Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Boek 1 · Hoofdstuk veertien

Het kind in het water

Verteld door Vaishampayana, aan koning Janamejaya, tijdens het slangenoffer. Ongeveer 4 minuten lezen.

Bij de Yadava's was een hoofdman die Shura heette. Hij was de vader van Vasudeva en de grootvader van Krishna, en hij had een dochter, Pritha, die op aarde haar gelijke in schoonheid niet had. Shura hield altijd woord. Lang tevoren had hij, met het vuur als getuige, zijn eerstgeboren kind beloofd aan Kuntibhoja, de zoon van zijn vaders zuster en zijn vriend, die zelf geen kinderen had. Uit vriendschap, en omdat hij op Kuntibhoja's gunst rekende, gaf hij hem Pritha. Kuntibhoja nam haar aan als zijn dochter, en naar hem heette ze voortaan Kunti.

In het huis van haar pleegvader kreeg Kunti de zorg voor de gasten, voor de brahmanen en voor ieder ander die aanklopte. Op een dag moest ze Durvasa bedienen, een brahmaan met strenge geloften, die gevreesd werd om zijn drift en die de verborgen waarheden van de dharma kende. Kunti verzorgde hem met alle aandacht die ze had, en ze bleef daarbij volkomen meester over zichzelf. Met het innerlijk oog dat zijn ascese hem gaf, zag Durvasa dat haar een tijd van nood wachtte, en hij leerde haar een mantra.

Lees het hele verhaal in hoofdstuk veertien, Het kind in het water

In hetzelfde hoofdstuk

Gandhari's blinddoek; Kunti en het kind in het water; de krans en de gekochte bruid; de honderd potten.