Hoofdstuk tien
Kacha
De lijn van Manu
Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel II, De voorouders · 35 min. lezen
'Luister nu, koning,' zei Vaishampayana, 'naar de geslachtslijnen van die koninklijke wijzen, zoals ze zijn overgeleverd: van Daksha, de stamvader van de schepselen, van Manu, de zoon van de zon, van Bharata, Kuru, Puru en Ajamidha, en ook van de Yadava's, van de Kuru's en van de koningen uit het huis van Bharata. Die lijnen zijn heilig; ze dienen de dharma, de voorspoed en het verlangen. Wie ze voordraagt, stemt de goden gunstig en krijgt rijkdom, roem en een lang leven. En allen die ik genoemd heb, straalden en waren in kracht gelijk aan de grote rishi's.'
En Vaishampayana vertelde.
Prachetas had tien zonen, die allemaal ascese beoefenden en elke deugd bezaten. Lang geleden hadden ze met het vuur dat uit hun mond kwam de giftige planten en de talloze grote bomen verbrand die de aarde bedekten en de mensen het leven zwaar maakten. Na die tien werd er nog een zoon geboren, Daksha. Uit Daksha zijn alle schepselen voortgekomen; daarom noemt men ook hem een grootvader van de schepselen. Daksha verwekte bij Virini duizend zonen, streng in hun geloften en aan hem gelijk, en de hemelse rishi Narada leerde die duizend zonen de leer van het samkhya, het onderscheiden van geest en stof, als een weg naar bevrijding.
Daarna verwekte Daksha, omdat hij schepselen wilde voortbrengen, vijftig dochters. Hij maakte ze allemaal tot erfdochters, zodat hun zonen ook als zijn zonen golden bij de riten. Tien van zijn dochters gaf hij aan Dharma, dertien aan Kashyapa en zevenentwintig aan Soma, de god van de maan: samen wijzen die zevenentwintig de tijd aan. Kashyapa, de zoon van Marichi, verwekte bij de oudste van zijn dertien vrouwen de Aditya's, de krachtige goden met Indra aan het hoofd, onder wie Vivasvat, de zon.
Vivasvat kreeg een zoon, Yama, en na Yama nog een zoon, Manu, een andere Manu dan de zoon van Brahma. Deze Manu was wijs en toegewijd aan de dharma, en hij werd de stamvader van een geslacht. Alle mensen zijn in het geslacht van Manu geboren, en daarom heten ze manava's, kinderen van Manu: de brahmanen, de kshatriya's en alle anderen. Later werden de brahmanen met de kshatriya's verbonden, en de zonen van Manu die brahmanen waren, wijdden zich aan de studie van de Veda's. Manu kreeg nog tien kinderen, onder wie Ikshvaku en een dochter, Ila, en zij namen allemaal het leven van kshatriya's op zich. Daarnaast had Manu nog vijftig zonen op aarde, maar men zegt dat die elkaar in hun ruzies allemaal te gronde hebben gericht.
Uit Ila werd de geleerde Pururavas geboren. Men zegt dat Ila zijn moeder en zijn vader tegelijk was. Pururavas heerste over dertien eilanden in de zee, en hoewel hij een mens was, had hij altijd bovenmenselijke gezellen om zich heen. Maar de macht steeg Pururavas naar het hoofd. Hij kreeg ruzie met de brahmanen, en zonder zich iets aan te trekken van hun woede roofde hij hun rijkdom. De wijze Sanatkumara zag het en kwam uit de wereld van Brahma om hem goede raad te geven, maar Pururavas wees die af. Toen ontstaken de grote rishi's in woede, en hun vloek vernietigde op slag die hebzuchtige koning, die door zijn macht zijn verstand had verloren.
Het was Pururavas die als eerste de drie soorten offervuur uit de wereld van de gandharva's naar de aarde bracht. Hij bracht er ook de apsara Urvashi vandaan, en bij haar verwekte de zoon van Ila zes zonen, onder wie Ayus. Ayus kreeg bij de dochter van Svarbhanu vier zonen, en de voornaamste van hen was Nahusha.
Nahusha was verstandig en dapper, en hij regeerde zijn koninkrijk rechtvaardig. Hij zorgde gelijkelijk voor de voorouders, de goden, de rishi's, de brahmanen, de gandharva's, de naga's, de rakshasa's, de kshatriya's en de vaishya's, en de roversbenden onderdrukte hij met harde hand. Maar hij liet de rishi's belasting betalen, en hij liet zich door hen op hun rug dragen als door lastdieren. Door zijn schoonheid, zijn ascese, zijn moed en zijn kracht overwon hij zelfs de goden, en hij regeerde alsof hij Indra zelf was.
Hij kreeg zes zonen met een zachte stem, onder wie Yati en Yayati. Yati koos voor de ascese en werd een wijze als Brahma zelf. Yayati werd een machtig en rechtvaardig koning. Hij heerste over de hele aarde, bracht veel offers, vereerde de voorouders met diepe eerbied en eerde altijd de goden. Hij bracht de hele wereld onder zijn gezag en werd door geen vijand verslagen.
De zonen van Yayati waren allemaal grote boogschutters, en ze blonken uit in elke deugd. Hij kreeg ze bij zijn twee vrouwen, Devayani, de dochter van Shukra, en Sharmishtha, de dochter van de asura-koning Vrishaparvan. Devayani baarde Yadu en Turvasu, Sharmishtha baarde Druhyu, Anu en Puru.
Toen Yayati lange tijd rechtvaardig over zijn onderdanen had geregeerd, werd hij getroffen door een afzichtelijke ouderdom, die zijn schoonheid verwoestte. Hij riep zijn zonen, Yadu, Puru, Turvasu, Druhyu en Anu.
'Lieve zonen,' zei hij, 'ik wil weer jong zijn en mijn verlangens stillen met jonge vrouwen. Help me daarbij.'
'Wat hebt u nodig, koning?' vroeg zijn oudste zoon, de zoon van Devayani. 'Wilt u uw jeugd terug?'
'Neem mijn ouderdom van me over, mijn zoon,' zei Yayati. 'Met jouw jeugd wil ik genieten. Door mijn lange offers en door de vloek van Shukra, de leraar van de asura's, is het genot aan mij voorbijgegaan. Met jullie jeugd wil ik genieten. Laat een van jullie mijn ouderdom nemen en met mijn lichaam mijn koninkrijk regeren. Ik wil genieten in een vernieuwd lichaam. Neem mijn ouderdom over, jongens.'
Maar geen van zijn zonen wilde zijn ouderdom aannemen. Toen zei zijn jongste zoon, Puru: 'Koning, geniet nog eens in een vernieuwd lichaam, met uw jeugd terug. Ik neem uw ouderdom, en op uw bevel regeer ik uw koninkrijk.'
Door de kracht van zijn ascese droeg de koninklijke wijze zijn ouderdom over op die grootmoedige zoon, en met de jeugd van Puru werd hij weer jong, terwijl Puru met de jaren van de koning het koninkrijk regeerde.
Er gingen duizend jaar voorbij, en Yayati bleef zo sterk als een tijger. Hij genoot lang van zijn twee vrouwen, en in de tuinen van Chitraratha, een koning van de gandharva's, ook van de apsara Vishvachi. Maar zelfs toen waren zijn verlangens niet gestild. Toen herinnerde hij zich wat de purana's, de oude overleveringen, zeggen:
'Begeerte wordt nooit verzadigd door genot. Ze laait er juist van op, zoals offerboter die in het vuur wordt gegoten. Al genoot iemand van de hele aarde met al haar rijkdom, haar diamanten en haar goud, haar dieren en haar vrouwen, dan nog zou hij niet verzadigd zijn. Pas wanneer een mens in gedachten, daden en woorden geen enkel levend wezen kwaad doet, bereikt hij de zuiverheid van het brahman. Wanneer iemand niets vreest en door niets gevreesd wordt, wanneer hij niets verlangt en niets kwetst, dan bereikt hij de zuiverheid van het brahman.'
De wijze koning zag het in: verlangens raken nooit verzadigd. Hij bracht zijn geest tot rust door meditatie en nam zijn ouderdom van zijn zoon terug. Hij gaf Puru zijn jeugd terug, hoewel zijn eigen verlangens niet gestild waren, en zette hem op de troon.
'Jij bent mijn ware erfgenaam,' zei hij tegen Puru. 'Jij bent mijn ware zoon, door wie mijn geslacht zal voortbestaan. In de wereld zal mijn geslacht naar jou genoemd worden.'
Daarna ging Yayati naar de berg van Bhrigu om zich aan de ascese te wijden. Na lange jaren, toen hij grote verdienste had verworven, bezweek hij voor de onvermijdelijke macht van de Tijd. Hij hield zich aan een gelofte van vasten, liet zijn menselijke lichaam achter en steeg met zijn vrouwen op naar de hemel van de goden.
Kacha
'Brahmaan,' zei Janamejaya, 'vertel me hoe onze voorvader Yayati, de tiende in het geslacht na Daksha, de dochter van Shukra tot vrouw kreeg, een meisje dat voor niemand te krijgen was. Ik wil het in bijzonderheden horen. En vertel me daarna een voor een over de koningen die elk een geslacht hebben gesticht.'
'Yayati was een koning met de glans van Indra,' zei Vaishampayana. 'Ik zal u vertellen hoe zowel Shukra als Vrishaparvan hem met de juiste riten hun dochters gaven, en vooral hoe hij met Devayani samenkwam.'
En Vaishampayana vertelde.
Lang geleden streden de goden en de asura's telkens weer om de heerschappij over de drie werelden en alles wat daarin is. Om de overwinning te behalen namen de goden Brihaspati, de zoon van Angiras, als priester voor hun offers, en hun tegenstanders namen de geleerde Shukra. Die twee brahmanen wedijverden voortdurend met elkaar en schepten tegen elkaar op.
Alle danava's die in de strijd door de goden werden gedood, wekte Shukra weer tot leven door de kracht van zijn kennis, en dan stonden ze op en vochten opnieuw tegen de goden. Ook de asura's doodden op het slagveld veel goden, maar Brihaspati kon hen niet terugbrengen. Hij kende de sanjivani niet, de kunst om doden tot leven te wekken, die Shukra zo goed beheerste.
Uit angst voor Shukra gingen de goden naar Kacha, de oudste zoon van Brihaspati. 'We komen je om een gunst vragen,' zeiden ze. 'Bewijs ons een dienst waar voor ons alles van afhangt. Maak je zo snel als je kunt de kennis eigen die Shukra bezit; zijn kracht is onmetelijk. Je vindt hem aan het hof van Vrishaparvan, de koning van de asura's. Hij beschermt altijd de danava's, maar nooit ons, hun tegenstanders. Jij bent jonger dan hij, en daarom kun je hem met eerbied dienen. Je kunt ook Devayani dienen, zijn lievelingsdochter. Alleen jij kunt hen allebei voor je winnen, niemand anders. Als je Devayani behaagt met je gedrag, je vrijgevigheid, je zachtheid en je hele manier van doen, krijg je die kennis.'
'Goed,' zei de zoon van Brihaspati, en hij ging op weg naar Vrishaparvan. Al gauw kwam hij in de hoofdstad van de koning van de asura's, en daar zag hij Shukra.
'Neem me aan als uw leerling,' zei hij. 'Ik ben de kleinzoon van de rishi Angiras en de zoon van Brihaspati, en ik heet Kacha. Als u mijn leraar wilt zijn, zal ik duizend jaar in onthouding bij u leven als leerling van de Veda. Geef me uw opdrachten, brahmaan.'
'Welkom, Kacha,' zei Shukra. 'Ik neem je voorstel aan. Ik zal je met respect behandelen, want daarmee eer ik Brihaspati.'
Kacha stemde in en legde de gelofte af die hij had genoemd. Vanaf dat moment probeerde hij met eerbied zowel zijn leraar als Devayani voor zich te winnen. Hij was jong, en hij zong, danste en bespeelde allerlei instrumenten voor Devayani, die zelf ook jong was. Hij deed het met overgave, en met bloemen en vruchten en met diensten die hij haar gretig bewees, won hij het meisje. En als ze samen alleen waren, zorgde Devayani met haar liederen en haar lieve manieren voor de jongen die zijn gelofte hield.
Er waren vijfhonderd jaar van Kacha's gelofte voorbij toen de danava's achter zijn bedoeling kwamen. Ze werden woedend, en een brahmaan doden was voor hen geen bezwaar. Op een dag zagen ze Kacha op een eenzame plek in het woud, waar hij de koeien van zijn leraar hoedde. Uit haat tegen Brihaspati, en om te voorkomen dat hij de kennis om doden tot leven te wekken zou meenemen, doodden ze hem en hakten hem in stukken voor de jakhalzen en de wolven.
Toen de schemering viel, kwamen de koeien zonder hun hoeder terug naar de stal. Devayani zag het, en ze zei tegen haar vader: 'Uw avondvuur is ontstoken, vader, en de zon is ondergegaan. De koeien zijn zonder hun hoeder teruggekomen. Kacha is nergens te zien. Het is duidelijk dat hij verdwaald is of dood. Zonder hem wil ik niet leven, vader.'
'Ik wek hem weer tot leven,' zei Shukra, 'door te zeggen: "Laat hem komen."' Hij riep Kacha op met zijn kunst, en Kacha kwam: door de kracht van die kennis scheurde hij zich een weg naar buiten uit de lichamen van de wolven die hem hadden verslonden.
Devayani vroeg hem waarom hij zo lang was weggebleven. 'Ik was dood,' zei hij. 'Ik was op weg naar huis, beladen met offerhout, kusagras en blokken hout. Ik ging onder een banyan zitten, en de koeien, die ik bij elkaar had gedreven, stonden in de schaduw van dezelfde boom. De asura's zagen me en vroegen: "Wie ben jij?" Ze hoorden me antwoorden: "Ik ben de zoon van Brihaspati." Zodra ik dat gezegd had, doodden de danava's me, hakten mijn lichaam in stukken en gaven wat er van me over was aan de jakhalzen en de wolven. Toen gingen ze voldaan naar huis. Maar je vader riep me op, en nu sta ik hier weer levend voor je.'
Een andere keer ging Kacha op verzoek van Devayani het woud in om bloemen te plukken. Terwijl hij rondzwierf, zagen de danava's hem. Opnieuw doodden ze hem, en nu stampten ze hem fijn tot een brij en mengden die met het water van de oceaan. Toen hij lang wegbleef, ging het meisje weer naar haar vader, en opnieuw riep Shukra hem met zijn kunst op. Kacha verscheen voor zijn leraar en zijn dochter en vertelde alles wat er gebeurd was.
Toen doodden de asura's hem voor de derde keer. Ze verbrandden hem tot as, mengden die as met wijn en gaven die de leraar zelf te drinken.
'Vader,' zei Devayani weer, 'Kacha is bloemen gaan plukken, maar hij is nergens te zien. Het is duidelijk dat hij verdwaald is of dood. Zonder hem wil ik niet leven.'
'Mijn dochter,' zei Shukra, 'de zoon van Brihaspati is naar de wereld van de doden gegaan. Ik wek hem tot leven met mijn kunst, en toch wordt hij keer op keer gedood. Wat moet ik doen? Treur niet, Devayani, en huil niet. Iemand als jij hoort niet te treuren om een sterveling. Door mijn macht word jij drie keer per dag, op de voorgeschreven uren, vereerd door de brahmanen, door de goden met Indra, door de Vasu's, door de Ashvins, door de asura's, door de hele wereld. Hem in leven houden kan niet: telkens als ik hem terugroep, doden ze hem weer.'
'Waarom zou ik niet om hem treuren, vader?' zei Devayani. 'Zijn grootvader is de oude Angiras, zijn vader is Brihaspati, een oceaan van ascese. Hij is de kleinzoon van een rishi en de zoon van een rishi. En zelf leefde hij in onthouding en beoefende hij ascese, hij was altijd waakzaam en bedreven in alles. Ik ga vasten tot ik sterf, en dan volg ik de weg die Kacha gegaan is. Ik hou van Kacha, vader. Hij is zo mooi.'
'De asura's willen me kwaad doen,' riep Shukra. 'Ze doden de leerling die bij mij woont. Die woeste asura's willen me afnemen wat mij tot brahmaan maakt, door me deel te laten hebben aan hun misdaad. Zo'n misdaad heeft een vreselijk einde: de moord op een brahmaan zou zelfs Indra verteren.'
Op aandringen van Devayani begon hij Kacha op te roepen, die al in de muil van de dood was gegaan. Kacha hoorde de oproep, maar hij was bang voor wat Shukra zou overkomen, en vanuit de buik van zijn leraar antwoordde hij met zwakke stem: 'Wees me goedgezind, leraar. Ik ben Kacha, die u vereert. Behandel me als uw eigen geliefde zoon.'
'Langs welke weg ben je in mijn buik gekomen, brahmaan, waar je nu zit?' vroeg Shukra. 'Ik verlaat de asura's op dit ogenblik en ik ga over naar de goden.'
'Dankzij u heb ik mijn geheugen niet verloren. Ik herinner me alles precies zoals het gebeurd is. Mijn ascese is niet vernietigd, en daarom kan ik deze bijna ondraaglijke pijn verdragen. De asura's hebben me gedood, verbrand en tot poeder gemaakt, en me met uw wijn aan u gegeven. Maar zolang u er bent, zullen de kunsten van de asura's de kennis van een brahmaan nooit overwinnen.'
'Wat kan ik voor je doen, mijn dochter?' zei Shukra tegen Devayani. 'Alleen met mijn dood kan Kacha zijn leven terugkrijgen. Kacha zit in mij, Devayani. Er is geen andere manier om hem naar buiten te krijgen dan door mijn buik open te scheuren.'
'Beide rampen zullen me als vuur verbranden. De dood van Kacha en uw eigen dood zijn voor mij hetzelfde. Als Kacha sterft, verlies ik mijn leven. En als u sterft, kan ik niet verder leven.'
'Zoon van Brihaspati,' zei Shukra toen, 'je hebt al bereikt wat je wilde, want Devayani houdt zo veel van je. Neem de kennis aan die ik je vandaag zal geven, als je tenminste niet Indra bent in de gedaante van Kacha. Niemand komt levend uit mijn buik. Maar een brahmaan mag niet gedood worden, en daarom: neem de kennis aan die ik je geef. Kom tot leven als mijn zoon. En als je met wat je van mij geleerd hebt uit mijn lichaam komt, door mij tot leven gewekt, doe dan wat een dankbare leerling doet.'
Kacha ontving de kennis. Toen scheurde hij de buik van zijn leraar open en kwam naar buiten, zoals de volle maan 's avonds opkomt. Hij zag wat er van Shukra over was, en met de kunst die hij had geleerd wekte hij hem weer tot leven.
Hij eerde hem en zei: 'Wie de nectar van de kennis in je oren giet, zoals u bij mij gedaan hebt toen ik nog zonder kennis was, die beschouw ik als mijn vader en mijn moeder. Wie zou zo ondankbaar zijn hem kwaad te doen, als hij bedenkt wat hij van hem gekregen heeft? Een leraar moet altijd vereerd worden: hij geeft kennis, en hij is het kostbaarste van alles wat kostbaar is op aarde. Wie kennis verworven heeft en dan zijn leraar kwaad doet, wordt op aarde gehaat en komt ten slotte in de werelden van wie kwaad doen.'
Shukra was bedrogen doordat de wijn hem in zijn macht had. Drank had hem zo van zijn bewustzijn beroofd dat hij zijn eigen leerling had opgedronken zonder het te merken, en daar stond die leerling nu voor hem. Hij besloot de gewoonten van de brahmanen te hervormen. Woedend stond hij op van de grond en zei:
'De ellendige brahmaan die vanaf vandaag voor de verleiding bezwijkt en wijn drinkt, zal gelden als iemand die zijn dharma verloren heeft. Hij zal gelden alsof hij een brahmaan heeft gedood, en hij zal gehaat worden in deze wereld en in de andere. Deze grens stel ik overal aan het gedrag en de waardigheid van de brahmanen. Laat de goeden het horen, laat de brahmanen het horen, en wie hun meerderen eren, en de goden, en de drie werelden!'
Daarna riep hij de danava's bij zich, die door het lot hun verstand kwijt waren. 'Dwaze danava's,' zei hij, 'Kacha heeft gekregen wat hij wilde. Van nu af aan woont hij bij mij. Hij heeft de kostbare kennis verworven om doden tot leven te wekken, en in kracht is die brahmaan nu gelijk aan Brahma.'
Meer zei Shukra niet. De danava's waren verbaasd en gingen naar huis. En Kacha bleef bij zijn leraar tot de duizend jaar vol waren. Toen maakte hij zich met diens toestemming klaar om terug te keren naar de woning van de goden. Zijn gelofte was voorbij, en hij stond op het punt te vertrekken, toen Devayani hem aansprak.
'Kleinzoon van de rishi Angiras,' zei ze, 'in gedrag en afkomst, in kennis, ascese en bescheidenheid straal jij het helderst van allemaal. Zoals mijn vader Angiras eert, zo eer ik jouw vader. Luister naar wat ik zeg. Denk aan hoe ik me tegenover jou gedragen heb zolang je gelofte duurde. Nu is je gelofte voorbij. Schenk mij je liefde. Neem mijn hand aan met de voorgeschreven mantra's.'
'Jij bent voor mij iemand om te eren, net als je vader,' zei Kacha, 'en zelfs nog meer. Je vader houdt meer van jou dan van zijn leven. Je bent de dochter van mijn leraar, en zoals hij altijd mijn eerbied verdient, zo verdien jij die ook. Daarom moet je dit niet zeggen, Devayani.'
'En jij bent de zoon van de zoon van de leraar van mijn vader. Daarom verdien jij ook mijn eerbied. Kacha, denk vandaag aan de liefde die ik je toonde toen de asura's je zo vaak doodden. Denk aan mijn vriendschap en mijn genegenheid, en aan hoe toegewijd ik aan je was. Je mag me niet in de steek laten; ik heb niets verkeerds gedaan. Mijn hart hoort bij jou.'
'Breng me niet op zo'n slechte weg,' zei Kacha. 'Heb begrip voor me. Jij bent voor mij iemand die ik nog meer moet eren dan mijn leraar. De plek waar jij gewoond hebt, het lichaam van Shukra, is ook mijn woning geweest. Je bent mijn zuster. We hebben samen gelukkige dagen gehad, en er is niets dan goeds tussen ons. Ik vraag je toestemming om naar huis te gaan. Wens me een veilige reis. Als je aan me terugdenkt, of als het gesprek op mij komt, denk dan aan mij als iemand die de dharma niet heeft overtreden. Dien mijn leraar altijd bereidwillig en met je hele hart.'
'Als je weigert me tot vrouw te nemen, nu ik je erom vraag,' zei Devayani, 'dan zal die kennis van jou geen vrucht dragen, Kacha.'
'Ik heb je verzoek alleen geweigerd omdat je de dochter van mijn leraar bent, niet omdat je iets verkeerds hebt gedaan. En mijn leraar heeft me hierin ook niets bevolen. Vervloek me als je wilt. Ik heb je gezegd hoe een rishi zich hoort te gedragen. Ik verdien je vloek niet, Devayani, en toch heb je me vervloekt. Je hebt gehandeld uit begeerte en niet omdat de dharma het vroeg. Daarom zal je wens niet in vervulling gaan. Geen zoon van een rishi zal ooit je hand aannemen. Je hebt gezegd dat mijn kennis geen vrucht zal dragen. Goed dan. Maar ze zal vrucht dragen bij degene aan wie ik haar doorgeef.'
Kacha ging op weg naar de woning van Indra, de koning van de goden. De goden zagen hem aankomen, en met Indra voorop eerden ze hem. Toen zeiden ze: 'Je hebt ons een grote dienst bewezen. Wat je gedaan hebt, is wonderbaarlijk. Je roem zal nooit sterven. Je zult met ons delen in de offergaven.'
De put
De goden leerden van Kacha de wonderlijke kunst en vonden dat ze hun doel al bereikt hadden. Ze kwamen bij Indra, de god van de honderd offers. 'De tijd is gekomen om uw kracht te tonen,' zeiden ze. 'Versla uw vijanden.'
'Goed,' zei Indra, en met de goden trok hij op. Onderweg zag hij een groep meisjes die in een meer speelden, in de tuinen van Chitraratha. Ze hadden hun kleren op de oever gelegd. Indra veranderde zich in wind en gooide de kleren door elkaar.
Even later kwamen de meisjes uit het water en liepen naar hun kleren, die door elkaar op een hoop lagen. Sharmishtha, de dochter van Vrishaparvan, pakte de kleren van Devayani, zonder te weten dat ze niet van haar waren. Daarover kregen de twee ruzie.
'Dochter van de asura,' zei Devayani, 'waarom neem je mijn kleren? Jij bent mijn leerling. Je weet niet hoe je je hoort te gedragen, en er zal niets goeds van je komen.'
'Jouw vader zit lager dan de mijne,' zei Sharmishtha, 'en met neergeslagen ogen zingt hij de lof van mijn vader, als een betaalde lofzanger, of mijn vader nu rechtop zit of languit ligt. Jij bent de dochter van iemand die anderen prijst, die om aalmoezen vraagt en ze aanneemt. Ik ben de dochter van iemand die geprezen wordt, die aalmoezen geeft en nooit aanneemt. Bedelares die je bent: sla je maar op je borst, scheld maar, zweer me maar vijandschap, geef je maar over aan je woede. Je huilt tranen van woede, en voor niets, jij die aalmoezen aanneemt. Als ik wil, kan ik je iets aandoen, en jij mij niet. Je zoekt ruzie, maar ik beschouw je niet als mijn gelijke.'
Devayani greep de kleren en begon eraan te trekken. Toen gooide Sharmishtha haar in een put, en boosaardig als ze was ging ze naar huis, in de overtuiging dat Devayani dood was.
Kort nadat Sharmishtha was weggegaan, kwam Yayati, de zoon van Nahusha, op die plek. De koning was op jacht geweest. Zijn twee paarden voor de wagen en het derde paard dat met hem meeliep, waren uitgeput, en hijzelf had dorst. Er was een put in de buurt, maar die stond droog. Toen hij erin keek, zag hij er een meisje in dat gloeide als een laaiend vuur. Hij stelde haar met vriendelijke woorden gerust.
'Wie ben je, mooi meisje, met je nagels die glanzen als gepoetst koper en je oorringen met hemelse edelstenen? Je lijkt erg van streek. Waarom huil je zo? Hoe ben je in deze put gevallen, die vol klimplanten en lang gras staat? Zeg me van wie je de dochter bent.'
'Ik ben de dochter van Shukra,' zei Devayani, 'die de asura's weer tot leven wekt als de goden hen gedood hebben. Hij weet niet wat me is overkomen. Hier is mijn rechterhand, koning, met de nagels die glanzen als koper. U bent van goede afkomst. Ik vraag u: pak mijn hand en trek me omhoog. Ik weet dat u goede manieren hebt, dat u dapper bent en beroemd. Haal me uit deze put.'
Nu Yayati wist dat ze de dochter van een brahmaan was, pakte hij haar bij haar rechterhand en trok haar uit de put. Hij keek steels naar haar slanke dijen, nam vriendelijk en beleefd afscheid en keerde terug naar zijn hoofdstad.
Toen de zoon van Nahusha weg was, kwam Devayani haar dienstmeisje Ghurnika tegen. 'Ghurnika,' zei ze, 'ga naar mijn vader en vertel hem zo snel je kunt alles wat er gebeurd is. Ik ga de stad van Vrishaparvan niet meer in.'
Ghurnika haastte zich naar het paleis van de koning van de asura's. Ze vond Shukra. 'Sharmishtha, de dochter van Vrishaparvan,' zei ze, 'heeft Devayani in het woud slecht behandeld.'
Shukra ging naar buiten en zocht zijn dochter in het woud. Toen hij haar vond, sloeg hij zijn armen om haar heen. 'Mijn dochter, wat mensen overkomt, geluk of leed, komt altijd voort uit hun eigen fouten. Je zult dus wel een fout hebben begaan waarvoor je nu zo boet.'
'Straf of geen straf,' zei Devayani, 'luister goed naar me. Luister naar wat Sharmishtha, de dochter van Vrishaparvan, tegen me gezegd heeft. Ze heeft gezegd dat u niet meer bent dan de betaalde lofzanger van de koning van de asura's. Met rode ogen zei ze het, keer op keer, die trotse Sharmishtha: "Jij bent de dochter van iemand die voor geld de lof van anderen zingt, die om aalmoezen bedelt en ze aanneemt, en ik ben de dochter van iemand die vereerd wordt, die geeft en nooit iets aanneemt." Als ik de dochter ben van een betaalde lofzanger, vader, van iemand die giften aanneemt, dan moet ik haar maar vereren in de hoop op haar gunst. Dat heb ik haar al gezegd.'
'Jij bent niet de dochter van een betaalde lofzanger, Devayani,' zei Shukra, 'niet van iemand die om giften vraagt en ze aanneemt. Jij bent de dochter van iemand die niemand vereert, maar door iedereen vereerd wordt. Vrishaparvan weet het zelf, en Indra, en koning Yayati ook. Het brahman, de allerhoogste werkelijkheid, die niemand kan doorgronden, en de macht die het me geeft: dat is mijn kracht. Ik heb Brahma, de Zelfgeborene, gunstig gestemd, en hij heeft gezegd dat ik voor altijd heer ben over alles wat er op aarde en in de hemel van de goden bestaat. Ik ben het die de regen laat vallen voor het welzijn van de schepselen, en ik voed de gewassen waarvan alle levende wezens leven.'
Zo probeerde hij zijn dochter te kalmeren, en hij zei nog: 'Onthoud dit, Devayani. Wie zich niets aantrekt van de beledigingen van anderen, overwint alles. Een goede wagenmenner, zeggen de wijzen, is hij die de teugels van zijn paarden strak houdt en niet laat vieren. Zo is een man pas een man als hij zijn opkomende woede bedwingt en er niet aan toegeeft. Wie zijn opkomende woede rustig bedwingt, heeft alles overwonnen. Wie door vergevingsgezindheid zijn woede van zich afschudt, zoals een slang zijn oude huid afwerpt, die is een man. Wie zijn woede onderdrukt, wie zich niets aantrekt van beledigingen en niet boos wordt, zelfs niet als daar reden toe is, die bereikt de vier doelen van het leven: dharma, voorspoed, verlangen en bevrijding. Stel iemand die honderd jaar lang elke maand zonder vermoeidheid een offer brengt, naast iemand die nooit ergens boos om wordt: wie geen woede voelt, staat hoger. Jongens en meisjes, die het goede nog niet van het verkeerde kunnen onderscheiden, maken ruzie met elkaar. Wijzen doen hen niet na.'
'Vader, ik weet ook wel wat het verschil is tussen de kracht van woede en die van vergevingsgezindheid. Maar als een leerling zich zonder respect gedraagt, moet de leraar het hem nooit vergeven, als hij het goed met hem meent. Daarom wil ik niet langer wonen in een land waar slecht gedrag wordt beloond. Een wijs mens die het goede zoekt, moet niet wonen tussen slechte mensen die altijd smalen op goed gedrag en hoge afkomst. De beste woonplaats is daar waar goed gedrag en goede afkomst gekend en gerespecteerd worden. De wrede woorden van de dochter van Vrishaparvan branden in mijn hart, zoals droog hout brandt als mensen een vuur aanmaken. Ik kan me in de drie werelden niets ellendigers voorstellen dan dat iemand die niets heeft zijn vijanden moet vereren, die alles hebben. De geleerden zeggen dat voor zo iemand zelfs de dood beter is.'
Toen werd Shukra woedend. Hij ging naar Vrishaparvan, waar die zat, en zei zonder zijn woorden te wegen: 'Koning, kwade daden dragen niet meteen vrucht, zoals de aarde. Maar langzaam en in het geheim roeien ze wie ze begaan uit. De vrucht treft hemzelf, of zijn zoon, of zijn kleinzoon. Kwade daden moeten vrucht dragen; net als zwaar voedsel kun je ze nooit verteren. Jullie hebben de brahmaan Kacha gedood, de kleinzoon van Angiras, die rechtvaardig was, de voorschriften kende en zijn plichten nakwam, terwijl hij in mijn huis woonde. Om die moord, en ook om de mishandeling van mijn dochter, verlaat ik jou en je familie, Vrishaparvan. Hierom kan ik niet langer bij je blijven. Denk je dat ik een razende leugenaar ben, koning van de asura's? Je neemt je vergrijp licht op en probeert het niet goed te maken.'
'Zoon van Bhrigu,' zei Vrishaparvan, 'ik heb u nooit verweten dat u de dharma tekortdeed of loog. De dharma en de waarheid wonen altijd in u. Wees me goedgezind. Als u ons verlaat, zullen we ons in de diepten van de oceaan storten. Iets anders blijft ons niet over.'
'Asura's, of jullie nu in de diepten van de oceaan verdwijnen of alle kanten op vluchten, het kan me weinig schelen. Ik kan het verdriet van mijn dochter niet verdragen. Ze is me altijd dierbaar; mijn leven hangt van haar af. Zorg dat jullie het met haar goedmaken. Zoals Brihaspati altijd het welzijn van Indra zoekt, zo zet ik mijn ascese altijd voor jullie in.'
'U bent heer en meester over alles wat de vorsten van de asura's in deze wereld bezitten,' zei Vrishaparvan, 'over hun olifanten, hun koeien en hun paarden, en zelfs over mij.'
'Als het waar is dat ik heer ben over alle rijkdom van de asura's,' zei Shukra, 'ga dan en maak het goed met Devayani.'
Shukra ging naar Devayani en vertelde haar alles. Maar Devayani zei: 'Vader, als u heer bent over de koning van de asura's zelf en over al zijn rijkdom, laat de koning dan zelf naar me toe komen en het in mijn bijzijn zeggen.'
Vrishaparvan kwam naar Devayani toe. 'Devayani,' zei hij, 'wat je wilt, hoe moeilijk ook, ik ben bereid het je te geven.'
'Ik wil dat Sharmishtha met duizend meisjes mij dient. En ze moet me volgen waarheen mijn vader me ook ten huwelijk geeft.'
Vrishaparvan gaf een dienstmeisje dat bij hem was opdracht: 'Haal Sharmishtha hier, en laat haar doen wat Devayani wil.'
Het dienstmeisje ging naar Sharmishtha. 'Sharmishtha,' zei ze, 'wilt u opstaan en meekomen? Doe wat goed is voor uw verwanten. Op aandringen van Devayani staat de brahmaan op het punt zijn leerlingen, de asura's, te verlaten. U moet doen wat Devayani wil.'
'Ik doe graag wat Devayani wil,' zei Sharmishtha. 'Op aandringen van Devayani roept Shukra me. Shukra en Devayani mogen de asura's niet door mijn toedoen verlaten.'
Op bevel van haar vader kwam Sharmishtha met duizend meisjes in een draagstoel uit het prachtige paleis. Ze ging naar Devayani toe en zei: 'Met mijn duizend meisjes ben ik je dienares. En ik zal je volgen waarheen je vader je ook ten huwelijk geeft.'
'Ik ben de dochter van iemand die de lof van jouw vader zingt, die bedelt en aalmoezen aanneemt,' zei Devayani. 'En jij bent de dochter van iemand die vereerd wordt. Hoe kun jij dan mijn dienares zijn?'
'Je moet alles doen wat je kunt voor het geluk van je verwanten als ze in nood zijn. Daarom zal ik je volgen waarheen je vader je ook ten huwelijk geeft.'
Toen Sharmishtha had beloofd haar dienares te zijn, zei Devayani tegen haar vader: 'Vader, nu ben ik tevreden. Nu ga ik de stad van de asura's weer in. Nu weet ik dat uw kennis en uw macht niet vergeefs zijn.' Shukra ging de stad van de asura's weer binnen, en de danava's vereerden hem.
Het ashokabos
Een tijd later ging Devayani voor haar plezier weer naar het woud, met Sharmishtha en haar duizend meisjes. Op dezelfde plek als toen zwierven ze vrij rond. Devayani liet zich door al haar gezellinnen bedienen en genoot. Ze speelden zorgeloos, dronken de honing uit de bloemen, aten allerlei vruchten en beten er in het wilde weg in.
Juist toen kwam koning Yayati, de zoon van Nahusha, er weer langs, moe en dorstig, op jacht naar herten. Hij zag Devayani en Sharmishtha en al die andere meisjes, getooid met hemelse sieraden en wellustig loom van de bloemenhoning die ze gedronken hadden. Devayani, de mooiste van hen allemaal, lag op haar gemak uitgestrekt, en Sharmishtha zat bij haar en masseerde zachtjes haar voeten.
'Ik zou jullie allebei naar je naam en je afkomst willen vragen,' zei Yayati. 'Het lijkt erop dat deze tweeduizend meisjes jullie tweeën dienen.'
'Luister, koning,' zei Devayani. 'Ik ben de dochter van Shukra, de leraar van de asura's. Dit is mijn dienares, die me volgt waar ik ook ga. Ze heet Sharmishtha en ze is de dochter van Vrishaparvan, de koning van de asura's.'
'Ik ben benieuwd waarom dit meisje, de dochter van de koning van de asura's, jouw dienares is.'
'Alles komt voort uit het lot, koning. Ook dit is het werk van het lot; daar hoeft u zich niet over te verbazen. U ziet eruit en u bent gekleed als een koning, en u spreekt zo zuiver als de Veda. Zeg me hoe u heet, waar u vandaan komt en van wie u de zoon bent.'
'Toen ik als leerling in onthouding leefde, is de hele Veda mijn oren binnengegaan,' zei de koning. 'Ik heet Yayati. Ik ben de zoon van een koning en zelf ook koning.'
'Waarom bent u hierheen gekomen, koning? Om lotussen te plukken, om te vissen of om te jagen?'
'Ik joeg op herten, kreeg dorst en ben hier water komen zoeken. Ik ben erg moe. Ik wacht alleen op jullie toestemming om te gaan.'
'Met mijn tweeduizend meisjes en mijn dienares Sharmishtha wacht ik op úw bevel,' zei Devayani. 'Word mijn vriend en mijn man.'
'Ik verdien je niet, mooi meisje,' zei Yayati. 'Jij bent de dochter van Shukra, die ver boven mij staat. Je vader kan je zelfs niet aan een groot koning geven.'
'Brahmanen zijn vroeger al met kshatriya's verbonden geweest, en kshatriya's met brahmanen. U bent de zoon van een rishi en zelf ook een rishi. Trouw met me, zoon van Nahusha.'
'De vier standen zijn wel uit één lichaam voortgekomen,' zei Yayati, 'maar hun plichten en hun zuiverheid zijn niet gelijk. De brahmaan staat boven allen.'
'Behalve u heeft nog nooit een man deze hand aangeraakt. Daarom neem ik u tot man. Hoe zou een andere man mijn hand kunnen aanraken, nu u haar hebt aangeraakt, u die een rishi bent?'
'Wijzen weten dat je een brahmaan meer moet mijden dan een woedende slang vol gif, of een laaiend vuur waarvan de vlammen zich verspreiden.'
'Meer dan een slang? Meer dan vuur? Waarom?'
'Een slang doodt maar één mens,' zei de koning. 'Het scherpste wapen doodt maar één persoon. Maar een brahmaan die in woede ontsteekt, vernietigt hele steden en koninkrijken. Daarom moet je een brahmaan nog meer mijden dan die twee. Ik kan niet met je trouwen, tenzij je vader je aan mij geeft.'
'Ik heb u gekozen, koning,' zei Devayani, 'en het is afgesproken dat u me aanneemt als mijn vader me aan u geeft. U hoeft niet bang te zijn om mij aan te nemen als ik u gegeven word. U vraagt immers niet om mij.'
Devayani stuurde een dienstmeisje naar haar vader, en het meisje vertelde Shukra alles wat er gebeurd was. Shukra kwam zodra hij het gehoord had. Yayati vereerde de brahmaan en stond met gevouwen handen te wachten op wat hij zou zeggen.
'Vader,' zei Devayani, 'dit is de zoon van Nahusha. Hij pakte mijn hand toen ik in nood was. Ik buig voor u: geef mij aan hem. Ik trouw met niemand anders in de wereld.'
'Mijn lieve dochter heeft jou tot haar man gekozen,' zei Shukra tegen Yayati. 'Ik geef haar aan je. Neem haar tot vrouw, zoon van Nahusha.'
'Ik vraag u één gunst, brahmaan: laat het kwaad van kinderen die de standen vermengen, mij hierdoor niet treffen.'
'Ik ontsla je daarvan,' zei Shukra. 'Vraag de gunst die je wilt. Wees niet bang om met haar te trouwen; ik neem het kwaad van je weg. Zorg rechtvaardig voor je vrouw, voor de slanke Devayani, en wees gelukkig met haar. En Sharmishtha, de dochter van Vrishaparvan, moet je altijd met respect behandelen. Maar je mag haar niet in je bed roepen.'
Yayati liep eerbiedig om de brahmaan heen, met zijn rechterzijde naar hem toe, en voltrok het huwelijk volgens de riten die de leerboeken voorschrijven. Hij ontving van Shukra Devayani, met Sharmishtha en de tweeduizend meisjes. Shukra en de asura's eerden hem, en op bevel van Shukra keerde de koning terug naar zijn hoofdstad.
Yayati bracht zijn bruid Devayani naar de vrouwenvertrekken, en op aanwijzing van Devayani liet hij Sharmishtha wonen in een huis dat speciaal gebouwd was bij het aangelegde bos van ashokabomen in zijn tuinen. Hij gaf haar duizend dienstmeisjes en zorgde goed voor haar eten en haar kleren. Maar met Devayani leefde de zoon van Nahusha vele jaren als een god, in vreugde en geluk. Toen haar tijd kwam, werd Devayani zwanger, en ze bracht als eerste kind een mooie jongen ter wereld, Yadu.
Toen er duizend jaar voorbij waren, was Sharmishtha volwassen geworden. Onrustig zei ze bij zichzelf: 'Mijn vruchtbare tijd is gekomen, maar ik heb nog geen man gekozen. Wat is er gebeurd, wat moet ik doen? Hoe kan ik krijgen wat ik verlang? Devayani is moeder geworden. Mijn jeugd gaat voor niets voorbij. Zal ik de man die Devayani gekozen heeft, ook voor mezelf kiezen? Ja, dat is mijn besluit: die koning moet mij een zoon geven. Zal hij, die de dharma volgt, me niet eens alleen willen spreken?'
Terwijl ze daarover nadacht, kwam de koning, die doelloos rondliep, juist in dat ashokabos. Hij zag Sharmishtha en bleef zwijgend staan. Sharmishtha merkte dat er niemand in de buurt was die hen kon zien. Ze ging met gevouwen handen naar hem toe.
'Zoon van Nahusha,' zei ze, 'niemand mag de vrouwen zien die wonen in de binnenvertrekken van Soma, van Indra, van Vishnu, van Yama, van Varuna, en van u. U weet dat ik mooi ben en van hoge afkomst. Ik smeek u, koning: mijn vruchtbare tijd is gekomen. Zorg dat die niet voor niets voorbijgaat.'
'Ik weet dat je van hoge geboorte bent,' zei Yayati, 'geboren in het trotse geslacht van de danava's. Je bent ook mooi; ik zie niet het kleinste gebrek aan je. Maar toen ik met Devayani trouwde, heeft Shukra me bevolen dat ik de dochter van Vrishaparvan nooit in mijn bed mocht roepen.'
'Men zegt, koning, dat liegen geen kwaad is bij een grap, tegenover vrouwen die men begeert, bij een huwelijk, in direct levensgevaar en als men al zijn bezit dreigt te verliezen. Bij die vijf gelegenheden is liegen te vergeven. Het is niet waar, koning, dat wie de waarheid niet spreekt als het hem gevraagd wordt, daarmee zijn stand verloren heeft. Devayani en ik zijn allebei als gezellinnen hierheen gebracht, voor hetzelfde doel. Toen u zei dat u zich tot één van ons zou beperken, was dat een leugen.'
'Een koning moet voor zijn volk altijd een voorbeeld zijn. Een koning die onwaarheid spreekt, gaat ten onder. Wat mij betreft: ik durf geen onwaarheid te spreken, zelfs niet als het grootste verlies me bedreigt.'
'Een vrouw mag de man van haar vriendin als haar eigen man zien,' zei Sharmishtha. 'Het huwelijk van je vriendin is gelijk aan je eigen huwelijk. Mijn vriendin heeft u tot man gekozen. Daarmee bent u ook mijn man.'
'Het is mijn gelofte altijd te geven wat iemand me vraagt,' zei Yayati. 'Je vraagt het me. Zeg me dan wat ik moet doen.'
'Red me van onrecht, koning. Bescherm mijn dharma. Laat mij door u moeder worden en zo in deze wereld de hoogste dharma volgen. Men zegt dat een vrouw, een slaaf en een zoon nooit rijkdom voor zichzelf kunnen verwerven. Wat zij verwerven, behoort altijd toe aan wie hen bezit. Ik ben de slavin van Devayani. U bent de heer en meester van Devayani. Dan bent u, koning, net zo goed mijn heer en meester als die van Devayani. Ik smeek u: vervul mijn wens.'
De koning liet zich overtuigen. Hij eerde Sharmishtha door haar dharma te beschermen, en ze waren een tijd samen. Daarna namen ze liefdevol afscheid en gingen elk terug naar waar ze vandaan kwamen. Sharmishtha werd zwanger, en toen haar tijd gekomen was, bracht ze een zoon ter wereld, stralend als een kind van de goden.
Devayani hoorde van de geboorte van dat kind en ging naar Sharmishtha toe. 'Wat voor kwaad heb je gedaan door toe te geven aan je begeerte?' vroeg ze.
'Er kwam een rechtvaardige rishi bij me, die de Veda's volledig kende. Hij kon gunsten verlenen, en ik vroeg hem mijn wensen te vervullen, die op de dharma berustten. Ik zou nooit op een verkeerde manier mijn verlangens bevredigen. Dit kind van mij is van die rishi.'
'Als dat zo is, is het goed,' zei Devayani. 'Maar als je de afkomst, de naam en de familie van die brahmaan kent, zou ik die graag horen.'
'In ascese en kracht was die rishi als de zon. Toen ik hem zag, had ik geen behoefte om zulke vragen te stellen.'
'Als het waar is,' zei Devayani, 'als je je kind van een brahmaan als hij hebt, dan heb ik geen reden om boos te zijn.'
Ze praatten en lachten nog wat samen en gingen toen uiteen, en Devayani keerde naar het paleis terug met wat Sharmishtha haar verteld had. Devayani kreeg van Yayati twee zonen, Yadu en Turvasu, die op Indra en Vishnu leken. En Sharmishtha, de dochter van Vrishaparvan, werd door de koning de moeder van in totaal drie zonen: Druhyu, Anu en Puru.
Op een dag ging Devayani met Yayati naar een afgelegen deel van het woud in het uitgestrekte park van de koning. Daar zag ze drie kinderen van een hemelse schoonheid, die zorgeloos en vol vertrouwen speelden.
'Van wie zijn die kinderen, koning?' vroeg ze. 'Ze zijn zo mooi, het zijn net kinderen van de goden. In hun glans en schoonheid lijken ze op u, zou ik denken.'
Zonder op een antwoord van de koning te wachten vroeg ze de kinderen zelf: 'Kinderen, uit welk geslacht komen jullie? Wie is jullie vader? Zeg me de waarheid. Ik wil alles weten.'
De kinderen wezen met hun vinger naar de koning, en ze noemden Sharmishtha hun moeder. Toen liepen ze naar de koning toe om zich aan zijn knieën vast te klampen. Maar de koning durfde ze in het bijzijn van Devayani niet in zijn armen te nemen. De jongens liepen weg en gingen huilend naar hun moeder.
'Hoe durf je me dit aan te doen,' zei Devayani tegen Sharmishtha, 'terwijl je van mij afhankelijk bent? Ben je niet bang om terug te vallen in die gewoonten van de asura's?'
'Alles wat ik je over een rishi verteld heb, is volkomen waar. Ik heb juist gehandeld, volgens de dharma, en daarom ben ik niet bang voor je. Toen jij de koning tot man koos, koos ik hem ook. Volgens het gebruik is de man van je vriendin ook je eigen man. Jij bent de dochter van een brahmaan, en daarom verdien je mijn eerbied en respect. Maar weet je niet dat ik deze koninklijke wijze nog hoger acht?'
'U hebt me onrecht gedaan, koning,' riep Devayani. 'Ik blijf hier niet langer.' Ze stond op om naar haar vader te gaan, de tranen in haar ogen.
De koning liep haar achterna en probeerde haar te sussen, maar Devayani liet zich niet ompraten. Zonder een woord tegen hem te zeggen ging ze naar haar vader Shukra. Ze groette hem en ging voor hem staan, en ook Yayati groette de brahmaan en bewees hem eerbied.
'Vader,' zei Devayani, 'de dharma is door het onrecht overwonnen. De lagen staan nu boven, de hogen onder. Sharmishtha, de dochter van Vrishaparvan, heeft me opnieuw beledigd. Deze koning Yayati heeft bij haar drie zonen verwekt, en ik heb, ongelukkig als ik ben, maar twee zonen gekregen. Hij staat erom bekend dat hij de voorschriften van de dharma kent, zoon van Bhrigu, maar ik zeg u dat hij van de rechte weg is afgeweken.'
'Koning,' zei Shukra, 'je kent de voorschriften van de dharma, en toch heb je het onrecht achternagezeten. Daarom zal een onoverwinnelijke ouderdom je verlammen.'
'Brahmaan,' zei Yayati, 'de dochter van de koning van de danava's vroeg me haar vruchtbare tijd niet onvervuld te laten. Ik deed het omdat de dharma het vroeg, niet om andere redenen. Een man die door een vrouw in haar vruchtbare tijd gevraagd wordt en haar wens niet vervult, noemen de kenners van de Veda een doder van een ongeboren kind. Wie in het geheim gevraagd wordt door een vrouw vol verlangen in haar vruchtbare tijd en niet naar haar toe gaat, verliest zijn dharma en wordt door de geleerden een doder van een ongeboren kind genoemd. Om die redenen, zoon van Bhrigu, en om onrecht te vermijden, ben ik naar Sharmishtha gegaan.'
'Je bent van mij afhankelijk. Je had op mijn bevel moeten wachten. Je hebt de dharma geweld aangedaan, zoon van Nahusha. Wat je gedaan hebt, is diefstal.'
Door die vloek verloor Yayati op slag zijn jeugd, en de ouderdom overviel hem. 'Zoon van Bhrigu,' zei hij, 'ik heb nog niet genoeg van mijn jeugd en van Devayani. Wees mild, brahmaan, en laat de ouderdom me niet raken.'
'Ik spreek nooit onwaarheid,' zei Shukra. 'Ook nu al heeft de ouderdom je te pakken, koning. Maar als je wilt, kun je deze ouderdom op een ander overdragen.'
'Beveel dan, brahmaan, dat die zoon van mij die me zijn jeugd geeft, over mijn koninkrijk zal heersen en dharma en roem zal verwerven.'
'Zoon van Nahusha, als je aan mij denkt, kun je je ouderdom overdragen op wie je maar wilt. De zoon die je zijn jeugd geeft, zal je opvolger op de troon worden. Hij zal ook lang leven, wijd beroemd worden en veel nakomelingen krijgen.'