Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Boek 1 · bijlage

Namenlijsten

Boek 1 · Het huis van de Kuru's

Over deze lijsten

Het epos somt graag op. Sauti en Vaishampayana noemen tientallen slangen, priesters, goden, asura's en koningen achter elkaar, en de namenlijsten waren voor de oude luisteraars een deel van het genoegen. In het verhaal van dit boek staan alleen de namen die later terugkomen of die de lezer nodig heeft. Hier volgen de lijsten volledig, in de volgorde van het verhaal.

De lijsten berusten, net als het verhaal, op de Engelse vertaling van Kisari Mohan Ganguli (1883–1896). Bij elke lijst staat bij welk hoofdstuk en welk stuk van het verhaal ze hoort.

De namen staan in dezelfde leesbare spelling als de rest van het boek. Wie ze uit Engelse boeken kent, ziet ze daar soms anders gespeld, met een s waar het Sanskriet een sh-klank heeft, een w waar een v hoort en een v waar een b hoort: Sesha voor Shesha, Viswa voor Vishva, Suvahu voor Subahu en Kamvala voor Kambala.

Veel namen in deze lijsten zijn ook de namen van anderen. Waar dat tot verwarring kan leiden, staat het erbij.

De geslachtslijnen van Manu tot Yayati (hoofdstuk 10) en de twee opsommingen van het geslacht van Puru (hoofdstuk 11) staan in Stambomen.

De eerste geslachten

In hoofdstuk 1, bij "Het woord Jaya", waar Sauti vertelt hoe de wereld begon.

Wie uit het ei kwamen. Uit het ei dat Mahadivya heet, kwamen Brahma, Suraguru en Sthanu. Daarna verschenen de eenentwintig prajapati's, de stamvaders: Manu, Vasishtha en Parameshthin, de tien Pracheta's, Daksha en de zeven zonen van Daksha. Daarna het wezen van onvoorstelbare aard dat alle rishi's kennen, en de Vishvadeva's, de Aditya's, de Vasu's, de twee Ashvins, de yaksha's, de Sadhya's, de pishacha's, de guhyaka's en de pitri's, de voorouders.

De zonen van Div, de hemel. Brihadbhanu, Chakshus, Atma, Vibhavasu, Savita, Richika, Arka, Bhanu, Ashavaha en Ravi. De jongste van deze oude zonnegoden was Mahya. Zijn zoon was Devavrata, en diens zoon Suvrata. Suvrata had drie zonen: Dashajyoti, die tienduizend nakomelingen had, Shatajyoti, die er tien keer zoveel had, en Sahasrajyoti, die er weer tien keer zoveel had. Van hen stammen de huizen van Kuru, Yadu, Bharata, Yayati en Ikshvaku af.

Deze Vibhavasu is niet de rishi Vibhavasu, deze Richika niet de grootvader van Parashurama, en deze Devavrata niet Bhishma, die eerst ook Devavrata heette.

De koningen die Sanjaya noemt

In hoofdstuk 1, bij "Het woord Jaya", waar Sanjaya de blinde koning Dhritarashtra troost.

De vierentwintig koningen die de rishi Narada opsomde voor koning Shaivya, die rouwde om zijn kinderen. Shaivya zelf telt ook mee bij de vierentwintig. Shaivya, Maharatha, Srinjaya, Suhotra, Rantideva, Kakshivat, Bahlika, Damana, Sharyati, Ajita, Nala, Vishvamitra, Ambarisha, Marutta, Manu, Ikshvaku, Gaya, Bharata, Rama de zoon van Dasharatha, Shashabindu, Bhagiratha, Kritavirya, Janamejaya en Yayati.

De nog machtiger koningen van vóór hen. Puru, Kuru, Yadu, Shura, Vishvashrava, Anuha, Yuvanashva, Kakutstha, Vikrami, Raghu, Vijitin, Vitihotra, Anga, Bhava, Shveta, Brihadguru, Ushinara, Shataratha, Kanka, Duliduha, Druma, Dambhodbhava, Para, Vena, Sagara, Sankriti, Nimi, Ajeya, Parashu, Pundra, Shambhu, Devavridha, Devahuya, Supratika, Brihadratha, Mahatsaha, Vinitatma, Sukratu, Nala de koning van de Nishada's, Satyavrata, Shantabhaya, Sumitra, Subala, Janujangha, Anaranya, Arka, Priyabhritya, Shuchivrata, Balabandhu, Niramarda, Ketushringa, Brihadbala, Dhrishtaketu, Brihatketu, Driptaketu, Niramaya, Avikshit, Chapala, Dhurta, Kritabandhu, Dridheshudhi, Mahapurana, Sambhavya, Pratyanga, Paraha en Shruti.

In de Engelse vertaling zijn veel van deze namen verminkt; hier staan ze in hun gangbare vorm. Veel van deze koningen zijn naamgenoten van mensen in het verhaal; ze zijn niet dezelfden als Suhotra, Bahlika, Bharata, Janamejaya, Kritavirya, Kuru, Puru, Subala, Dhrishtaketu en Avikshit elders in dit boek.

De slangen

In hoofdstuk 5, bij "Shesha draagt de aarde", waar Sauti de voornaamste slangen noemt, de zonen van Kadru.

Shesha, die als eerste geboren werd, en daarna Vasuki. Verder Airavata, Takshaka, Karkotaka, Dhananjaya, Kalakeya, de slang Mani, Purana, Pinjaraka, Elapatra, Vamana, Nila, Anila, Kalmasha, Shabala, Aryaka, Ugra, Kalashapotaka, Suramukha, Dadhimukha, Vimalapindaka, Apta, Karotaka, Shankha, Valishikha, Nishthanaka, Hemaguha, Nahusha, Pingala, Bahyakarna, Hastipada, Mudgarapindaka, Kambala, Ashvatara, Kaliyaka, Vritta, Samvartaka, Padma, Mahapadma, Shankhamukha, Kushmandaka, Kshemaka, Pindaraka, Karavira, Pushpadamshtraka, Vilvaka, Vilvapandara, Mushikada, Shankhashiras, Purnabhadra, Haridraka, Aparajita, Jyotika, Shrivaha, Kauravya, Dhritarashtra, Shankhapinda, Virajas, Subahu, Shalipinda, Prabhakara, Hastipinda, Pitharaka, Sumukha, Kaunapashana, Kuthara, Kunjara, Kumuda, Kumudaksha, Tittiri, Halika, Kardama, Bahumulaka, Karkara, Akarkara, Kundodara en Mahodara.

"Hun zonen en kleinzonen zijn niet te tellen," zegt Sauti erna.

Dhananjaya is ook een naam van Arjuna, en Dhritarashtra, Nahusha en Kauravya zijn ook de namen van koningen; hier gaat het om slangen. Airavata de naga is niet Airavata de olifant van Indra.

De priesters van het slangenoffer

In hoofdstuk 7, bij "Het slangenoffer", waar Sauti vertelt wie het offer van koning Janamejaya leidden.

De officianten. Chandabhargava, een nazaat van Chyavana, droeg de verzen voor (de hotri). Kautsa zong de gezangen (de udgatri). Jaimini hield toezicht op de riten (de brahman). Sharngarava en Pingala verrichtten de handelingen (de adhvaryu's).

De sadasya's, de brahmanen die het offer bijwoonden en bewaakten. Vyasa met zijn zoon en zijn leerlingen, Uddalaka, Pramataka, Shvetaketu, Pingala, Asita, Devala, Narada, Parvata, Atreya, Kundajathara, de brahmaan Kalaghata, Vatsya, de oude Shrutashrava, Kohala, Devasharman, Maudgalya en Samasaurava, en vele andere brahmanen die de Veda's volledig kenden.

Pingala wordt twee keer genoemd, eerst als officiant en daarna als sadasya; misschien zijn het twee mannen.

De slangen die in het vuur vielen

In hoofdstuk 7, bij "Blijf", waar Sauti de slangen noemt die in het offervuur van Janamejaya omkwamen.

Uit het geslacht van Vasuki. Kotisha, Manasa, Purna, Shala, Pala, Halisaka, Pichchala, Kaunapa, Chakra, Kalavega, Prakalana, Hiranyabahu, Sharana, Kakshaka en Kaladantaka.

Uit het geslacht van Takshaka. Puchchandaka, Mandalaka, Pindasektri, Ravenaka, Uchchikha, Sharava, Bhanga, Vilvatejas, Virohana, Shili, Shalakara, Muka, Sukumara, Pravepana, Mudgara, Shishuroman, Suroman en Mahahanu.

Uit het geslacht van Airavata. Paravata, Parijata, Pandara, Harina, Krisha, Vihanga, Sharabha, Meda, Pramoda en Sauhatapana.

Uit het geslacht van Kauravya. Eraka, Kundala, Veni, Veniskandha, Kumaraka, Bahuka, Shringavera, Dhurtaka, Pratara en Ashtaka.

Uit het geslacht van Dhritarashtra, de naga. Shankukarna, Pitharaka, Kuthara, Sukhana, Shechaka, Purnangada, Purnamukha, Prahasa, Shakuni, Dari, Amahatha, Kumathaka, Sushena, Vyaya, Bhairava, Mundavedanga, Pishanga, Udraparaka, Rishabha, Vegavat, Pindaraka, Raktanga, Sarvasaranga, Samriddha, Patha, Vasaka, Varahaka, Viranaka, Suchitra, Chitravegika, Parashara, Tarunaka, Maniskandha en Aruni.

Shakuni, Parashara, Aruni, Krisha en Ashtaka zijn hier slangen, niet de broer van Gandhari, de vader van Vyasa, de leerling van Dhaumya, de vriend van Shringin of koning Ashtaka.

De zonen van Uparichara Vasu

In hoofdstuk 8, bij "Het meisje dat naar vis rook", waar koning Uparichara zijn vijf zonen over zijn gewesten aanstelt.

Brihadratha, die in Magadha werd aangesteld en ook Maharatha heette; Pratyagraha; Kushamba, die ook Manivahana heette; Mavella; en Yadu. Ieder stichtte rijken en steden die naar hem heetten, en een eigen koningshuis. Deze Yadu is niet Yadu, de zoon van Yayati.

De geslachten van alle schepselen

In hoofdstuk 8, bij "De geslachten", waar Vaishampayana koning Janamejaya vertelt hoe alle wezens zijn ontstaan. In het verhaal staan de namen die later terugkomen; hier staat de hele genealogie.

De zes zonen die Brahma uit zijn geest voortbracht. Marichi, Atri, Angiras, Pulastya, Pulaha en Kratu. De zoon van Marichi was Kashyapa, en uit hem kwamen de schepselen voort.

De dertien dochters van Daksha die Kashyapa tot vrouw kreeg. Aditi, Diti, Danu, Kala, Danayu, Simhika, Krodha, Pradha, Vishva, Vinata, Kapila, Muni en Kadru.

De twaalf Aditya's, de zonen van Aditi. Dhatri, Mitra, Aryaman, Indra, Varuna, Amsha, Bhaga, Vivasvat, Pushan, Savitri, Tvashtri en Vishnu. De jongste, Vishnu, overtrof hen allemaal.

Het geslacht van Diti. Diti had één zoon, Hiranyakashipu. Die had vijf zonen: Prahlada, Samhlada, Anuhlada, Shibi en Vashkala. Prahlada had drie zonen: Virochana, Kumbha en Nikumbha. Virochana kreeg een zoon, Bali, en de zoon van Bali was de asura Bana, een volgeling van Rudra, die ook Mahakala heette. Deze Shibi is niet koning Shibi, die in het verhaal van Yayati voorkomt.

De zonen van Danu. Danu had veertig zonen, zegt het epos, maar het noemt er meer. De oudste was Viprachitti, en dan Shambara, Namuchi, Puloman, Asiloman, Keshin, Durjaya, Ayahshiras, Ashvashiras, Ayahshanku, Gaganamurdhan, Vegavat, Ketumat, Svarbhanu, Ashva, Ashvapati, Vrishaparvan, Ajaka, Ashvagriva, Sukshma, Tuhunda, Ekapada, Ekachakra, Virupaksha, Mahodara, Nichandra, Nikumbha, Kupata, Kapata, Sharabha, Shalabha, Surya en Chandramas. Deze Surya en Chandramas zijn niet de zon en de maan van de goden. Ook deze tien waren danava's: Ekaksha, Amritapa, Pralamba, Naraka, Vatapi, Shatrutapana, Shatha, Gavishtha, Danayu en Dirghajihva. Hun zonen en kleinzonen waren niet te tellen. De asura Ekachakra heeft niets te maken met de stad Ekachakra.

Simhika, Krodha, Danayu en Kala. Simhika baarde Rahu, de vijand van de zon en de maan, en drie anderen: Suchandra, Chandrahantri en Chandrapramardana. De nakomelingen van Krodha waren talloos, driftig en vals als zij. Danayu had vier zonen: Vikshara, Vala, Vira en Vritra. De zonen van Kala waren Vinashana, Krodha, Krodhahantri en Krodhashatru, en nog vele anderen.

Shukra. Shukra, de zoon van een rishi, was de leraar en priester van de asura's. Hij had vier zonen die ook priester van de asura's waren: Tashtadhara, Atri en twee anderen. Deze Atri is niet de zoon van Brahma.

Vinata en Kadru. Vinata had zes zonen: Tarkshya, Arishtanemi, Garuda, Aruna, Aruni en Varuni. Verderop, bij de moeders van de dieren, zegt het epos dat zij twee zonen had, Garuda en Aruna, en zo vertelt ook het verhaal het. Kadru was de moeder van Shesha, die ook Ananta heet, van Vasuki, Takshaka, Kumara en Kulika.

De zestien zonen van Muni, goden en gandharva's. Bhimasena, Ugrasena, Suparna, Varuna, Gopati, Dhritarashtra, Suryavarchas, Satyavachas, Arkaparna, Prayuta, Bhima, Chitraratha, Kalishiras, Parjanya, Kali en Narada. Veel van hen dragen de namen van mensen of goden uit het verhaal, maar zijn andere wezens.

De kinderen van Pradha. Haar dochters: Anavadya, Manu, Vamsha, Asura, Marganapriya, Anupa, Subhaga en Bhasi. Haar zonen, allemaal hemelse gandharva's: Siddha, Purna, Barhin, Purnayus, Brahmacharin, Ratiguna, Suparna, Vishvavasu, Bhanu en Suchandra. Bij de rishi Kashyapa baarde ze ook de apsara's Alambusha, Mishrakeshi, Vidyutparna, Tilottama, Aruna, Rakshita, Rambha, Manorama, Keshini, Subahu, Surata, Suraja en Supriya, en de gandharva's Atibahu, Haha, Huhu en Tumburu.

Kapila. Uit haar kwamen de brahmanen, de koeien, de gandharva's en de apsara's voort.

De elf Rudra's, de zonen van Sthanu. Sthanu was nog een zoon van Brahma. Zijn zonen: Mrigavyadha, Sharva, Nirriti, Ajaikapad, Ahirbudhnya, Pinakin, Dahana, Ishvara, Kapalin, Sthanu en Bharga.

De nakomelingen van de zes geestzonen. Angiras had drie zonen: Brihaspati, Utathya en Samvarta. Atri had vele zonen, allemaal grote rishi's die de Veda's kenden. De zonen van Pulastya waren de rakshasa's, de apen, de kinnara's (wezens die in de bergen zingen) en de yaksha's. De zonen van Pulaha waren de shalabha's (de gevleugelde insecten), de leeuwen, de kimpurusha's (half leeuw, half mens), de tijgers, de beren en de wolven. De zonen van Kratu waren de Valakhilya's, de metgezellen van Surya.

De vijftig dochters van Daksha. Daksha sprong uit de rechterteen van Brahma, zijn vrouw uit de linker. Hij gaf tien dochters aan Dharma, zevenentwintig aan Soma, de maan, en dertien aan Kashyapa. De vrouwen van Dharma: Kirti, Lakshmi, Dhriti, Medha, Pushti, Shraddha, Kriya, Buddhi, Lajja en Mati. De zevenentwintig vrouwen van Soma zijn de maanhuizen.

De acht Vasu's en hun zonen. Brahma had een zoon Manu, en Manu een zoon Prajapati. Diens zonen waren de acht Vasu's: Dhara, Dhruva, Soma, Aha, Anila, Anala, Pratyusha en Prabhasa.

  • Dhara en Dhruva waren zonen van Dhumra, Soma en Anila (ook Shvasana genoemd) van Shvasa, Aha van Rata, Anala (ook Hutashana genoemd) van Shandilya, en Pratyusha en Prabhasa van Prabhata.
  • Dhara had twee zonen, Dravina en Hutahavyavaha.
  • De zoon van Dhruva was Kala, de Tijd, die de werelden vernietigt.
  • De zoon van Soma was Varchas. Varchas had bij zijn vrouw Manohara twee zonen, Shishira en Ramana.
  • De zonen van Aha waren Jyotis, Shama, Shanta en Muni.
  • De zoon van Anala, het vuur, was Kumara, die in een rietbos werd geboren en Kartikeya heet omdat de Krittika's hem opvoedden. Na hem werden zijn drie broers geboren: Shakha, Vishakha en Naigameya.
  • De vrouw van Anila was Shiva, en hun zonen waren Manojava en Avijnatagati.
  • De zoon van Pratyusha was de rishi Devala, die twee zonen had.
  • Prabhasa trouwde met de zuster van Brihaspati, en zij baarde Vishvakarma, de bouwmeester van de goden.

Dharma en zijn zonen. Dharma kwam uit de rechterborst van Brahma. Zijn drie zonen waren Shama, de kalmte, Kama, het verlangen, en Harsha, de vreugde. De vrouw van Kama was Rati, die van Shama Prapti en die van Harsha Nanda.

De drieëndertig goden. Tvashtri, in de gedaante van een merrie, werd de vrouw van Savitri (ze heet hier net als de Aditya Tvashtri) en baarde in de lucht de Ashvins. De twaalf zonen van Aditi hadden Indra aan het hoofd, en de jongste was Vishnu. Samen met de acht Vasu's, de elf Rudra's, Prajapati en Vashatkara zijn zij de drieëndertig goden. Als afzonderlijke scharen gelden de Rudra's, de Sadhya's, de Maruts, de Vasu's, de Bhargava's en de Vishvadeva's. Garuda, Aruna en Brihaspati worden tot de Aditya's gerekend; de Ashvins, alle kruiden en de lagere dieren tot de guhyaka's.

Het geslacht van Bhrigu. Bhrigu scheurde de borst van Brahma open en kwam naar buiten. Zijn zonen waren Shukra en Chyavana. Chyavana trouwde met Arushi, de dochter van Manu, en uit haar dij werd Aurva geboren. Aurva verwekte Richika, Richika Jamadagni, en de jongste van de vier zonen van Jamadagni was Rama, die Parashurama heet. Aurva had honderd zonen, met Jamadagni als oudste.

Dhatri, Vidhatri, Lakshmi en Divi. Brahma had nog twee zonen, Dhatri en Vidhatri, die bij Manu bleven. Hun zuster was Lakshmi, die tussen de lotussen woont; de zonen van haar geest zijn de paarden die door de lucht gaan. Divi, een dochter van Shukra, werd de oudste vrouw van Varuna. Zij baarde een zoon, Vala, en een dochter, Sura, de godin van de wijn. Deze Vala is niet de asura Vala.

Adharma en zijn geslacht. Adharma, het onrecht, werd geboren toen de schepselen uit gebrek aan voedsel elkaar begonnen te verslinden. Zijn vrouw was Nirriti, en van haar stammen de rakshasa's, die daarom Nairrita's heten. Haar drie andere zonen waren Bhaya, de angst, Mahabhaya, de verschrikking, en Mrityu, de Dood, die geen vrouw en geen zoon heeft. Nirriti is ook de naam van een van de elf Rudra's.

De moeders van de dieren.

  • Tamra had vijf dochters: Kaki, van wie de kraaien stammen; Shyeni, van wie de haviken, de hanen en de gieren stammen; Bhasi; Dhritarashtri, van wie de eenden, de ganzen en de chakravaka's stammen; en Shuki, van wie de papegaaien stammen.
  • Krodha had negen dochters: Mrigi, Mrigamanda, Hari, Bhadramana, Matangi, Sharduli, Shveta, Surabhi en Surasa. Van Mrigi stammen de herten; van Mrigamanda de beren en de dieren die shrimara heten; van Bhadramana de hemelse olifant Airavata; van Hari de apen, de paarden en de dieren die golangula heten, met een staart als van een koe; van Sharduli de leeuwen, de tijgers en de luipaarden; van Matangi de olifanten; en van Shveta de snelle olifant Shveta.
  • Surabhi had vier dochters: Rohini, van wie alle koeien stammen; Gandharvi, van wie de paarden stammen; Vimala; en Anala, van wie de zeven soorten bomen met vlezige vruchten stammen, zoals de dadel, de palm en de kokospalm. Anala had ook een dochter Shuki. Deze Rohini is niet de moeder van Balarama.
  • Surasa baarde Kanka, een vogel met lange veren, en ook de naga's. Kadru baarde de punnaga's, de slangen.
  • Shyeni, de vrouw van Aruna, baarde Sampati en Jatayu.
  • Vinata had twee zonen, Garuda en Aruna.

De delen van de goden

In hoofdstuk 8, bij "De delen van de goden", waar Vaishampayana vertelt welke goden en asura's als mensen werden geboren.

Asura's en danava's die als koningen werden geboren.

AsuraOp aarde
Viprachitti, de eerste van de danava'sJarasandha
Hiranyakashipu, de zoon van DitiShishupala
Samhlada, de jongere broer van PrahladaShalya, de koning van de Valhika's
Anuhlada, de jongsteDhrishtaketu
Shibi, een zoon van Ditikoning Druma
VashkalaBhagadatta
Ayahshiras, Ashvashiras, Ayahshanku, Gaganamurdhan en Vegavatvijf koningen in het koningshuis van Kekaya
Ketumatkoning Amitaujas
Svarbhanukoning Ugrasena
Ashvakoning Ashoka
Ashvapati, de jongere broer van AshvaHardikya
Vrishaparvankoning Dirghaprajna
Ajaka, de jongere broer van Vrishaparvankoning Shalva
Ashvagrivakoning Rochamana
Sukshmakoning Brihadratha
Tuhundakoning Senabindu
Ishupakoning Nagnajit
EkachakraPrativindhya
Virupakshakoning Chitravarman
Hara, de eerste van de danava'sSubahu
Suhtrakoning Munjakesha
Nikumbhakoning Devadhipa
Sharabhade koninklijke wijze Paurava
Kupathakoning Suparshva
Krathade koninklijke wijze Parvateya
Shalabha, de tweede van die naamkoning Prahlada, in het land van de Valhika's
ChandraChandravarman, de koning van de Kamboja's
Arkade koninklijke wijze Rishika
Mritapakoning Pashchimanupaka
Garishthakoning Drumasena
Mayurakoning Vishva
Suparna, de jongere broer van Mayurakoning Kalakirti
Chandrahantride koninklijke wijze Shunaka
Chandravinashanakoning Janaki
Dirghajihvade koning van Kashi
Rahu, de zoon van Simhikakoning Kratha
Vikshara, de oudste zoon van Danayukoning Vasumitra
de tweede zoon van Danayu (bij de zonen van Danayu hierboven heet hij Vala)de koning van het land Pandya
Valinakoning Paundramatsyaka
Vritrade koninklijke wijze Manimat
Krodhahantri, de jongere broer van Vritrakoning Danda
Krodhavardhanakoning Dandadhara
de acht zonen van KalaJayatsena in Magadha; Aparajita; de koning van de Nishada's; Shrenimat; Mahaujas; Abhiru; Samudrasena; Brihat
KukshiParvatiya
Krathanakoning Suryaksha
SuryaDarada, de koning van de Valhika's

De koningen uit het asura-geslacht van de Krodhavasha's. Madraka, Karnaveshta, Siddhartha, Kitaka, Suvira, Subahu, Mahavira, Bahlika, Kratha, Vichitra, Suratha, Nila, Chiravasa, Bhumipala, Dantavakra, Durjaya, Rukmi, Janamejaya, Ashadha, Vayuvega, Bhuritejas, Ekalavya, Sumitra, Vatadhana, Gomukha, de koningen van de Karushaka's, Kshemadhurti, Shrutayu, Udvaha, Brihatsena, Kshema, Ugratirtha de koning van de Kalinga's, Matimat en koning Ishvara.

Nog drie. De danava Kalanemi werd Kamsa, de zoon van Ugrasena. De asura Devaka werd op aarde de voornaamste koning van de gandharva's. Hamsa, de zoon van Arishta, werd geboren in het geslacht van Kuru en werd koning van de gandharva's.

Vidura. Op deze plaats noemt het epos Vidura "de zoon van de rishi Atri". Elders, en in het verhaal zelf (hoofdstuk 13), is hij de zoon van Vyasa en een dienares. Ook de Sanskriettekst heeft hier Atri.

De honderd zonen van Dhritarashtra, eerste lijst. Op Janamejaya's vraag noemt Vaishampayana ze in de volgorde van hun geboorte. Deze lijst wijkt af van de tweede lijst verderop, uit hoofdstuk 14, in volgorde en in namen.

Duryodhana, Yuyutsu, Duhshasana, Duhsaha, Duhshala, Durmukha, Vivimshati, Vikarna, Jalasandha, Sulochana, Vinda, Anuvinda, Durdharsha, Subahu, Dushpradharshana, Durmarshana, Dushkarna, Karna, Chitra, Vipachitra, Chitraksha, Charuchitra, Angada, Durmada, Dushpradharsha, Vivitsu, Vikata, Sama, Urnanabha, Padmanabha, Nanda, Upanandaka, Senapati, Sushena, Kundodara, Mahodara, Chitrabahu, Chitravarman, Suvarman, Durvirochana, Ayobahu, Mahabahu, Chitrachapa, Sukundala, Bhimavega, Bhimabala, Balaki, Bhimavikrama, Ugrayudha, Bhimashara, Kanakayu, Dridhayudha, Dridhavarman, Dridhakshatra, Somakirti, Anadara, Jarasandha, Dridhasandha, Satyasandha, Sahasravak, Ugrashravas, Ugrasena, Kshemamurti, Aparajita, Panditaka, Vishalaksha, Duradhara, Dridhahasta, Suhasta, Vatavega, Suvarchas, Adityaketu, Bahvashin, Nagadanta, Ugrayayin, Nishangin, Kavachin, Dandin, Dandadhara, Dhanurgraha, Ugra, Bhimaratha, Vira, Virabahu, Alolupa, Abhaya, Raudrakarman, Dridharatha, Anadhrishya, Kundabhedin, Viravi, Dirghalochana, Dirghabahu, Mahabahu, Vyudhoru, Kanakadhvaja, Kundaja en Chitraka.

Daarnaast een dochter, Duhshala. Yuyutsu, de zoon van een vaishya-vrouw, staat in de lijst en wordt ook "boven de honderd" geteld. De lijst telt geen honderd namen precies, en Mahabahu staat er twee keer in. Duhshala in de lijst is een zoon, niet de dochter Duhshala; Karna, Jarasandha en Ugrasena in de lijst zijn zonen van Dhritarashtra, niet de zoon van Kunti, de koning van Magadha of de vader van Kamsa.

De zonen van Draupadi. Zij waren de Vishvadeva's, een schare van goden: Prativindhya, Sutasoma, Shrutakirti, Shatanika en Shrutasena. In de Engelse vertaling staat tussen Shatanika en Shrutasena ook Nakula; vermoedelijk hoort die naam bij Shatanika, de zoon van Nakula.

De zes voornaamste apsara's

In hoofdstuk 9, bij "Bharata", waar Shakuntala aan het hof van koning Dushyanta over haar moeder spreekt.

Urvashi, Purvachitti, Sahajanya, Menaka, Vishvachi en Ghritachi. Van hen is Menaka, die uit Brahma geboren is, de eerste.

De honderd zonen van Dhritarashtra, tweede lijst

In hoofdstuk 14, bij "Honderd potten", waar Vaishampayana de zonen van Dhritarashtra noemt in de volgorde van hun geboorte.

Duryodhana, Yuyutsu, Duhshasana, Duhsaha, Duhshala, Jalasandha, Sama, Saha, Vinda, Anuvinda, Durdharsha, Subahu, Dushpradharshana, Durmarshana, Durmukha, Dushkarna, Karna, Vivimshati, Vikarna, Shala, Sattva, Sulochana, Chitra, Upachitra, Chitraksha, Charuchitra, Sharasana, Durmada, Durvigaha, Vivitsu, Vikatanana, Urnanabha, Sunabha, Nandaka, Upanandaka, Chitrabana, Chitravarman, Suvarman, Durvimochana, Ayobahu, Mahabahu, Chitranga, Chitrakundala, Bhimavega, Bhimabala, Balaki, Balavardhana, Ugrayudha, Bhima, Karna, Kanakayu, Dridhayudha, Dridhavarman, Dridhakshatra, Somakirti, Anudara, Dridhasandha, Jarasandha, Satyasandha, Sada, Suvak, Ugrashravas, Ugrasena, Senani, Dushparajaya, Aparajita, Kundashayin, Vishalaksha, Duradhara, Dridhahasta, Suhasta, Vatavega, Suvarchas, Adityaketu, Bahvashin, Nagadanta, Agrayayin, Kavachin, Krathana, Kunda, Kundadhara, Dhanurdhara, Ugra, Bhimaratha, Virabahu, Alolupa, Abhaya, Raudrakarman, Dridharatha, Anadhrishya, Kundabhedin, Viravi, Dirghalochana, Pramatha, Pramathi, Dirgharoma, Dirghabahu, Mahabahu, Vyudhoru, Kanakadhvaja, Kundashi en Virajas.

Daarnaast een dochter, Duhshala. Ook hier staat Yuyutsu als tweede, al was hij de zoon van een andere moeder. Mahabahu en Karna staan er twee keer in, en ook in deze lijst zijn Duhshala, Karna, Bhima, Jarasandha en Ugrasena zonen van Dhritarashtra en niet hun bekende naamgenoten.

Wie er kwam bij de geboorte van Arjuna

In hoofdstuk 16, bij "Vijf zonen", waar de goden en de hemelse wezens de pasgeboren Arjuna komen eren.

De zeven grote rishi's. Bharadvaja, Kashyapa, Gautama, Vishvamitra, Jamadagni, Vasishtha en Atri. Daarna ook Marichi, Angiras, Pulastya, Pulaha, Kratu en Daksha.

De gandharva's. Tumburu zong, en met hem kwamen Bhimasena, Ugrasena, Urnayu, Anagha, Gopati, Dhritarashtra, Suryavarchas, Yugapa, Trinapa, Karshni, Nandi, Chitraratha, Shalishiras, Parjanya, Kali, Narada, Brihatta, Brihaka, Karala, Brahmacharin, Bahuguna, Suvarna, Vishvavasu, Bhumanyu, Suchandra, Sam en de stammen van Haha en Huhu. Ook deze Bhimasena, Ugrasena, Dhritarashtra en Bhumanyu zijn andere wezens dan hun naamgenoten in het verhaal.

De apsara's die dansten. Anuchana, Anavadya, Gunamukhya, Gunavara, Adrika, Soma, Mishrakeshi, Alambusha, Marichi, Shuchika, Vidyutparna, Tilottama, Ambika, Lakshmana, Kshema, Devi, Rambha, Manorama, Asita, Subahu, Supriya, Suvapus, Pundarika, Sugandha, Surasa, Pramathini, Kamya en Sharadvati.

De elf apsara's die zongen. Menaka, Sahajanya, Karnika, Punjikasthala, Ritusthala, Ghritachi, Vishvachi, Purvachitti, Umlocha, Pramlocha en Urvashi.

De twaalf Aditya's. Genoemd worden Dhatri, Aryaman, Mitra, Varuna, Bhaga, Indra, Vivasvat, Pushan, Tvashtri en Parjanya of Vishnu. Dat zijn er elf; Amsha, die bij de geslachten van alle schepselen wel genoemd wordt, ontbreekt.

De elf Rudra's. Mrigavyadha, Sharva, Nirriti, Ajaikapad, Ahirbudhnya, Pinakin, Dahana, Ishvara, Kapalin, Sthanu en Bhaga. Bij de geslachten van alle schepselen heet de laatste Bharga.

Verder. De Ashvins, de acht Vasu's, de Maruts, de Vishvadeva's en de Sadhya's. De naga's Karkotaka, Vasuki, Kachchhapa, Kunda en Takshaka. Uit het geslacht van Vinata Tarkshya, Arishtanemi, Garuda en Asitadhvaja, en ook Aruna en Aruni.