Boek 1 · Hoofdstuk zes, De dode slang
De raad van de slangen
Vasuki, de koning van de naga's, had de vloek van zijn moeder gehoord en zon op een middel om hem te verijdelen. Hij riep zijn broers bijeen, de naga-koning Airavata en alle anderen, om te overleggen wat hun te doen stond.
'Jullie weten wat die vloek met ons voorheeft,' zei Vasuki. 'We moeten proberen hem onschadelijk te maken. Voor elke vloek bestaat er een middel, maar niets helpt wie door zijn eigen moeder is vervloekt. Ik beef als ik bedenk dat ze die vloek uitsprak waar Brahma bij was, de Grootvader, de onvergankelijke, oneindige en ware. Onze ondergang is gekomen, dat staat vast. Waarom had de Grootvader onze moeder anders niet tegengehouden? Laten we dus vandaag nog overleggen hoe we de slangen kunnen redden. We mogen geen tijd verliezen. Jullie zijn allemaal wijs en verstandig. Samen vinden we een uitweg, zoals de goden vroeger met elkaar overlegden om Agni terug te vinden, toen hij zich in een grot had verborgen. Dan wordt het offer nooit gebracht waarmee Janamejaya de slangen zou vernietigen, en gaan wij niet ten onder.'
Lees het hele verhaal in hoofdstuk zes, De dode slang
In hetzelfde hoofdstuk
De raad van de slangen; Parikshit en de dode slang; de kroning van het kind.