Boek 1 · Hoofdstuk vier, De karning van de oceaan
De weddenschap
'Zo werd de amrita uit de oceaan gekarnd,' zei Sauti, 'en zo kwam Uchchaihshravas tevoorschijn, het paard dat mooier en sterker is dan elk ander. Over dat paard stelde Kadru haar zuster een vraag.'
Kadru, de moeder van de slangen, zei tegen Vinata: 'Zeg eens, lieve zus, en denk er niet lang over na: welke kleur heeft Uchchaihshravas?'
'Wit,' zei Vinata. 'Die vorst onder de paarden is zeker wit. Wat denk jij, zus? Zeg het maar, en laten we erom wedden.'
'Jij met je lieve glimlach,' zei Kadru, 'ik denk dat de staart van dat paard zwart is. Wed met me: wie verliest, wordt de slavin van de ander.'
Met slavendienst als inzet gingen de zusters naar huis, en ze spraken af het paard de volgende dag van dichtbij te bekijken. Maar Kadru was op bedrog uit. Ze beval haar duizend zonen zich in zwarte haren te veranderen en snel de staart van het paard te bedekken, zodat zij geen slavin zou worden. Haar zonen, de naga's, weigerden. Toen vervloekte ze hen: 'Bij het slangenoffer van de wijze koning Janamejaya, uit het geslacht van de Pandava's, zal Agni jullie allemaal verteren.'
Lees het hele verhaal in hoofdstuk vier, De karning van de oceaan
In hetzelfde hoofdstuk
De eieren van Kadru en Vinata; de karning; de weddenschap om het paard.