Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk elf

De ouderdom

Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel II, De voorouders · 33 min. lezen

Yayati keerde terug naar zijn hoofdstad, gebogen onder de ouderdom. Hij riep zijn oudste zoon Yadu bij zich, die ook de bekwaamste was.

'Mijn jongen,' zei hij, 'door de vloek van Shukra zijn ouderdom, rimpels en wit haar over me gekomen. Maar ik heb nog niet genoeg genoten van mijn jeugd. Neem jij mijn zwakte en mijn ouderdom over, Yadu, dan geniet ik met jouw jeugd. Als er duizend jaar voorbij zijn, geef ik je je jeugd terug en neem ik mijn zwakte en mijn ouderdom terug.'

'Ouderdom brengt ontelbare ongemakken mee, bij het eten en bij het drinken,' zei Yadu. 'Daarom neem ik uw ouderdom niet, koning. Dat is mijn besluit. Wit haar, somberheid, slappe spieren, rimpels over het hele lichaam, misvormingen, zwakke ledematen, uitmergeling, niet meer kunnen werken, verslagen worden door je vrienden en gezellen: dat zijn de gevolgen van ouderdom. Ik wil haar niet. U hebt veel zonen, en van sommigen houdt u meer. U kent de voorschriften van de dharma. Vraag een andere zoon uw ouderdom te nemen.'

'Je bent uit mijn hart voortgekomen, mijn zoon,' zei Yayati, 'maar je geeft me je jeugd niet. Daarom zullen je kinderen nooit koning worden.'

Toen vroeg hij het Turvasu. 'Neem jij mijn zwakte en mijn ouderdom. Met jouw jeugd wil ik van het leven genieten. Na duizend jaar geef ik je je jeugd terug.'

'Ik hou niet van de ouderdom, vader,' zei Turvasu. 'Ze neemt alle trek en alle genot weg, de kracht en de schoonheid van het lichaam, het verstand en zelfs het leven.'

'Je bent uit mijn hart voortgekomen, mijn zoon,' zei Yayati, 'maar je geeft me je jeugd niet. Daarom zal je geslacht uitsterven, Turvasu. Ellendeling, je zult koning zijn over mensen met onreine gewoonten en leefregels, bij wie mannen van lage afkomst kinderen verwekken bij vrouwen van hoge afkomst, die vlees eten, die laag zijn, die niet aarzelen de vrouwen van hun meerderen te nemen, die leven als vogels en beesten, die kwaad doen en geen arya's zijn, geen volk dat de Veda eert.'

Daarna was Druhyu aan de beurt, de zoon van Sharmishtha. 'Druhyu, neem jij duizend jaar lang mijn ouderdom, die je huid en je schoonheid bederft, en geef me je jeugd. Na duizend jaar geef ik je je jeugd terug.'

'Wie oud is, koning, kan niet meer genieten van olifanten, wagens, paarden en vrouwen,' zei Druhyu. 'Zelfs zijn stem wordt schor. Daarom wil ik uw ouderdom niet.'

'Je bent uit mijn hart voortgekomen, mijn zoon, maar je weigert me je jeugd te geven,' zei Yayati. 'Daarom zullen je liefste wensen nooit uitkomen. Je zult alleen in naam koning zijn, over een streek waar geen wegen zijn voor paarden, wagens en olifanten, voor goede voertuigen, ezels, geiten, ossen en draagstoelen, waar men alleen met vlotten en drijvers vooruitkomt.'

'Anu,' zei Yayati, 'neem jij mijn zwakte en mijn ouderdom. Met jouw jeugd wil ik duizend jaar van het leven genieten.'

'Oude mensen eten als kinderen en zijn altijd onrein,' zei Anu. 'Ze kunnen hun offergaven niet op de juiste tijd in het vuur gieten. Daarom wil ik uw ouderdom niet.'

'Je bent uit mijn hart voortgekomen, maar je geeft me je jeugd niet. Je ziet zoveel gebreken in de ouderdom. Daarom zal de ouderdom jou overvallen. En je nakomelingen, Anu, zullen sterven zodra ze volwassen zijn. En ook jij zult geen offers in het vuur kunnen brengen.'

Ten slotte wendde Yayati zich tot zijn jongste kind, Puru. 'Jij bent mijn jongste zoon, Puru, maar jij zult de eerste van allen zijn. Door de vloek van Shukra zijn ouderdom, rimpels en wit haar over me gekomen, en toch heb ik nog niet genoeg van mijn jeugd. Neem jij mijn zwakte en mijn ouderdom, Puru. Met jouw jeugd wil ik nog een aantal jaren van het leven genieten, en als er duizend jaar voorbij zijn, geef ik je je jeugd terug en neem ik mijn ouderdom terug.'

Puru antwoordde bescheiden: 'Ik doe wat u me vraagt, koning. Ik neem uw zwakte en uw ouderdom. Neem mijn jeugd en geniet van het leven zoals u wilt. Ik zal uw ouderdom dragen en oud zijn, en leven zoals u beveelt; mijn jeugd geef ik u.'

'Puru, je hebt me gelukkig gemaakt,' zei Yayati. 'Daarom zeg ik je: de mensen in jouw koninkrijk zullen al hun wensen vervuld zien.' Toen dacht hij aan Shukra, en hij droeg zijn ouderdom over op het lichaam van Puru.

Met de jeugd van Puru gaf Yayati zich weer over aan alles wat hij begeerde. Maar in niets wat hij deed, handelde hij tegen de voorschriften van de dharma. Hij deed de goden genoegen met zijn offers, de voorouders met de shraddha, het offer aan de voorouders, de armen met zijn giften, de brahmanen door hun wensen te vervullen, alle gasten met eten en drinken, de vaishya's door hen te beschermen en de shudra's door hen vriendelijk te behandelen. Misdadigers strafte hij zoals ze verdienden. Zo won hij alle lagen van zijn volk voor zich, en hij beschermde hen rechtvaardig, als een tweede Indra.

Hij was jong, alles wat hij begeerde lag binnen handbereik, en zijn geluk kende geen grenzen. Alleen als hij bedacht dat die duizend jaar ooit voorbij zouden zijn, werd hij verdrietig. Hij kende de geheimen van de tijd en lette op de kleinste delen ervan, en hij vermaakte zich met de apsara Vishvachi, soms in de mooie tuin van Indra, soms in Alaka, de stad van Kubera, de god van de rijkdom, en soms op de top van de berg Meru in het noorden.

Toen de duizend jaar voorbij waren, riep de koning zijn zoon Puru bij zich. 'Met jouw jeugd, mijn zoon, heb ik van het leven genoten, van elk genot op zijn tijd, zoveel als mijn verlangens vroegen en zo ver als mijn krachten reikten. Maar wie zijn verlangens voedt, stilt ze niet: ze slaan hoger op, zoals het offervuur wanneer je er boter in giet. Als één mens alles bezat wat er op aarde is, al haar rijst en gerst, haar zilver, goud en edelstenen, haar dieren en haar vrouwen, dan nog zou hij niet genoeg hebben. Daarom moet een mens de dorst naar genot opgeven. Geluk is er alleen voor wie de dorst naar de dingen van de wereld heeft afgelegd: een dorst die slechte mensen maar moeilijk kwijtraken, die niet ophoudt als het leven ophoudt, en die de dodelijke ziekte van de mens is. Duizend jaar lang was mijn hart gericht op wat het begeerde, en elke dag werd het verlangen groter, niet kleiner. Daarom leg ik het af. Ik richt mijn geest op het brahman, en de rest van mijn dagen breng ik vredig door in het woud, tussen de onschuldige herten, zonder dat mijn hart nog aan de dingen van de wereld hangt. Ik ben je dankbaar, Puru. Ik wens je alle goeds. Neem je jeugd terug, en neem ook mijn koninkrijk. Jij bent de zoon die mij de grootste dienst heeft bewezen.'

Yayati, de zoon van Nahusha, nam zijn ouderdom terug, en Puru kreeg zijn eigen jeugd terug. Yayati wilde Puru, zijn jongste zoon, op de troon zetten. Maar de vier standen, met de brahmanen voorop, kwamen bij de koning.

'Koning,' zeiden ze, 'hoe kunt u uw koninkrijk aan Puru geven en uw oudste zoon Yadu overslaan, de zoon van Devayani en dus de kleinzoon van de grote Shukra? Yadu is uw oudste zoon; na hem kwam Turvasu; en van de zonen van Sharmishtha is Druhyu de eerste, dan Anu en dan pas Puru. Hoe verdient de jongste de troon, terwijl u al zijn oudere broers overslaat? Dat leggen we u voor. Houd u toch aan wat rechtvaardig is.'

'Luister naar mij,' zei Yayati, 'dan weten jullie waarom mijn koninkrijk niet naar mijn oudste zoon moet gaan. Mijn oudste zoon Yadu heeft mijn bevel niet opgevolgd. Wijzen zeggen dat wie zijn vader niet gehoorzaamt, geen zoon is. Maar de zoon die doet wat zijn ouders vragen, die hun welzijn zoekt en hun genoegen doet, is de beste zoon. Yadu heeft me miskend, en Turvasu ook. Ook Druhyu en Anu hebben me grof miskend. Alleen Puru heeft mijn woord opgevolgd; alleen hij heeft mij de eer gegeven die mij toekwam. Daarom wordt de jongste mijn erfgenaam. Hij nam mijn ouderdom. Puru is mijn vriend; hij heeft gedaan wat mij goed deed. En Shukra zelf heeft bevolen dat de zoon die mij gehoorzaamt, na mij koning wordt en de hele aarde onder zijn gezag brengt. Daarom vraag ik jullie: laat Puru op de troon worden gezet.'

'Het is waar, koning,' zei het volk, 'dat een zoon die bekwaam is en het welzijn van zijn ouders zoekt, het beste verdient, ook al is hij de jongste. Daarom verdient Puru, die u goed heeft gedaan, de troon. En omdat Shukra zelf het bevolen heeft, hebben wij er niets tegen in te brengen.'

Met instemming van het volk wijdde de zoon van Nahusha Puru tot koning. Daarna voerde hij de riten uit waarmee iemand zich voorbereidt op het leven in het woud, en al gauw verliet hij zijn hoofdstad, gevolgd door brahmanen en asceten.

De zonen van Yadu staan bekend als de Yadava's, die van Turvasu worden de Yavana's genoemd, de zonen van Druhyu zijn de Bhoja's en die van Anu de mleccha's, de volken buiten de orde van de Veda. Maar de nakomelingen van Puru zijn de Paurava's. Uit hen is ook koning Janamejaya geboren, om duizend jaar te regeren met zijn zinnen volkomen in bedwang.

Indra's vraag

Toen koning Yayati zijn geliefde zoon op de troon had gezet, ging hij het woud in, en na een tijd werd hij opgenomen in de hemel van de goden. Maar Indra stootte hem daaruit, en Yayati bleef in de lucht hangen zonder de aarde te bereiken, tot hij enige tijd later opnieuw in de wereld van de goden werd opgenomen, samen met Vasumat, Ashtaka, Pratardana en Shibi.

'Ik wil in bijzonderheden horen,' zei Janamejaya, 'waarom Yayati, die eerst in de wereld van de goden was opgenomen, eruit werd gestoten, en waarom hij er later opnieuw werd opgenomen. Vertel het me, brahmaan, in het bijzijn van deze tweemaal geborenen. Yayati, die over de aarde heerste, was als de koning van de goden; hij was de stamvader van het wijdvertakte geslacht van de Kuru's en had de glans van de zon. Ik wil het hele verhaal horen van zijn leven in de wereld van de goden en op aarde, want de hele wereld kende hem, en zijn daden waren wonderbaarlijk.'

'Ik zal u het mooie verhaal vertellen van wat Yayati op aarde en in de wereld van de goden meemaakte,' zei Vaishampayana. 'Het is heilig, en het neemt het kwaad weg van wie ernaar luistert.'

En Vaishampayana vertelde verder.

Nadat koning Yayati zijn jongste zoon Puru op de troon had gezet en zijn andere zonen, met Yadu voorop, naar de streken van de mleccha's had verbannen, ging hij als asceet het woud in. Hij leefde er een tijd van vruchten en wortels. Hij hield zijn geest en zijn zinnen volkomen in bedwang, en met offers eerde hij de voorouders en de goden. Hij goot offerboter in het vuur volgens de riten voor wie als woudbewoner leeft, in de derde van de vier levensfasen, na de leerjaren en het leven als huisvader. Gasten en vreemdelingen ontving hij met de vruchten van het woud en met geklaarde boter, terwijl hij zelf leefde van de graankorrels die hij bij elkaar raapte.

Zo leefde de koning duizend jaar lang. Een heel jaar hield hij een gelofte van zwijgen, beheerste hij zijn geest en leefde hij alleen van lucht, zonder te slapen. Een volgend jaar beoefende hij de zwaarste ascese tussen vier vuren, met de zon boven zijn hoofd. Zes maanden stond hij rechtop op één been en leefde hij alleen van lucht. Toen steeg de koning op naar de hemel van de goden, en de roem van zijn heilige daden vulde de wereld van de goden en de aarde.

Terwijl hij in de hemel van de goden woonde, werd hij vereerd door de goden en al hun scharen, de Sadhya's, de Maruts en de Vasu's. Soms ging hij van de wereld van de goden naar de wereld van Brahma. Hij bleef er lange tijd.

Op een dag ging Yayati naar Indra, en in de loop van het gesprek vroeg Indra hem: 'Wat heb je gezegd, koning, toen je zoon Puru op aarde je ouderdom overnam en jij hem je koninkrijk gaf?'

'Ik heb hem gezegd dat het hele land tussen de rivieren Ganga en Yamuna van hem was,' zei Yayati. 'Dat is het middenland van de aarde; de streken daaromheen zouden het gebied van zijn broers zijn. Ik heb hem ook gezegd dat wie geen woede kent, altijd boven de woedenden staat, en wie vergeeft boven wie niet vergeeft; dat de mens boven de dieren staat, en onder de mensen de geleerden boven de ongeleerden. "Als iemand je onrecht doet," zei ik, "doe hem dan geen onrecht terug. Woede waar de ander niet op ingaat, verbrandt wie haar voelt; en wie er niet op ingaat, neemt alle verdienste weg van wie haar toont. Doe anderen nooit pijn met wrede woorden. Versla je vijanden nooit met verachtelijke middelen, en zeg nooit schroeiende, kwade woorden die anderen kwellen. Wie mensen met harde, wrede woorden steekt als met doornen, draagt altijd rakshasa's in zijn mond; welvaart en geluk vluchten weg zodra ze hem zien. Houd de goeden voor ogen als voorbeeld, vergelijk achteraf je daden met die van de goeden, en trek je niets aan van de harde woorden van slechte mensen. Neem altijd het gedrag van de wijzen als maatstaf voor je eigen handelen. Wie geraakt wordt door de pijlen van wrede woorden, huilt dag en nacht, want die treffen de kwetsbaarste plekken. Daarom schieten wijzen die pijlen nooit op anderen af. Er is in de drie werelden niets waarmee je de goden beter kunt eren dan met vriendelijkheid, vriendschap, vrijgevigheid en zachte woorden tegen iedereen. Spreek daarom woorden die verzachten, niet woorden die schroeien. Eer wie eer verdient, en geef altijd, maar bedel nooit."'

Daarna vroeg Indra Yayati opnieuw: 'Je bent het woud in gegaan, koning, nadat je al je plichten had vervuld. Nu wil ik je vragen, Yayati, zoon van Nahusha: aan wie ben je gelijk in ascese?'

'Wat ascese betreft,' antwoordde Yayati, 'zie ik mijn gelijke niet, niet onder de mensen, niet onder de goden, niet onder de gandharva's en niet onder de grote rishi's.'

'Koning,' zei Indra, 'omdat je neerkijkt op wie boven je staan, op je gelijken en zelfs op wie onder je staan, zonder te weten wat ze waard zijn, is je verdienste geslonken, en je moet vallen uit de wereld van de goden.'

'Als mijn verdienste geslonken is, koning van de goden, en ik daarom moet vallen, dan wil ik tenminste vallen tussen de goeden en de eerlijken.'

'Je zult vallen tussen de goeden en de wijzen, koning, en je zult er ook veel roem verwerven. Maar kijk na deze ervaring nooit meer neer op wie boven je staan, of zelfs op je gelijken.'

Toen viel Yayati uit de wereld van de goden. Ashtaka, een koninklijke wijze die trouw was aan zijn eigen dharma, zag hem vallen.

'Wie ben je, jonge man, mooi als Indra en laaiend als vuur, die zo van boven valt?' vroeg Ashtaka. 'Ben je de zon, die uit donkere wolken tevoorschijn komt? Iedereen ziet je vallen uit de baan van de zon, met een onmetelijke kracht, en iedereen vraagt zich af wat daar valt, buiten bewustzijn. We zien je op het pad van de goden, met een kracht als die van Indra, Surya of Vishnu, en we zijn naar je toe gekomen om de waarheid te weten. Als jij ons eerst had gevraagd wie wij zijn, hadden wij nooit de onbeleefdheid begaan jou eerst te vragen. Nu vragen we je wie je bent en waarom je hierheen komt. Laat je angst verdwijnen, laat je leed en je zorgen ophouden. Je bent nu bij de goeden en de wijzen. Zelfs Indra, die de asura Vala versloeg, kan je hier geen kwaad doen. De goeden zijn de steun van wie in nood is, en hier zijn alleen mensen als jij bijeen. Blijf daarom in vrede hier. Alleen vuur kan warmte geven. Alleen de aarde kan het zaad tot leven wekken. Alleen de zon kan alles verlichten. Zo kan alleen een gast de goeden en de wijzen iets opdragen.'

Vijf gouden wagens

'Ik ben Yayati,' zei hij, 'de zoon van Nahusha en de vader van Puru. Ik ben uit de wereld van de goden, de siddha's en de rishi's gestoten omdat ik op alle schepselen neerkeek, en ik val, want mijn verdienste is geslonken. Ik ben ouder dan jullie; daarom heb ik jullie niet het eerst gegroet. Brahmanen eren altijd wie ouder is, of verder in kennis, of in ascese.'

'U zegt, koning, dat wie ouder is, eer verdient,' zei Ashtaka. 'Maar men zegt ook dat vooral wie verder is in kennis en ascese, verering verdient.'

'Men zegt dat één kwade daad de verdienste van vier goede tenietdoet,' zei Yayati. 'In ijdelheid zit al de kiem van de oorden van kwelling. De goeden treden nooit in de voetsporen van de slechten; ze handelen zo dat hun verdienste altijd groeit. Mijn verdienste was groot, maar die is allemaal weg, en zelfs met mijn uiterste inspanning zal ik haar nauwelijks terugwinnen. Wie mijn lot ziet en zijn eigen welzijn zoekt, zal zijn ijdelheid onderdrukken. Niemand moet juichen omdat hij rijkdom heeft verworven, niemand moet trots zijn omdat hij de hele Veda heeft bestudeerd. Het lot is het hoogste; macht en inspanning halen niets uit. Wie weet dat zijn geluk en zijn ongeluk van het lot afhangen, moet niet treuren en niet juichen. Ik laat me nooit door angst overmannen, Ashtaka, en ik ken geen verdriet, want ik weet dat ik in de wereld zal zijn wat de Beschikker, die ieder schepsel zijn deel toemeet, voor mij heeft bepaald. Insecten en wormen, alles wat uit een ei komt, de planten, alles wat kruipt, de vissen in het water, de stenen, het gras, het hout: alle geschapen dingen worden, als ze vrij zijn van de gevolgen van hun daden, één met het hoogste Zelf. Geluk en ellende gaan allebei voorbij. Waarom zou ik dan treuren?'

Yayati was de grootvader van Ashtaka: de vader van zijn moeder. Ashtaka vroeg verder. 'Vertel me alle werelden die u hebt bezocht en waarvan u hebt genoten, en hoe lang u in elk ervan was. U spreekt over de dharma als iemand die de daden en woorden van de groten kent.'

'Ik was een groot koning op aarde, en de hele wereld was mijn rijk,' zei Yayati. 'Ik liet haar achter en verwierf door mijn verdienste vele hoge werelden. Duizend jaar woonde ik in de eerste. Daarna kwam ik in de stad van Indra, met duizend poorten en honderd yojana's in omtrek, en ook daar woonde ik duizend jaar. Toen kwam ik in een nog hogere wereld, waar geen verval bestaat en die moeilijk te bereiken is: de wereld van Brahma, de schepper, de heer van de schepselen. Ook daar bleef ik duizend jaar, en toen bereikte ik de wereld van Vishnu, en ook daar leefde ik gelukkig. Ik kon elke gedaante aannemen die ik wilde, en een miljoen jaar leefde ik in Nandana, de tuinen van Indra, speelde ik met de apsara's en keek ik naar de ontelbare bomen vol bloemen die hun geur alle kanten op zonden.

Na vele, vele jaren, terwijl ik daar nog in volmaakt geluk woonde, kwam er op een dag een bode van de goden met een grimmig gezicht, en met een luide, diepe stem riep hij me drie keer toe: "Verloren! Verloren! Verloren!" Meer weet ik niet meer. Ik viel uit Nandana, mijn verdienste was op. In de lucht hoorde ik de stemmen van de goden: "Wat een ongeluk! Yayati, die rechtvaardig was en heilige daden deed, valt, nu zijn verdienste op is!" En terwijl ik viel, riep ik naar hen: "Goden, waar zijn de wijzen tussen wie ik zal vallen?" Ze wezen me dit heilige offerterrein van jullie. Ik zag de rookkrullen die de lucht zwart maakten, ik rook de geur van de offerboter die onophoudelijk in het vuur werd gegoten, en die geur wees me de weg.'

'Waarom moest u die wereld verlaten en hierheen komen?' vroeg Ashtaka.

'Zoals verwanten, vrienden en familie hier in deze wereld iemand in de steek laten als zijn rijkdom verdwijnt, zo laten de goden met Indra voorop in de andere wereld iemand in de steek die zijn verdienste heeft verloren.'

'Hoe kan iemand in de andere wereld zijn verdienste verliezen? En welke werelden bereikt men met welke daden?'

'Wie over zijn eigen verdiensten opschept, belandt in de kwelling die Bhauma heet, de aardse,' zei Yayati. 'Zulke mensen lijken op aarde te groeien, in hun zonen en kleinzonen, maar ze worden voedsel voor gieren, honden en jakhalzen. Daarom moet men die laakbare ondeugd onderdrukken.'

'Als het lichaam door ouderdom vergaat, eten gieren, pauwen, insecten en wormen het op,' zei Ashtaka. 'Waar blijft de mens dan? En hoe komt hij weer tot leven? Van een kwelling op aarde die Bhauma heet, heb ik nooit gehoord.'

'Als het lichaam vergaan is, komt de mens, naar gelang van zijn daden, opnieuw in de schoot van een moeder. Daar blijft hij eerst zonder duidelijke vorm, daarna krijgt hij een zichtbare gestalte, en hij verschijnt weer in de wereld en loopt op de aarde. Dat is de aardse kwelling, Bhauma, waarin hij valt, want hij ziet het einde van zijn bestaan niet en werkt niet aan zijn bevrijding. Sommigen blijven zestigduizend jaar in de hemel van de goden, anderen tachtigduizend, en dan vallen ze. En als ze vallen, worden ze aangevallen door rakshasa's in de gedaante van zonen, kleinzonen en andere verwanten, die hun hart afhouden van het werk aan hun bevrijding.

Wie uit de wereld van de goden valt, wordt eerst een fijne stof in het water. Dat water wordt zaad, en in de vruchtbare tijd van de vrouw komt het in de schoot van de moeder en groeit het uit tot een embryo en dan tot een zichtbaar leven. Via bomen en planten, water, lucht, aarde en ruimte neemt dat zaad van het leven de gestalte aan van een viervoeter of een tweevoeter. Het wordt geboren, wordt zich bewust dat het een mens is, en neemt met zijn oren geluid waar, met zijn ogen kleur en vorm, met zijn neus geur, met zijn tong smaak, met zijn hele lichaam aanraking en met zijn geest gedachten. En wie sterft, neemt een fijne gestalte aan, en met het bewustzijn van al zijn daden, als in een droom, gaat hij sneller dan de wind een andere gestalte binnen. De goeden krijgen een hogere, de slechten een lagere vorm van bestaan; de slechten worden wormen en insecten.'

'Hoe bereiken mensen de hogere werelden waarvandaan ze niet meer terugkeren naar het leven op aarde?' vroeg Ashtaka. 'Door ascese of door kennis?'

'Wijzen zeggen dat er zeven poorten zijn waardoor men de wereld van de goden binnengaat: ascese, vrijgevigheid, rust van geest, zelfbeheersing, bescheidenheid, eenvoud en mededogen met alle schepselen. Maar men verliest ze allemaal door ijdelheid. Wie kennis verwerft, zich daarom geleerd waant en met zijn geleerdheid de naam van anderen te gronde richt, bereikt nooit de werelden van onvergankelijk geluk, en zulke kennis brengt hem ook niet bij het brahman. Studie, zwijgen, het vuur vereren en offeren: die vier nemen alle angst weg, maar vermengd met ijdelheid brengen ze juist angst. De wijze juicht niet om eer en treurt niet om belediging, want alleen de wijzen eren de wijzen; de slechten doen nooit wat de goeden doen. "Ik heb zoveel weggegeven, ik heb zoveel offers gebracht, ik heb zoveel gestudeerd, ik heb die geloften gehouden": zulke ijdelheid is de wortel van de angst. Wie alleen steunt op het onveranderlijke, onvoorstelbare brahman, vindt hier en in de andere wereld volmaakte vrede.'

Ashtaka vroeg ook hoe de mensen in elk van de vier levensfasen moesten leven, en Yayati legde het hem uit. De leerling woont bij zijn leraar, staat voor hem op en gaat na hem slapen, dient hem zonder op zijn bevel te wachten, en is bescheiden, geduldig, waakzaam en toegewijd aan zijn studie. De huisvader verwerft zijn rijkdom eerlijk, brengt offers, geeft altijd iets weg, ontvangt iedere gast en gebruikt niets zonder anderen er een deel van te geven. De muni, een wijze die zwijgt, zoekt het woud niet op, maar steunt op zijn eigen kracht; hij onthoudt zich van alle kwaad, geeft iets weg en doet geen enkel schepsel pijn. De ware bhikshu, de rondtrekkende asceet die leeft van wat men hem geeft, oefent geen ambacht uit, beheerst zijn zinnen, heeft geen vrouw, slaapt nooit onder het dak van een huisvader en trekt elke dag een klein stukje verder, zodat hij een groot land doorreist. En wie zijn verlangen naar genot en bezit heeft bedwongen, gaat na de nodige riten als woudbewoner leven; wie zo in het woud sterft, maakt tien generaties, zijn voorouders, zijn nakomelingen en zichzelf, één met het brahman.

'En wie is een muni?' vroeg Ashtaka.

'Een muni woont in het woud en heeft toch een dorp dichtbij, of hij woont in een dorp en heeft toch het woud dichtbij,' zei Yayati. 'Wie zich van alles terugtrekt en in het woud woont, kan door de kracht van zijn ascese toch alles krijgen wat een dorp biedt: die woont in het woud met een dorp dichtbij. En wie zich van alles terugtrekt en in een dorp als asceet leeft, zonder trots op zijn familie, zijn geboorte of zijn kennis, die zich in de schamelste kleren toch rijk gekleed voelt en tevreden is met net genoeg eten om te leven, die woont in een dorp en toch in het woud. Wie zou de muni niet eren die van zuiver voedsel leeft, nooit een ander kwaad doet, ook niet wanneer de dharma het toestaat, en vrij is van de last van het verlangen? Uitgeteerd door zijn ascese, met weinig vlees en bloed meer aan zijn botten, onverschillig voor geluk en ellende, eer en belediging, en verzonken in zwijgen, verovert de muni eerst deze wereld en daarna ook de hoogste. En wanneer hij zijn voedsel met zijn mond zoekt, zoals een koe, wordt de wereld die hij al veroverd heeft een wereld zonder dood.'

'Die twee, de muni van het woud en de muni van het dorp, snellen voort als de zon en de maan,' zei Ashtaka. 'Wie van hen komt het eerst bij de goden?'

'De bhikshu die geen huis heeft en in het dorp woont, tussen huisvaders die hun verlangens volgen, en die zichzelf toch beheerst,' zei Yayati, 'die gaat van de twee het eerst. Wie geen lang leven krijgt en toch van zijn weg afdwaalt, moet opnieuw ascese doen als hij er spijt van heeft. Wat wreed is, noemt men schadelijk. Wie de dharma volgt zonder aan zijn eigen gewin te denken, ook als hij niets bezit en geen macht heeft, dat is oprechtheid, dat is ware verzonkenheid, dat is edel.'

'Koning,' zei Ashtaka, 'u lijkt een jonge man. U bent mooi, u draagt een hemelse krans en er gaat glans van u uit. Waar komt u vandaan, en waar gaat u heen? Wiens bode bent u? Gaat u naar de aarde?'

'Ik ben uit de wereld van de goden gevallen toen mijn verdienste op was, en ik ben gedoemd de aardse kwelling binnen te gaan. Als ik met jullie uitgesproken ben, ga ik erheen. Nu al bevelen de hoeders van de windstreken dat ik me haast. Maar ik heb van Indra als gunst gekregen dat ik, als ik dan toch moet vallen, zal vallen tussen de wijzen en de goeden. Jullie die hier bijeen zijn, zijn allemaal wijs en goed.'

'U weet alles. Ik vraag u: zijn er in de wereld van de goden of in de lucht werelden waar ik van mag genieten? Als die er zijn, zult u niet vallen, ook al valt u.'

'Er zijn evenveel werelden voor je daarboven als er koeien en paarden op aarde zijn, met alle dieren in de wildernis en op de bergen erbij.'

'Als er door mijn verdienste werelden voor mij zijn daarboven, dan geef ik ze u allemaal,' zei Ashtaka. 'Dan zult u niet vallen, ook al valt u. Neem ze snel, waar ze ook zijn. Laat uw verdriet ophouden.'

'Alleen een brahmaan die het brahman kent, mag een gift aannemen, niet iemand zoals wij,' zei Yayati. 'En ik heb zelf aan brahmanen gegeven wat men hoort te geven. Laat niemand die geen brahmaan is, en ook de vrouw van een geleerde brahmaan niet, zich ooit te schande maken door giften aan te nemen. Op aarde wilde ik altijd rechtvaardig handelen. Wat ik nooit eerder heb gedaan, hoe zou ik dat nu doen?'

Pratardana, die bij hen was, vroeg: 'Ik heet Pratardana. Zijn er in de wereld van de goden of in de lucht werelden voor mij, als vrucht van mijn verdienste? U weet alles.'

'Ontelbare werelden vol geluk en licht, waar nooit ellende woont, wachten op jou. Al woonde je in elk ervan maar zeven dagen, dan zouden ze nog niet op zijn.'

'Die geef ik dan aan u,' zei Pratardana. 'Dan moet u niet vallen, ook al valt u. Laat mijn werelden de uwe zijn. Neem ze.'

'Een koning van gelijke kracht mag nooit de verdienste van een andere koning als gift willen ontvangen. En een wijze koning die door het lot in nood is geraakt, mag niet laakbaar handelen. Een koning die altijd de dharma voor ogen houdt, moet de weg van de dharma gaan, zoals ik, en mag niet zo laag handelen als jij voorstelt. Als anderen die verdienste zoeken, geen giften aannemen, hoe kan ik dan doen wat zij zelf niet doen?'

Toen nam Vasumat het woord. 'Ik ben Vasumat, de zoon van Oshadashva. Zijn er in de wereld van de goden of in de lucht werelden voor mij, als vrucht van mijn verdienste? U kent alle heilige werelden.'

'Er zijn evenveel werelden voor jou daarboven als er plekken zijn in de lucht, op de aarde en in de tien windstreken die door de zon verlicht worden.'

'Ik geef ze aan u. Laat de werelden die voor mij zijn, de uwe zijn. Dan zult u niet vallen, ook al valt u. En als het voor u niet past ze als gift aan te nemen, koop ze dan van me voor een strohalm.'

'Ik herinner me niet dat ik ooit oneerlijk iets gekocht of verkocht heb,' zei Yayati. 'Dat hebben andere koningen ook nooit gedaan. Hoe zou ik het dan doen?'

'Als u het niet gepast vindt ze te kopen, neem ze dan als gift van me aan. Wat mij betreft: ik zal nooit naar die werelden gaan die voor mij bestemd zijn. Laat ze van u zijn.'

Toen nam Shibi het woord. 'Ik heet Shibi, de zoon van Ushinara. Koning, zijn er in de lucht of in de wereld van de goden werelden voor mij? U kent elke wereld die men als vrucht van zijn verdienste kan genieten.'

'Je hebt de eerlijken en de goeden die bij je kwamen, nooit met woord of gedachte geminacht. Er zijn oneindig veel werelden voor jou daarboven, allemaal stralend als de bliksem.'

'Als u het niet gepast vindt ze te kopen, dan geef ik ze aan u,' zei Shibi. 'Neem ze allemaal. Ik zal ze nooit nemen, die werelden waar de wijzen nooit ook maar de minste onrust kennen.'

'Shibi, je hebt voor jezelf oneindig veel werelden verworven, met de kracht van Indra. Maar ik wil niet genieten van werelden die anderen me geven. Daarom neem ik je gift niet aan.'

'Ieder van ons heeft u de werelden willen geven die hij door zijn verdienste verworven heeft,' zei Ashtaka, 'en u neemt ze niet aan. Dan laten we ze voor u achter, en dalen wij af in de aardse kwelling.'

'Jullie houden allemaal van de waarheid, en jullie zijn wijs. Geef me wat ik verdien. Ik kan niet doen wat ik nooit eerder heb gedaan.'

'Van wie zijn die vijf gouden wagens die we zien?' vroeg Ashtaka. 'Rijden de mensen die naar de werelden van het geluk gaan, daarin?'

'Die vijf gouden wagens, die daar in hun glans staan te laaien, zullen jullie naar de werelden van het geluk brengen.'

'Rijd zelf in die wagens, koning, en ga naar de wereld van de goden,' zei Ashtaka. 'Wij kunnen wachten. We volgen u later.'

'Nu kunnen we allemaal samen gaan,' zei Yayati. 'We hebben de wereld van de goden allemaal veroverd. Kijk, het stralende pad erheen wordt zichtbaar.'

Toen stapten al die koningen in de wagens en gingen op weg naar de wereld van de goden, en de glans van hun verdienste verlichtte het hele hemelgewelf. Na een tijd vroeg Ashtaka: 'Ik heb altijd gedacht dat Indra in het bijzonder mijn vriend was, en dat ik als eerste van allen in de wereld van de goden zou worden opgenomen. Hoe komt het dat Shibi, de zoon van Ushinara, ons al achter zich heeft gelaten?'

'Deze zoon van Ushinara heeft alles wat hij bezat weggegeven om de wereld van Brahma te bereiken,' zei Yayati. 'Daarom is hij de eerste van ons. Bovendien zijn Shibi's vrijgevigheid, ascese, waarheid, rechtvaardigheid, bescheidenheid, vergevingsgezindheid, vriendelijkheid en zijn verlangen om goed te doen zo groot dat niemand ze kan meten.'

Ashtaka wilde meer weten en vroeg zijn grootvader opnieuw: 'Koning, ik vraag u, zeg me de waarheid: waar komt u vandaan, wie bent u en van wie bent u de zoon? Is er een andere brahmaan of kshatriya die gedaan heeft wat u op aarde deed?'

'Dit is de waarheid: ik ben Yayati, de zoon van Nahusha en de vader van Puru. Ik was heer van de hele aarde. Jullie zijn mijn verwanten, en het is waar: ik ben de grootvader van jullie allemaal, de vader van jullie moeder. Toen ik de hele aarde veroverd had, gaf ik de brahmanen kleren, en honderd mooie paarden die geschikt waren voor het offer; om zulke daden zijn de goden wie ze doet goedgezind. Ik gaf de brahmanen ook deze hele aarde, met haar paarden en olifanten, haar koeien en haar goud, alle soorten rijkdom, en miljarden uitstekende melkkoeien. De aarde en de lucht bestaan door mijn waarheid en mijn rechtvaardigheid; het vuur brandt nog in de wereld van de mensen door mijn waarheid en mijn rechtvaardigheid. Nooit is een woord van mij onwaar geweest. Daarom vereren de wijzen de waarheid. Ashtaka, alles wat ik jou, Pratardana en Vasumat verteld heb, is de waarheid zelf. Ik weet dat de goden en de rishi's, en de werelden die zij bewonen, alleen vereerd worden om de waarheid die hen allemaal kenmerkt. Wie dit verhaal van onze opgang naar de wereld van de goden zonder kwade bedoelingen aan goede brahmanen voordraagt, zal zelf dezelfde werelden bereiken als wij.'

De zonen van zijn dochter hadden koning Yayati gered, en hij steeg op naar de hemel van de goden. Hij liet de aarde achter, en de roem van zijn daden vulde de drie werelden.

Het huis van Puru

'Eerbiedwaardige,' zei Janamejaya, 'ik wil de geschiedenis horen van de koningen die van Puru afstammen, van ieder van hen, met zijn moed en zijn daden. Ik heb gehoord dat er in het geslacht van Puru niet één was die tekortschoot in goed gedrag of in moed, en niet één die zonder zoon bleef. Vertel me over die koningen, tot in bijzonderheden.'

'U hebt het gevraagd,' zei Vaishampayana, 'en ik zal u vertellen over de helden in het geslacht van Puru, die allen in moed aan Indra gelijk waren.'

En Vaishampayana vertelde.

Puru had drie zonen, en van hen zette Pravira het geslacht voort. Van vader op zoon ging de lijn verder, langs koningen die over de aarde tot aan de vier zeeën heersten, die de rajasuya brachten, het offer waarmee een koning zich tot heerser over alle koningen laat wijden, en het paardenoffer. Zo kwam ze bij Ilina, de grootste veroveraar van zijn tijd, en Ilina kreeg vijf zonen, van wie Dushyanta de oudste was en koning werd. Dushyanta kreeg bij Shakuntala een verstandige zoon, Bharata, en Bharata gaf zijn naam aan het geslacht; door hem is de roem ervan zo wijd verbreid.

Bharata kreeg bij zijn drie vrouwen negen zonen. Maar geen van hen leek op zijn vader, en Bharata was helemaal niet tevreden met hen. Daarom werden hun moeders boos en doodden ze hen allemaal. Zo was het verwekken van kinderen voor Bharata vergeefs geweest. Toen bracht de koning een groot offer, en dankzij de rishi Bharadvaja kreeg hij een zoon, Bhumanyu. Nu vond Bharata dat hij een echte zoon had, en hij wijdde Bhumanyu tot kroonprins.

Bhumanyu's oudste zoon Suhotra besteeg de troon. Hij bracht veel rajasuya's en paardenoffers en onderwierp de hele aarde, met haar olifanten, koeien en paarden, haar edelstenen en haar goud. De aarde zuchtte onder het gewicht van ontelbare mensen, olifanten, paarden en wagens, en leek bijna weg te zakken, en onder zijn rechtvaardige heerschappij verrezen overal honderdduizenden offerpalen. Suhotra's oudste zoon, Ajamidha, zette de koninklijke lijn voort. Van twee van diens zonen stammen alle geslachten van de Panchala's af, en van een derde, Jahnu, de Kushika's. Riksha, een andere zoon, werd koning, en Riksha kreeg Samvarana.

Men zegt dat er, toen Samvarana over de aarde heerste, een groot sterven onder het volk was, door hongersnood, pest, droogte en ziekte. De vorsten van de Bharata's werden door vijandelijke troepen verslagen. De Panchala's trokken met hun leger van vier onderdelen uit om de hele aarde te veroveren, en al gauw hadden ze haar onder hun gezag. Met tien akshauhini's, tien volledige legers, versloeg de koning van de Panchala's de vorst van de Bharata's. Toen vluchtte Samvarana in angst met zijn vrouw, zijn ministers, zijn zonen en zijn verwanten, en zocht hij een schuilplaats in het woud aan de oevers van de Sindhu, dat zich uitstrekt tot aan de voet van de bergen. Daar leefden de Bharata's duizend jaar lang in hun burcht.

Na die duizend jaar kwam op een dag de rishi Vasishtha bij de verbannen Bharata's. Ze gingen naar buiten, groetten hem en boden hem de arghya aan, het water voor een geëerde gast. Ze ontvingen hem met eerbied en vertelden hem alles. Toen hij zat, kwam de koning zelf naar hem toe. 'Wees onze huispriester, eerbiedwaardige,' zei hij. 'Dan zullen we proberen ons koninkrijk terug te winnen.'

'Om,' antwoordde Vasishtha: de heilige klank waarmee men instemt.

Vasishtha wijdde de vorst van de Bharata's toen tot heerser over alle kshatriya's op aarde, en door de kracht van zijn mantra's maakte hij deze afstammeling van Puru tot de hoorns van de wilde stier en de slagtanden van de wilde olifant. De koning heroverde de hoofdstad die hem was afgenomen en liet alle vorsten opnieuw schatting betalen. Samvarana heerste weer over de hele aarde, en hij bracht vele offers met een rijk offerloon voor de brahmanen.

Samvarana kreeg bij zijn vrouw Tapati, de dochter van Surya, de zonnegod, een zoon, Kuru. Kuru was zo rechtvaardig dat zijn volk hem op de troon zette. Naar hem is het land van Kurujangala genoemd, dat de hele wereld kent, en door er ascese te beoefenen heeft hij dat veld, Kurukshetra, het veld van Kuru, heilig gemaakt.

Van Kuru ging de lijn verder, langs zonen en kleinzonen die de dharma en de voorspoed kenden en goed waren voor alle schepselen, tot Pratipa, die zijn weerga op aarde niet had. Pratipa kreeg drie zonen: Devapi, Shantanu en Bahlika, een groot wagenstrijder. De oudste, Devapi, koos het leven van een asceet, omdat hij het goed wilde doen voor zijn broers, en het koninkrijk ging naar Shantanu en Bahlika. En verder zijn er in het geslacht van Bharata ontelbare andere koningen geboren, vol kracht, in dharma en ascese gelijk aan de rishi's van de goden.

'Brahmaan,' zei Janamejaya, 'ik heb van u de grote geschiedenis van mijn voorouders gehoord. Maar ik ben niet tevreden, want dit mooie verhaal was zo kort. Vertel het me in bijzonderheden, vanaf het begin. Wie zou er niet van genieten? Ik heb geluisterd naar de geschiedenis van hun vrijgevigheid, hun moed en hun kracht, zoet als amrita, en ik heb er nog niet genoeg van.'

'Luister dan, koning,' zei Vaishampayana, 'terwijl ik u de hele geschiedenis van uw geslacht vertel, zoals ik haar van Dvaipayana heb gehoord.'

En Vaishampayana vertelde opnieuw, en deze keer telde hij de koningen zoals Dvaipayana ze had geteld, en op sommige plaatsen liep de lijn anders.

Van Daksha stamde Aditi af, van Aditi Vivasvat, de zonnegod, van Vivasvat Manu, van Manu Ila, van Ila Pururavas, en zo verder tot Yayati, die twee vrouwen had: Devayani, de dochter van Shukra, en Sharmishtha, de dochter van Vrishaparvan. Van Yadu stammen de Yadava's af, van Puru de Paurava's. Puru's zoon Janamejaya bracht drie paardenoffers, en na hem kwam Prachinvat, die zo heette omdat hij alle oostelijke landen had veroverd, tot aan de grens van de streek waar de zon opkomt. En zo ging het verder, van koning op koning. Een van hen, Ayutanayi, heette zo omdat hij een offer had gebracht waarvoor het vet van tienduizend mannelijke wezens nodig was. Riksha trouwde met Jvala, een dochter van Takshaka, de koning van de slangen, en hun zoon Matinara bracht aan de oever van de Sarasvati het offer van twaalf jaar, dat zo krachtig is. Toen het offer voorbij was, verscheen de rivier Sarasvati zelf voor de koning en koos hem tot man, en hij kreeg bij haar een zoon, Tamsu. Van Tamsu stamde Ilina af, en Ilina's oudste zoon was Dushyanta, die met Shakuntala trouwde, de dochter van Vishvamitra. Hun zoon heette Bharata, omdat de koning voor hem zorgde nadat de bode van de goden had gesproken.

Bharata trouwde met Sunanda, de dochter van de koning van Kashi, en kreeg bij haar Bhumanyu, en de kleinzoon van Bhumanyu was Hasti. Hij stichtte de stad die naar hem Hastinapura heet, de stad van Hasti. Een van zijn afstammelingen, Ajamidha, had vier vrouwen en kreeg bij hen tweeduizendvierhonderd zonen, maar van hen allemaal zette Samvarana het geslacht voort. Samvarana trouwde met Tapati, de dochter van Vivasvat, en zij kregen Kuru. Van Kuru liep de lijn verder tot Pratipa, die met Sunanda trouwde, de dochter van Shibi, en bij haar drie zonen kreeg: Devapi, Shantanu en Bahlika. Devapi ging al als jongen het woud in als asceet, en Shantanu werd koning. Over hem bestaat dit vers: 'De oude mannen die deze koning aanraakte, voelden niet alleen een onbeschrijflijk genot, maar werden ook weer jong. Daarom heette deze koning Shantanu.'

Shantanu trouwde met Ganga, en zij baarde hem een zoon, Devavrata, die later Bhishma heette. Bhishma zorgde ervoor dat zijn vader met Satyavati trouwde. Vyasa, die Satyavati als meisje van Parashara had gekregen, verwekte voor zijn broer Vichitravirya, die kinderloos was gestorven, Dhritarashtra, Pandu en Vidura. Dhritarashtra kreeg honderd zonen. Voor Pandu kregen Kunti en Madri vijf zonen, van Dharma, van Vayu, van Indra en van de Ashvins. Duryodhana haatte de Pandava's, en Dhritarashtra stuurde hen met een list naar Varanavata, maar het vuur waarmee men hen daar wilde verbranden, mislukte door de waarschuwing van Vidura. Daarna kregen ze Draupadi tot vrouw, woonden een tijd in vrede in Hastinapura en kregen kinderen.

Yudhishthira kreeg bij Draupadi Prativindhya, Bhima Sutasoma, Arjuna Shrutakirti, Nakula Shatanika en Sahadeva Shrutakarman. Daarnaast kreeg Yudhishthira bij Devika, die hij op een bruidskeuze had gewonnen, een zoon Yaudheya. Bhima trouwde met Valandhara, de dochter van de koning van Kashi, met zijn eigen kracht als bruidsprijs, en kreeg bij haar Sarvaga. Arjuna ging naar Dvaravati en schaakte Subhadra, de zuster van Krishna, en kreeg bij haar Abhimanyu, die alle deugden bezat en Krishna zelf dierbaar was. Nakula kreeg bij Karenumati, de prinses van Chedi, een zoon Niramitra, en Sahadeva bij Vijaya, de dochter van de koning van Madra, die hij op een bruidskeuze had gewonnen, een zoon Suhotra. En Bhima had al eerder bij Hidimbi een zoon verwekt, Ghatotkacha. Dat zijn de elf zonen van de Pandava's.

Van hen allemaal zette Abhimanyu het geslacht voort. Hij trouwde met Uttara, de dochter van Virata, en zij bracht een dood kind ter wereld, te vroeg geboren, verbrand door het vuur van het wapen van Ashvatthama. Op bevel van Krishna nam Kunti het kind op schoot. 'Ik zal dit kind van zes maanden tot leven wekken,' zei Krishna, en hij gaf het kracht en moed. 'Omdat dit kind geboren is in een geslacht dat uitgestorven was,' zei hij, 'zal het Parikshit heten.'

'En Parikshit trouwde met Madravati, uw moeder, koning,' zei Vaishampayana, 'en uit haar bent u geboren. U hebt bij uw vrouw Vapushtama twee zonen gekregen, Shatanika en Shankukarna, en Shatanika heeft bij de prinses van Videha een zoon gekregen, Ashvamedhadatta. Zo heb ik u de geschiedenis verteld van de afstammelingen van Puru en van de Pandava's. Wie deze heilige geschiedenis met aandacht en eerbied voordraagt of ernaar luistert, brahmaan, kshatriya, vaishya of shudra, bereikt de hemel van de goden. Er bestaat een vers over: "Ze is gelijk aan de Veda's, heilig en voortreffelijk, en ze schenkt rijkdom, roem en een lang leven."'

Boek 1 · Het huis van de Kuru's

  1. Deel I · Het slangenoffer
  2. 1Het woord Jaya
  3. 2De oorringen van de koningin
  4. 3Het halve leven
  5. 4De karning van de oceaan
  6. 5De roof van de amrita
  7. 6De dode slang
  8. 7Het slangenoffer
  9. Deel II · De voorouders
  10. 8Vaishampayana begint
  11. 9Shakuntala
  12. 10Kacha
  13. 11De ouderdom
    1. De ouderdom
    2. Indra's vraag
    3. Vijf gouden wagens
    4. Het huis van Puru
  14. Deel III · Het huis van de Kuru's
  15. 12De gelofte
  16. 13De drie prinsessen
  17. 14Het kind in het water
  18. 15Het hert
  19. 16De lente

Alles in boek 1 · Alle boeken