft gunsten en bekrachtigt vloeken. Een brahmaan is een mens: iemand uit de eerste van de vier standen, de stand van de priesters en de kenners van de Veda. Het meervoud is brahmanen. Het brahman is geen persoon. Het is onzijdig en wordt met een kleine letter geschreven: de allerhoogste werkelijkheid, waarin de wijze ten slotte opgaat (hoofdstuk 1 en 11). Soms staan ze in één zin: 'Alleen een brahmaan die het brahman kent, mag een gift aannemen' (hoofdstuk 11).

Twee verwante woorden: een brahmarshi is een ziener van de hoogste, brahmaanse rang (hoofdstuk 15). Brahmacharya is de gelofte van onthouding die bij de leerjaren in de Veda hoort (hoofdstuk 12).

Brahma, brahmaan, brahman

Brahma is een god: de Grootvader, uit wie alles wat bestaat is voortgekomen (hoofdstuk 8 en 10). Hij geeft gunsten en beschikt: hij laat Vishvakarma Tilottama maken (hoofdstuk 10) en wijst de zieke Agni het Khandava-woud als voedsel aan (hoofdstuk 12). Een brahmaan is een mens: iemand uit de eerste van de vier standen, de stand van de priesters en de kenners van de Veda. Het meervoud is brahmanen. Het brahman is geen persoon. Het is onzijdig en wordt met een kleine letter geschreven: de allerhoogste werkelijkheid, waarop sommige rishi's hun meditatie richten (hoofdstuk 10).

Twee verwante woorden. Een brahmacharin leeft in onthouding, zoals een leerling van de Veda (hoofdstuk 10). Het brahmastra, het wapen van Brahma, en het Brahmashira zijn twee van de grote wapens van de goden; zie wapen van een god.

Zie ook de pagina over Brahma als personage.

Uit dat ei kwam Brahma, de Grootvader, de ene Prajapati, de heer van de schepselen, en met hem kwamen Suraguru, de leraar van de goden, en Sthanu, die ook Shiva heet.

De eerste keer, in Het woord Jaya (hoofdstuk één, boek 1)

Waar het voorkomt

  1. Het woord JayaHoofdstuk één · boek 1
  2. De getuigeHoofdstuk drie · boek 1
  3. De eierenHoofdstuk vier · boek 1
  4. De karning van de oceaanHoofdstuk vier · boek 1
  5. De weddenschapHoofdstuk vier · boek 1
  6. De wagenmenner van de zonHoofdstuk vijf · boek 1
  7. De slavendienstHoofdstuk vijf · boek 1
  8. De duimgrote rishi'sHoofdstuk vijf · boek 1
  9. Shesha draagt de aardeHoofdstuk vijf · boek 1
  10. De raad van de slangenHoofdstuk zes · boek 1
  11. De dode slangHoofdstuk zes · boek 1
  12. De man in de boomHoofdstuk zeven · boek 1
  13. Het slangenofferHoofdstuk zeven · boek 1
  14. BlijfHoofdstuk zeven · boek 1
  15. De last van de aardeHoofdstuk acht · boek 1
  16. De geslachtenHoofdstuk acht · boek 1
  17. Het gandharvahuwelijkHoofdstuk negen · boek 1
  18. BharataHoofdstuk negen · boek 1
  19. De lijn van ManuHoofdstuk tien · boek 1
  20. KachaHoofdstuk tien · boek 1
  21. De putHoofdstuk tien · boek 1
  22. GangaHoofdstuk twaalf · boek 1
  23. De kransHoofdstuk veertien · boek 1
  24. De schuldHoofdstuk vijftien · boek 1
  25. De dochter uit het vuurHoofdstuk vijf · boek 2
  26. Blijf, als je kuntHoofdstuk zes · boek 2
  27. Het vierde vuurHoofdstuk zes · boek 2
  28. De koningenHoofdstuk zeven · boek 2
  29. Deel het samenHoofdstuk acht · boek 2
  30. Vijf Indra'sHoofdstuk acht · boek 2
  31. TilottamaHoofdstuk tien · boek 2
  32. De gloeiende brahmaanHoofdstuk twaalf · boek 2
  33. GandivaHoofdstuk twaalf · boek 2