Boek 1 · Hoofdstuk vijf, De roof van de amrita
Shesha draagt de aarde
'Zoon van de suta,' zei Shaunaka, 'je hebt ons verteld waarom de slangen door hun moeder werden vervloekt, en waarom Vinata door haar zoon werd vervloekt. Je hebt ons verteld over de gunsten die hun man aan Kadru en Vinata gaf, en je hebt ons de namen van Vinata's zonen genoemd. Maar de namen van de slangen heb je ons nog niet gegeven. We willen graag de namen van de voornaamsten horen.'
'Ik noem ze niet allemaal, anders wordt het te lang,' zei Sauti. 'Maar de voornaamsten zal ik u noemen. Shesha werd als eerste geboren, daarna Vasuki, en daarna de naga Airavata, Takshaka, Karkotaka, Kaliyaka, Padma en Mahapadma, en nog tientallen anderen. Hun zonen en kleinzonen zijn niet te tellen: er zijn in deze wereld duizenden en miljoenen slangen.'
Lees het hele verhaal in hoofdstuk vijf, De roof van de amrita
In hetzelfde hoofdstuk
Garuda: slavendienst, olifant en schildpad, de duimgrote rishi's, de amrita; Shesha draagt de aarde.