Boek 2 · Hoofdstuk tien, Tilottama
De koeien van de brahmaan
Met de kracht van hun armen brachten de Pandava's vanuit Khandavaprastha veel koningen onder hun gezag, en ze hielden zich aan de regel die ze hadden ingesteld. Draupadi gehoorzaamde alle vijf zonen van Pritha. Zoals de rivier de Sarasvati vreugde vindt in de olifanten die in haar baden, en de olifanten in haar, zo vond Draupadi vreugde in haar vijf heldhaftige mannen, en zij in haar.
Na enige tijd stalen rovers de koeien van een brahmaan. Terwijl ze met hun buit wegtrokken, ging de brahmaan, buiten zichzelf van woede, naar Khandavaprastha, en daar begon hij de Pandava's verwijten te maken.
'Pandava's! Uit jullie eigen rijk worden mijn koeien op dit ogenblik met geweld weggehaald door laaghartige, slechte ellendelingen! Zet de dieven achterna! Ach, de offerboter van een vreedzame brahmaan wordt door kraaien weggeroofd! Ach, de ellendige jakhals dringt het lege hol van de leeuw binnen! Een koning die het zesde deel van de oogst als belasting heft zonder zijn onderdanen daarvoor te beschermen, noemen de wijzen de grootste kwaaddoener van de hele wereld. Het bezit van een brahmaan wordt door rovers weggehaald! De dharma zelf neemt af! Pak me bij de hand, Pandava's, want ik ga ten onder aan mijn verdriet!'
Lees het hele verhaal in hoofdstuk tien, Tilottama
In hetzelfde hoofdstuk
Narada's verhaal van Sunda en Upasunda en de regel; de koeien van de brahmaan en Arjuna's vertrek.