Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk zestien

De lente

Vijf zonen

Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel III, Het huis van de Kuru's · 19 min. lezen

Gandhari was al een jaar zwanger toen Kunti de eeuwige god van de dharma riep om een kind van hem te krijgen. Zonder te wachten bracht ze de god offers, en ze zei de mantra op die Durvasa haar lang geleden had geleerd. De god kon de kracht van haar mantra's niet weerstaan. Op zijn stralende wagen kwam hij naar de plek waar Kunti zat.

'Kunti,' vroeg hij, 'wat moet ik je geven?'

Kunti glimlachte. 'U moet me een kind geven.'

Toen verenigde Kunti zich met de god van de dharma, in een gedaante die hij door yoga had aangenomen, en ze kreeg van hem een zoon die aan het welzijn van alle schepselen toegewijd was. Ze baarde het kind op het middaguur, in de achtste muhurta, een van de vijftien tijdvakken van de dag, die Abhijit heet, op een bijzonder gunstige dag: de vijfde dag van de wassende maan, in de zevende maand, toen de maan in het maanhuis Jyeshtha stond. Zodra het kind geboren was, zei een stem zonder lichaam uit de lucht:

'Geen mens zal beter zijn dan dit kind, en niemand zal zo trouw de dharma volgen. Het zal vol moed zijn en de waarheid spreken, en het zal heersen over de aarde. Deze eerste zoon van Pandu zal Yudhishthira heten. Moedig en oprecht als hij is, zal hij een koning worden die beroemd is in alle drie de werelden.'

Nu Pandu die rechtvaardige zoon had, zei hij opnieuw tegen zijn vrouw: 'De wijzen zeggen dat een kshatriya lichaamskracht moet hebben, anders is hij geen kshatriya. Vraag daarom om een kind dat uitblinkt in kracht.'

Op bevel van haar man riep Kunti Vayu, de god van de wind. De god kwam naar haar toe, rijdend op een hert.

'Wat moet ik je geven, Kunti? Zeg me wat er in je hart is.'

Verlegen antwoordde ze: 'Geef me een kind met reusachtige kracht en zware ledematen, dat de trots van iedereen kan breken.'

En de god van de wind verwekte bij haar het kind dat later Bhima heette, met zijn sterke armen en zijn geweldige moed. Toen het geboren was, zei de stem zonder lichaam, net als de eerste keer: 'Niemand zal zo sterk zijn als dit kind.'

Na de geboorte van Bhima gebeurde er nog iets wonderlijks. Op een dag schrok Kunti van een tijger en sprong plotseling op, zonder aan het kind te denken dat in haar schoot lag te slapen. Het kind viel uit haar schoot op de berghelling. De rots waarop het viel, brak door de kracht van de val in honderd stukken, en het kleine lichaam bleef volkomen ongedeerd. Pandu stond er verbaasd over. Bhima was op dezelfde dag geboren als Duryodhana, die later over de hele aarde zou heersen.

Daarna begon Pandu opnieuw na te denken. Hoe kon hij een zoon krijgen die boven iedereen uitstak, en wiens roem de hele wereld zou kennen? Alles in de wereld hangt af van het lot en van inspanning, maar het lot slaagt nooit zonder inspanning op de juiste tijd. Hij had gehoord dat Indra de voornaamste van de goden was, onmetelijk in macht, in kracht, in moed en in glans. Als hij Indra met zijn ascese gunstig stemde, zou hij van hem een machtige zoon krijgen. De zoon die Indra hem gaf, moest alle anderen overtreffen en in de strijd alle mensen en alle andere schepselen kunnen overwinnen. Daarom zou hij de zwaarste ascese beoefenen, met zijn hart, met zijn daden en met zijn woorden.

Pandu overlegde met de rishi's. Hij droeg Kunti op een jaar lang een heilzame gelofte te houden. Zelf stond hij van de ochtend tot de avond op één been en beoefende hij nog andere zware vormen van ascese, zijn geest verzonken in beschouwing, om de koning van de goden gunstig te stemmen.

Na lange tijd kwam Indra naar Pandu toe. 'Koning,' zei hij, 'ik zal je een zoon geven die in alle drie de werelden beroemd zal zijn, en die het welzijn van de brahmanen, de koeien en alle goede mensen zal bevorderen. De zoon die ik je geef, zal de slechten neerslaan, en zijn vrienden en verwanten zal hij vreugde brengen. Hij zal boven alle mensen uitsteken en al zijn vijanden onweerstaanbaar doden.'

Pandu prentte die woorden goed in zijn geheugen, en hij zei tegen Kunti: 'Je gelofte heeft vrucht gedragen. De koning van de goden is je goedgezind, en hij wil je een zoon geven zoals je wenst: wijs, mooi, onoverwinnelijk in de strijd en tot bovenmenselijke daden in staat. Roep hem, en breng een kind ter wereld in wie alle deugden van een kshatriya wonen.'

Op bevel van haar man riep Kunti Indra, de koning van de goden, en hij kwam naar haar toe en verwekte het kind dat later Arjuna heette. Zodra dat kind geboren was, klonk er een stem zonder lichaam, luid en diep, die het hele hemelgewelf vulde. De stem richtte zich tot Kunti, en alle schepselen die in de hermitage woonden, hoorden het duidelijk:

'Dit kind van jou, Kunti, zal in kracht gelijk zijn aan Arjuna Kartavirya, de koning van de Haihaya's, en in moed aan Shiva. Onoverwinnelijk als Indra zelf zal hij jouw roem wijd en zijd verbreiden. Zoals Vishnu, de jongste zoon van Aditi, de vreugde van zijn moeder vergrootte, zo zal dit kind jouw vreugde vergroten. Hij zal de Madra's onderwerpen, de Kuru's samen met de Somaka's, en de volken van Chedi, Kashi en Karusha, en hij zal het geluk van de Kuru's bewaren. Door de kracht van zijn armen zal Agni, de god van het vuur, zich verzadigen aan het vet van alle schepselen die in het Khandava-woud wonen. Deze held zal alle koningen van de aarde overwinnen en met zijn broers drie grote offers brengen. In moed, Kunti, zal hij zijn als Rama, de zoon van Jamadagni, of als Vishnu. Geen held zal hem overtreffen, en zijn roem zal wijd reiken. In de strijd zal hij Shiva, de god van de goden, tevredenstellen, en van hem zal hij het wapen krijgen dat Pashupata heet. Deze zoon van jou met zijn sterke armen zal op bevel van Indra ook de daitya's doden die Nivatakavacha's heten, de vijanden van de goden. Hij zal alle hemelse wapens verwerven, en hij zal zijn geslacht zijn oude glans teruggeven.'

Kunti lag in haar kamer en hoorde die woorden. De asceten die op de berg van de honderd toppen woonden, hoorden de stem, en ook de goden, die met Indra in hun wagens zaten, en ze juichten. In het hemelgewelf klonken onzichtbare trommels en vreugdekreten, en over de hele streek viel een regen van bloemen, gestrooid door handen die niemand zag. Alle scharen van goden kwamen bijeen om de zoon van Kunti hulde te brengen. De naga's kwamen, de zonen van Kadru, en de zoon van Vinata, Garuda; de gandharva's kwamen, de prajapati's, de stamvaders van alle geslachten, en de zeven grote rishi's: Bharadvaja, Kashyapa, Gautama, Vishvamitra, Jamadagni, Vasishtha en Atri, die vroeger de wereld verlichtte toen de zon verdwenen was. Ook Marichi, Angiras, Pulastya, Pulaha, Kratu en Daksha, de stamvader van de schepselen, kwamen erbij.

De apsara's, getooid met hemelse kransen en alle sieraden, in fijne kleren, kwamen en dansten, en ze zongen de lof van Arjuna. Menaka was er, en Urvashi, Rambha, Tilottama, Ghritachi en Vishvachi, en nog vele anderen. Rondom spraken de rishi's hun heilwensen uit. Tumburu zong met de gandharva's, en onder hen waren Chitraratha, Vishvavasu en Narada, die ook onder de gandharva's telt, en de stammen van Haha en Huhu met hun wonderlijke stemmen. De twaalf Aditya's kwamen de zoon van Pandu eren, en de elf Rudra's, de Ashvins, de acht Vasu's, de Maruts, de Vishvadeva's en de Sadhya's. Ook de naga's met hun kracht van ascese kwamen, sterk en driftig: Karkotaka, Vasuki, de koning van de naga's, en Takshaka, de koning van de slangen. Maar alleen de rishi's die de volmaaktheid van hun ascese hadden bereikt, en niemand anders, zagen die goden en al die andere wezens, die in hun wagens zaten of op de bergtoppen wachtten. Wat ze zagen, verwonderde de rishi's, en ze kregen de kinderen van Pandu nog liever dan tevoren.

Pandu verlangde naar nog meer kinderen, en hij wilde opnieuw met zijn vrouw spreken. Maar Kunti was hem voor.

'Zelfs in nood keuren de wijzen een vierde verwekking niet goed. Een vrouw die gemeenschap heeft met vier verschillende mannen, noemt men losbandig, en met vijf is ze een hoer. Jij kent de leerboeken hierover. Waarom vraag je me dit dan, verblind door je verlangen naar kinderen, alsof je de voorschriften vergeten bent?'

Toen de zonen van Kunti geboren waren, en ook de honderd zonen van Dhritarashtra, zei Madri, de dochter van de koning van Madra, onder vier ogen tegen Pandu: 'Ik klaag niet, ook al ben je me niet goedgezind. Ik klaag er ook niet over dat ik, al ben ik van hogere geboorte dan Kunti, toch lager sta dan zij. Het doet me geen verdriet dat Gandhari honderd zonen heeft gekregen. Maar dit is mijn grote verdriet: dat Kunti en ik gelijk zijn, en dat ik toch geen kinderen heb, terwijl jij alleen bij Kunti nakomelingen hebt. Als de dochter van Kuntibhoja ervoor zou zorgen dat ik kinderen krijg, zou ze mij een grote gunst bewijzen, en jou ook. Maar ze is mijn mededingster, en ik schaam me haar om een gunst te vragen. Als je me goedgezind bent, koning, vraag het haar dan voor mij.'

'Madri, ik denk hier vaak over na,' antwoordde Pandu, 'maar ik heb geaarzeld je er iets over te zeggen, omdat ik niet wist hoe je het zou opvatten. Nu ik weet wat je wilt, zal ik mijn best doen. Ik denk dat Kunti het niet zal weigeren als ik het haar vraag.'

Toen hij met Kunti alleen was, zei Pandu: 'Kunti, geef me nog meer nakomelingen, om mijn geslacht uit te breiden en voor het welzijn van de wereld. Zorg ervoor dat ikzelf, mijn voorouders en ook de jouwe altijd de pinda geofferd krijgen. Doe wat goed voor me is, en geef mij en de wereld het hoogste goed dat er is. Doe wat misschien moeilijk voor je is, omdat je verlangt naar roem die nooit vergaat. Indra heeft de heerschappij over de goden verworven, en toch brengt hij offers, alleen om de roem. Brahmanen die de Veda's kennen en veel kracht van ascese hebben, benaderen hun leraren toch met eerbied, alleen om de roem. En zo hebben alle koninklijke wijzen en alle brahmanen die rijk zijn aan ascese, de moeilijkste ascetische daden verricht, alleen om de roem. Red daarom Madri, zoals je iemand met een vlot redt, en verwerf onvergankelijke roem door haar de moeder van kinderen te maken.'

Kunti gaf meteen toe. 'Denk zonder te wachten aan een god,' zei ze tegen Madri, 'en je zult van hem een kind krijgen dat op hem lijkt.'

Madri overlegde even bij zichzelf en dacht toen aan de Ashvins, de tweelinggoden, de artsen van de goden. Ze kwamen snel naar haar toe en verwekten bij haar twee zonen, een tweeling, Nakula en Sahadeva, die op aarde hun gelijke in schoonheid niet hadden. Zodra ze geboren waren, zei een stem zonder lichaam: 'In kracht en schoonheid zullen deze twee de Ashvins zelf overtreffen.' Ze waren vol kracht en zo mooi dat de hele streek ervan oplichtte.

Toen alle kinderen geboren waren, spraken de rishi's die op de berg van de honderd toppen woonden hun heilwensen over hen uit. Liefdevol voerden ze de eerste riten na de geboorte uit en gaven de kinderen hun namen: Yudhishthira, Bhimasena en Arjuna, de zonen van Kunti, en Nakula, de eerstgeborene van Madri's tweeling, en Sahadeva. Ze waren telkens een jaar na elkaar geboren. Koning Pandu zag zijn kinderen, met hun hemelse schoonheid, hun overvloedige kracht en hun moed, en hij was gelukkig. De kinderen werden de lievelingen van de rishi's op de berg en van hun vrouwen.

Enige tijd later vroeg Pandu Kunti onder vier ogen opnieuw om Madri's wil. 'Ik heb haar de mantra maar één keer gegeven,' antwoordde Kunti, 'en ze heeft er twee zonen mee gekregen. Heeft ze me zo niet bedrogen? Ik ben bang, koning, dat ze me binnenkort in het aantal kinderen zal overtreffen. Zo doen alle slechte vrouwen. Dwaas die ik was: ik wist niet dat je met de tweelinggoden in één keer een tweeling kon krijgen. Ik smeek je, vraag me dit niet meer. Laat dat de gunst zijn die je mij geeft.'

De vijf zonen die de goden Pandu hadden gegeven, droegen alle gunstige tekenen op hun lichaam. Ze waren trots als leeuwen en bedreven met de boog, en in kracht waren ze de goden zelf gelijk. De rishi's die op die heilige, besneeuwde berg woonden, zagen hen met de jaren groeien, en hun deugden met hen. En de vijf Pandava's en de honderd zonen van Dhritarashtra, die het geslacht van Kuru voortzetten, groeiden snel op, als lotussen in een vijver.

De lente

Pandu zag zijn vijf mooie zonen opgroeien, daar in het woud op de lieflijke berghelling, en hij voelde de kracht in zijn armen terugkeren. Op een dag in de lente, het seizoen dat alle schepselen dol maakt, zwierf hij met zijn vrouw Madri door de wouden, waar de bomen opnieuw in bloei stonden. Overal om zich heen zag hij palasha's en tilaka's, mangobomen en champaka's, ashoka's en kesara's, en zwermen bijen zoemden er dronken omheen. De kokila's, de vogels met de zoetste stem van het woud, zongen onder elke twijg. Er waren bomen die doorbogen onder hun bloemen en hun vruchten, en vijvers vol geurende lotussen. Pandu zag het allemaal, en er kwam een zacht verlangen in hem op.

Licht van hart zwierf hij rond, alleen met Madri, die een bijna doorzichtig kleed droeg. Hij zag de jonge Madri zo gekleed, met haar ogen als lotusbladeren, en het verlangen laaide in hem op als een bosbrand. Hij kon het niet onderdrukken.

Hij greep haar vast, tegen haar wil. Madri beefde van angst en verzette zich zo hard als ze kon. Maar hij vergat zijn ongeluk. Hij vreesde de vloek van de rishi niet meer; het lot dreef hem, en hij nam Madri met geweld, alsof hij zelf een einde aan zijn leven wilde maken. De Tijd, die alles vernietigt, had zijn zinnen bedwelmd en zijn verstand beneveld, en met zijn verstand verloor Pandu zijn leven, terwijl hij met zijn vrouw verenigd was.

Madri hield het roerloze lichaam van haar man in haar armen en begon luid te huilen. Kunti hoorde haar kreten, en met haar zonen en de tweeling van Madri kwam ze naar de plek waar de koning lag. 'Kom alleen hierheen, Kunti,' riep Madri, 'en laat de kinderen daar blijven.'

Kunti liet de kinderen achter en rende erheen. 'Dit is mijn ondergang!' riep ze. Ze zag Pandu en Madri op de grond liggen, en het verdriet was haar te zwaar.

'Madri, ik heb altijd zorgvuldig over deze held gewaakt, die zijn hartstochten zo volkomen in bedwang had. Hoe kon hij de vloek van de rishi vergeten en je met ontstoken verlangen naderen? Jij had deze man moeten beschermen. Waarom heb je hem verleid en meegelokt naar een plek waar jullie alleen waren? Hij was altijd somber als hij aan de vloek van de rishi dacht. Hoe kon hij dan, alleen met jou, vrolijk zijn? Prinses van Madra, jij hebt meer geluk gehad dan ik. Jij bent te benijden, want jij hebt het gezicht van onze man gezien, stralend van vreugde.'

'Oudere zuster,' zei Madri, 'met tranen in mijn ogen heb ik me tegen de koning verzet. Maar hij kon zich niet bedwingen. Het was alsof hij de vloek van de rishi waar wilde maken.'

'Ik ben de oudste van zijn wettige vrouwen,' zei Kunti, 'en de eerste verdienste komt mij toe. Houd me daarom niet tegen bij wat nu moet gebeuren. Ik moet onze man volgen naar het rijk van de doden. Sta op, Madri, en geef me zijn lichaam. Voed jij deze kinderen op.'

'Ik houd onze man nog in mijn armen,' zei Madri, 'en ik heb hem niet laten gaan. Daarom zal ik hem volgen. Mijn verlangen is niet gestild. U bent mijn oudere zuster; geef me uw toestemming. Deze prins van de Bharata's kwam naar me toe omdat hij gemeenschap met me wilde. Zijn verlangen is niet gestild: zou ik hem dan niet volgen naar het rijk van Yama, de koning van de doden, om het te stillen? Als ik u overleef, zal ik uw kinderen nooit kunnen opvoeden alsof ze de mijne waren. Zou dat me dan niet als kwaad worden aangerekend? Maar u, Kunti, u zult mijn zonen kunnen opvoeden alsof ze van u waren. De koning is naar de wereld van de preta's gegaan omdat hij mij begeerde; daarom moet mijn lichaam met het zijne verbranden. Weiger me uw toestemming niet, zuster, voor wat ik wil. U zult de kinderen met zorg opvoeden, en dat is wat ik het liefst wil. Meer heb ik niet te zeggen.'

En Madri besteeg de brandstapel van haar man.

De rishi's zagen de dood van Pandu, en ze overlegden met elkaar. 'De rechtvaardige koning Pandu heeft heerschappij en koninkrijk opgegeven,' zeiden ze. 'Hij is hierheen gekomen om ascese te beoefenen, en hij heeft zich toevertrouwd aan de asceten die op deze berg wonen. Nu is hij opgenomen in de hemel van de goden, en zijn vrouw en zijn kleine zonen heeft hij aan onze zorg overgelaten. Het is onze plicht met zijn kinderen en zijn vrouw naar zijn koninkrijk te gaan.'

Ze riepen elkaar bijeen en besloten naar Hastinapura te gaan, met de kinderen van Pandu voorop, om hen in de handen van Bhishma en Dhritarashtra te leggen. Op hetzelfde ogenblik vertrokken ze, met de kinderen, met Kunti en met wat het vuur van Pandu en Madri had overgelaten. Kunti had haar hele leven geen zware inspanning gekend, maar uit liefde vond ze de lange reis kort. Al gauw kwamen ze in Kurujangala, het land van de Kuru's, en Kunti meldde zich bij de hoofdpoort. De asceten vroegen de poortwachters de koning te laten weten dat ze gekomen waren, en de boodschap ging meteen naar het hof.

Toen de burgers van Hastinapura hoorden dat er duizenden charana's en muni's waren gekomen, verbaasden ze zich. Kort na zonsopgang stroomden ze met hun vrouwen en kinderen naar buiten om die asceten te zien. In allerlei wagens en rijtuigen kwamen kshatriya's en brahmanen bij duizenden met hun vrouwen de stad uit, en de menigte van vaishya's en shudra's was even groot. Het was een enorme menigte, en toch was het stil, want iedereen was vol eerbied. Ook Bhishma, de zoon van Shantanu, kwam naar buiten, en Bahlika, de broer van Shantanu, met zijn zoon Somadatta, en Dhritarashtra, de koninklijke wijze die niet met zijn ogen zag maar met zijn verstand, en Vidura, en de eerbiedwaardige Satyavati, en Ambalika, de moeder van Pandu, en Gandhari met de andere vrouwen van het koninklijk huis. Ook de honderd zonen van Dhritarashtra kwamen naar buiten, getooid met allerlei sieraden.

De Kaurava's bogen met hun huispriester het hoofd voor de rishi's en gingen voor hen zitten. Ook de burgers bogen, raakten met hun hoofd de grond en gingen zitten. Bhishma zag dat die hele menigte volkomen stil was. Koning, hij eerde de asceten met water om hun voeten te wassen en met de arghya, en daarna had hij het met hen over het koningschap en het rijk. Toen stond de oudste van de asceten op, met zijn haar samengekoekt tot strengen en een dierenhuid om zijn lendenen, en met instemming van de andere rishi's zei hij:

'Jullie weten allemaal dat koning Pandu, die de heerschappij over de Kuru's had, de genoegens van de wereld heeft opgegeven en van hier is vertrokken om op de berg van de honderd toppen te gaan wonen. Hij leefde in onthouding. Maar om een reden die de goden kennen en die niemand kan doorgronden, werden daar deze zonen van hem geboren: Yudhishthira, de oudste, door Dharma zelf verwekt; Bhima, de zoon van Vayu, sterker dan wie ook; Arjuna, door Indra bij Kunti verwekt, wiens daden alle boogschutters van de wereld zullen vernederen; en deze tweeling, al vaardig met de boog, die de Ashvins bij Madri verwekten. Door naar de dharma als woudbewoner te leven heeft Pandu het bijna uitgestorven geslacht van zijn grootvader weer tot leven gebracht. De geboorte en de groei van deze kinderen van Pandu, en hun studie van de Veda, zullen jullie veel vreugde geven. Pandu bleef het pad van de goeden en de wijzen trouw. Hij liet deze kinderen achter, en zeventien dagen geleden is hij van hier heengegaan. Zijn vrouw Madri zag hoe hij op de brandstapel werd gelegd en zou verbranden, en ze besteeg zelf dezelfde brandstapel. Ze heeft haar leven gegeven en is met haar man naar de wereld gegaan die voor trouwe vrouwen bestemd is. Verricht nu de riten die hun welzijn dienen. Dit is wat het vuur van hen heeft overgelaten. En hier zijn hun kinderen, met hun moeder. Ontvang hen met de eer die hun toekomt. En laat, als de eerste dodenriten voorbij zijn, voor de rechtvaardige Pandu, die de waardigheid van de Kuru's altijd heeft hooggehouden, de eerste jaarlijkse shraddha brengen, het offer aan de voorouders, zodat hij plechtig in hun kring wordt opgenomen.'

Daarop verdwenen de rishi's en de siddha's die met hen waren gekomen voor de ogen van het volk, zoals nevel in de lucht opkomt en weer vervliegt. Vol verbazing keerden de burgers naar huis terug.

'Vidura,' zei Dhritarashtra, 'verzorg de dodenriten voor Pandu en ook voor Madri, op koninklijke wijze. Deel voor hun welzijn in de andere wereld vee, kleren, edelstenen en allerlei rijkdom uit, en laat ieder krijgen zoveel als hij vraagt. Zorg ervoor dat Kunti de dodenriten voor Madri kan verrichten zoals zij dat wil. En laat wat er van Madri over is zo zorgvuldig inwikkelen dat Surya noch Vayu het kan zien. Treur niet om Pandu, want hem kleefde geen smet aan. Hij was een waardige koning, en hij heeft vijf heldhaftige zonen nagelaten die voor de goden niet onderdoen.'

'Goed,' zei Vidura. Samen met Bhishma koos hij een heilige plek voor de dodenriten van Pandu. De huispriesters van het geslacht gingen meteen de stad uit met het laaiende offervuur, dat geurde van de ghee die het voedde. Vrienden, verwanten en volgelingen wikkelden wat het vuur van de koning en zijn koningin had overgelaten in doeken, tooiden het met de bloemen van het seizoen en besprenkelden het met kostbare geuren. Ook de lijkbaar behingen ze met kransen en rijke doeken. Ze legden het, bedekt en getooid, op de baar en lieten die door mannen op de schouders dragen. Boven de baar werd de witte parasol van het koningschap gehouden, er werd gewuifd met waaiers van jakstaarten, en er klonk muziek van allerlei instrumenten. Honderden mensen deelden edelstenen uit onder de menigte. De priesters, in het wit gekleed, liepen voorop en goten offerboter op het heilige vuur, dat in een versierde schaal brandde. Brahmanen, kshatriya's, vaishya's en shudra's volgden de dode koning bij duizenden en jammerden: 'Prins, waar ga je heen? Je laat ons achter, verlaten en ellendig, voor altijd!' En Bhishma en Vidura en de Pandava's huilden luid.

Ten slotte kwamen ze bij een lieflijk bos aan de oever van de Ganga, en daar zetten ze de baar neer, met wat het vuur had overgelaten van de oprechte prins en zijn vrouw. Ze brachten water in gouden vaten en wasten wat er van de prins over was, dat al met geurige zalven was ingesmeerd; daarna smeerden ze het opnieuw in met sandelpasta en wikkelden het in witte stof uit hun eigen land.

Toen ook de andere dodenriten volbracht waren, zoals de priesters het voorschreven, brachten de Kaurava's lotussen, sandelpasta en andere geurige dingen naar de brandstapel, en ze staken wat het vuur van de koning en de koningin had overgelaten opnieuw in brand. Ambalika zag de vlammen. 'Mijn zoon, mijn zoon!' riep ze, en ze viel bewusteloos op de grond. Toen de burgers en de mensen van het platteland haar zagen vallen, begonnen ook zij te klagen, uit verdriet en uit liefde voor hun koning. Zelfs de vogels in de lucht en de dieren in het veld werden geroerd door de klachten van Kunti. Bhishma, de wijze Vidura en alle anderen die erbij stonden, waren ontroostbaar.

Huilend brachten Bhishma, Vidura, Dhritarashtra, de Pandava's en de vrouwen van de Kuru's de koning de waterplenging voor de doden. Toen alles voorbij was, begonnen de mensen, zelf vol verdriet, de zonen van Pandu te troosten. De Pandava's en hun vrienden gingen op de grond slapen. De brahmanen en de andere burgers zagen het, en ook zij gaven hun bedden op. Jong en oud treurde om de zonen van koning Pandu, en twaalf dagen lang rouwde de hele stad met de huilende Pandava's.

Bhishma en Kunti brachten met hun vrienden de shraddha voor de gestorven koning, en ze boden hem de pinda aan, de rijstballen die men de voorouders offert. Ze gaven een maal voor de Kuru's en voor duizenden brahmanen, en aan de brahmanen schonken ze edelstenen en land. Pas toen de zonen van Pandu gereinigd waren van de onreinheid die de dood van hun vader over hen had gebracht, keerden de burgers met hen terug naar Hastinapura. Daar huilde iedereen opnieuw om de koning, alsof ze allemaal een eigen verwant hadden verloren.

Vyasa, de zoon van Satyavati, zag hoe het hele volk in rouw was. Op een dag zei hij tegen zijn moeder: 'Moeder, de dagen van geluk zijn voorbij, en er komen dagen van onheil. Het kwaad neemt elke dag toe. De wereld is oud geworden. Door onrecht en onderdrukking zal de heerschappij van de Kuru's geen stand houden. Ga daarom het woud in en wijd je aan de yoga, aan de diepe overpeinzing. Voortaan zal de wereld vol bedrog en slechtheid zijn, en riten en plichten raken in verval. Blijf hier niet om op je oude dag de ondergang van je geslacht aan te zien.'

Satyavati deed wat Vyasa zei. Ze ging naar de vrouwenvertrekken en zei tegen haar schoondochter Ambika, de moeder van Dhritarashtra: 'Ambika, ik hoor dat dit geslacht van Bharata met al zijn onderdanen ten onder zal gaan door wat je kleinzonen doen. Als je het goedvindt, ga ik met Ambalika het woud in. Ze heeft zoveel verdriet om haar zoon Pandu.' Daarna, koning, vroeg Satyavati ook Bhishma om toestemming, en ze vertrok met haar twee schoondochters naar het woud. Daar verzonk ze in diepe overpeinzing, en toen haar tijd gekomen was, verliet ze haar lichaam en ging op naar de hemel van de goden.

Boek 1 · Het huis van de Kuru's

  1. Deel I · Het slangenoffer
  2. 1Het woord Jaya
  3. 2De oorringen van de koningin
  4. 3Het halve leven
  5. 4De karning van de oceaan
  6. 5De roof van de amrita
  7. 6De dode slang
  8. 7Het slangenoffer
  9. Deel II · De voorouders
  10. 8Vaishampayana begint
  11. 9Shakuntala
  12. 10Kacha
  13. 11De ouderdom
  14. Deel III · Het huis van de Kuru's
  15. 12De gelofte
  16. 13De drie prinsessen
  17. 14Het kind in het water
  18. 15Het hert
  19. 16De lente
    1. Vijf zonen
    2. De lente

Alles in boek 1 · Alle boeken