Boek 1 · Hoofdstuk veertien, Het kind in het water
De blinddoek
Bhishma kende als geen ander de plichten van een staatsman en de voorschriften van de dharma. Op een dag nam hij Vidura apart. 'Ons geslacht, dat schittert door elke deugd en elke bekwaamheid, heeft altijd over alle andere koningen op aarde geheerst,' zei hij. 'Vele rechtvaardige koningen uit vroeger tijd hebben zijn glorie bewaard en het voortgezet. Krishna Dvaipayana, Satyavati en ik hebben jullie drieën grootgebracht, zodat het niet zou uitsterven. Jij en ik moeten er nu voor zorgen dat ons geslacht weer groeit als de zee. Ik heb gehoord dat er drie meisjes zijn die het waard zijn met ons geslacht verbonden te worden. De ene is de dochter van Shura, uit het geslacht van de Yadava's; de andere is de dochter van Subala; en de derde is de prinses van Madra. Mijn zoon, die meisjes zijn allemaal van goede afkomst en mooi, en ze passen uitstekend bij ons. Ik denk dat we hen moeten kiezen, voor de groei van ons geslacht. Zeg me wat jij ervan denkt.'
Lees het hele verhaal in hoofdstuk veertien, Het kind in het water
In hetzelfde hoofdstuk
Gandhari's blinddoek; Kunti en het kind in het water; de krans en de gekochte bruid; de honderd potten.