Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Boek 2 · vooraf

Voor je begint

Boek 2 · De leerjaren

Dit is het tweede boek van een hervertelling van de Mahabharata, het grote epos van India, in hedendaags Nederlands. Het heet De leerjaren. De vijf zonen van Pandu en hun honderd neven krijgen les in de wapens, en de jongens die samen in het water speelden, worden rivalen. Daarna gaat het snel: een aanslag, een brand, een vlucht door het woud, een bruid die uit het vuur is geboren, een stad die uit de wildernis verrijst, en aan het slot een woud dat vijftien dagen brandt.

Wat voorafging

In boek 1 bleef het huis van de Kuru's bijna zonder erfgenamen, en de dichter Vyasa verwekte er drie zonen voor: de blinde Dhritarashtra, Pandu en de wijze Vidura. Dhritarashtra kreeg bij Gandhari honderd zonen, met Duryodhana als oudste. Pandu kon door een vloek zelf geen kinderen verwekken, en zijn vrouwen Kunti en Madri kregen vijf zonen van goden: Yudhishthira van Dharma, Bhima van Vayu, Arjuna van Indra, en de tweeling Nakula en Sahadeva van de Ashvins. Kunti had als meisje al een zoon gekregen van Surya, de zonnegod: Karna, die ze aan het water overliet en die opgroeide bij een wagenmenner en zijn vrouw Radha. Pandu stierf in het woud, en Kunti kwam met de vijf jongens naar Hastinapura, de stad van de Kuru's, waar bijna niemand weet wie Karna is.

Wie vertelt aan wie

Het verhaal wordt verteld door Vaishampayana, een leerling van Vyasa, aan koning Janamejaya, bij het grote slangenoffer van die koning. In boek 1 hoorde je waarom dat offer werd gehouden: Takshaka, de koning van de slangen, had Janamejaya's vader Parikshit gedood. Daarom begint dit boek met de regel "En Vaishampayana vertelde koning Janamejaya verder."

Janamejaya luistert naar zijn eigen familie. Arjuna is zijn overgrootvader:

Arjunazijn zoon Abhimanyudiens zoon Parikshitdiens zoon Janamejaya
de derde van de vijf broerswordt in dit boek geborenwerd door Takshaka gedoodluistert naar dit verhaal

Als Arjuna in dit boek een bruid wint, hoort de koning hoe het met zijn overgrootvader ging. Als Abhimanyu geboren wordt, hoort hij van de geboorte van zijn grootvader. En in het laatste hoofdstuk komt Takshaka weer ter sprake. Staat er midden in het verhaal ineens "koning", dan is dat Vaishampayana die zich tot Janamejaya wendt.

Vaishampayana is niet de enige die vertelt. In het verhaal nemen anderen het woord, en zij vertellen hun eigen verhalen:

Wie verteltAan wieWaarover
een brahmaan op doorreisde vijf broers en Kunti, in Ekachakrade geboorte van Draupadi (hoofdstuk 5)
een koning van de gandharva's, de hemelse muzikantenArjuna en zijn broers, 's nachts aan de GangaTapati, Vasishtha en Vishvamitra en nog meer (hoofdstuk 5 en 6)
Vyasakoning Drupada, in een afgesloten kamerwaarom Draupadi vijf mannen krijgt (hoofdstuk 8)
Narada, een rishi van de godende vijf broers, in Indraprasthatwee broers die elkaar doodden om één vrouw (hoofdstuk 10)

Soms vertelt iemand in zo'n verhaal weer een verhaal: bij de gandharva vertelt de rishi Vasishtha zijn kleinzoon hoe het vuur in de oceaan terechtkwam. Aan de aanhalingstekens zie je wie er spreekt. Een korte regel als "En de gandharva vertelde." laat zien dat er een nieuw verhaal begint, en een zin met "zei de gandharva" dat het weer ophoudt.

Waarom de gandharva zulke lange verhalen vertelt

In hoofdstuk 5 trekken de broers 's nachts naar de Ganga, met Arjuna voorop met een fakkel. Daar baadt een koning van de gandharva's met zijn vrouwen, en hij wil hen tegenhouden. Arjuna verslaat hem, en op bevel van Yudhishthira laat hij hem leven. Ze worden vrienden. Dan legt de gandharva uit waarom hij de broers had berispt: ze reizen zonder een brahmaan voorop. Een koning heeft een huispriester nodig, een brahmaan die de riten voor hem verricht en hem raad geeft, en de broers hebben er geen.

De verhalen die volgen, zijn daar het antwoord op. De gandharva noemt Arjuna "Tapatya", en om uit te leggen waarom, vertelt hij van Tapati, de dochter van de zonnegod, en koning Samvarana, een voorvader van de broers. Samvarana had een huispriester, de rishi Vasishtha, en dus vertelt de gandharva over Vasishtha: over zijn strijd met koning Vishvamitra, over de koning die een menseneter werd, en over de kleinzoon die de wereld wilde vernietigen. Het zijn verhalen over koningen en brahmanen die elkaar vinden of juist botsen. Aan het eind weet de gandharva wie de broers moeten nemen: Dhaumya. Met hem gaan ze naar de bruidskeuze van Draupadi. Daarom heet hoofdstuk 6 De huispriester.

Drie delen

Deel I, De rivalen (hoofdstuk 1 tot en met 4). De prinsen krijgen les van Kripa en daarna van Drona, en Arjuna wordt de beste van allemaal. Op een toernooi in Hastinapura stapt Karna de arena in. Drona vraagt zijn leerlingen om het geschenk dat een leraar toekomt, en dat geschenk is een koning. Aan het eind van dit deel geldt de wereld de vijf broers en hun moeder als dood, en trekken ze vermomd door het land.

Deel II, Draupadi (hoofdstuk 5 tot en met 8). Een koning krijgt uit zijn offervuur een zoon en een dochter. De broers horen onderweg de verhalen van de gandharva, en in het land van de Panchala's schiet Arjuna op het doel dat de hand van Draupadi waard is. Thuis zegt Kunti: "Deel het samen." Dit deel draagt Draupadi's naam, al zegt ze zelf maar een paar zinnen.

Deel III, Indraprastha (hoofdstuk 9 tot en met 13). De broers krijgen de helft van het rijk, een woeste streek, en bouwen er een stad. Om nooit ruzie te krijgen om Draupadi stellen ze een regel in. Arjuna breekt die regel om een brahmaan te helpen en trekt twaalf jaar het land door. Onderweg ontmoet hij drie vrouwen: Ulupi, Chitrangada en Subhadra. Aan het slot krijgt hij zijn boog Gandiva, en samen met Krishna helpt hij de god van het vuur een heel woud te verteren.

Voorin staan twee kaarten. Op "Het land van de leerjaren" vind je Hastinapura, Varanavata, Ekachakra, het land van de Panchala's en Indraprastha. "De tocht van Arjuna" volgt zijn reis van twaalf jaar.

Het boek van het begin

De Mahabharata bestaat uit achttien parva's. De eerste heet het boek van het begin. Boek 1 vertelde er ruim de eerste helft van, en dit boek vertelt de rest. Daarom staat onder de laatste bladzijde: "Hier eindigt het boek van het begin." Die regel staat zo in de Mahabharata zelf. Boek 3 begint met de tweede parva, het boek van de vergaderzaal.

Namen die op elkaar lijken

  • Krishna en Krishnaa. Krishna, de zoon van Kunti's broer Vasudeva, is een neef van de vijf broers en de leider van de Yadava's. In dit boek treedt hij voor het eerst op. Krishnaa, met twee a's, is een andere naam van Draupadi: "de donkere", naar haar donkere huid. Ook Krishna betekent donker, en in boek 1 heette ook Vyasa Krishna Dvaipayana. Het zijn drie verschillende mensen.
  • Pritha en Kunti zijn dezelfde vrouw. Pritha is haar eerste naam. Als kind werd ze aan koning Kuntibhoja gegeven, en naar hem heet ze Kunti. Haar zonen heten daarom ook "de zonen van Pritha".
  • Twee Drona's. Drona, de leraar van de prinsen, heet naar de kruik waarin hij geboren werd. In het laatste hoofdstuk heet ook een jong vogeltje Drona, de jongste zoon van de rishi Mandapala.
  • Drie Chitrangada's. Chitrangada van Manipura is de prinses met wie Arjuna op zijn tocht trouwt. Ze heeft niets te maken met Chitrangada, de zoon van Shantanu uit boek 1, of met de gandharva met dezelfde naam, die die prins doodde.
  • Rohini. Rohini is een maanhuis, een van de sterrengroepen waaraan men de tijd afleest: de broers vertrekken naar Varanavata als de maan in Rohini staat. Als ster is Rohini de geliefde van Soma, de maan. En Rohini heet ook de moeder van Balarama, de oudere broer van Krishna.

Stand en afkomst

In dit boek draait veel om afkomst: wie mag leren, wie mag meedoen, wie mag een prinses winnen. Het epos gaat uit van vier standen, varna's: de brahmanen, priesters en geleerden; de kshatriya's, krijgers en koningen; de vaishya's, boeren en handelaars; en de shudra's, die de anderen dienen. Dat is iets anders dan de vele kasten van later. Buiten die vier staan nog anderen:

  • Een suta komt uit het geslacht van barden en wagenmenners. Karna groeide op bij een suta, Adhiratha. Daarom wordt hij in de arena uitgelachen en op de bruidskeuze afgewezen.
  • De nishada's zijn "een volk dat in de wouden leeft". Ekalavya is een nishada-prins, en in het huis van lak slaapt een nishada-vrouw met haar vijf zonen.
  • De mleccha's zijn "de volken buiten de orde van de Veda": wie de riten en de taal van de brahmanen niet deelt.

Het epos vertelt vanuit de hoven en de hermitages, en van daaruit kijkt het naar de woudvolken en de volken buiten de orde van de Veda: van buitenaf. Twee keer in dit boek betalen mensen uit de wouden de prijs voor de prinsen: Ekalavya met zijn duim, de nishada-vrouw met haar leven en dat van haar zonen. Het epos noemt Drona's woorden wreed en de vrouw onschuldig, en laat het daarbij. Dit boek maakt het niet mooier en niet lelijker.

Wat je misschien anders kent

Wie de verhalen kent uit de mandir, van grootouders, uit strips of van de televisie, komt in dit boek dingen tegen die anders gaan dan hij gewend is. Meestal komt het bekende detail uit een latere vertelling. Hier volgt het verhaal het oude epos.

  • Het oog van de vogel (hoofdstuk 2). In de bekende versie ziet Arjuna alleen het oog van de vogel. Hier is het doel een nagemaakte vogel, een gier, en Arjuna ziet alleen de kop.
  • Ekalavya (hoofdstuk 2). Veel vertellingen laten in het midden waarom Drona de jongen afwees, of geven er een zachtere reden voor. Het oude epos zegt het ronduit: hij was de zoon van een nishada, en Drona deed het uit zorg voor zijn eigen leerlingen, de prinsen. De duim staat er zoals je hem kent.
  • Hidimbi (hoofdstuk 4). In veel vertellingen is het Kunti die Bhima opdraagt met de rakshasa-vrouw Hidimbi te trouwen. Hier smeekt Hidimbi Kunti en Yudhishthira om hulp, en Yudhishthira stelt de voorwaarden: overdag mag ze met Bhima zijn, maar elke avond brengt ze hem terug.
  • De vis (hoofdstuk 7). In veel latere vertellingen, en op televisie, draait er hoog boven de arena een vis, en Arjuna schiet hem in het oog terwijl hij naar de weerspiegeling beneden kijkt. Het oude epos noemt geen vis. Het spreekt van een toestel hoog in de lucht, met een opening, en van een doel dat met vijf pijlen door die opening moet worden neergehaald.
  • Krishna, een haar van Vishnu (hoofdstuk 8). Vyasa vertelt dat Vishnu twee haren uit zijn lichaam trok, een witte en een zwarte. De witte werd Balarama, de zwarte Krishna. In de mandir is Krishna voor velen de hoogste god zelf, en een later boek, de Bhagavata Purana, zegt dat met zoveel woorden. Ook het oude epos neemt Krishna als god: in dit boek heten hij en Arjuna "Nara en Narayana, de goden van oudsher", en in de brand van het woud is Krishna "het Zelf van alle schepselen".
  • Chitrangada (hoofdstuk 11). Wie haar kent uit het toneelstuk van Rabindranath Tagore, kent een prinses die als krijger werd opgevoed. In de Mahabharata is ze geen krijgster. Ze is het enige kind van haar vader, en hij heeft haar tot putrika gemaakt, een dochter die voor haar vader als zoon geldt: een van haar zonen zal zijn geslacht voortzetten.
  • Subhadra (hoofdstuk 11). In veel vertellingen ment Subhadra zelf de wagen waarmee Arjuna haar wegvoert, en in de Bhagavata Purana wil Balarama haar aan Duryodhana uithuwelijken. Hier grijpt Arjuna haar, na overleg met Krishna, als ze terugkomt van de berg Raivataka, en trekt haar in zijn wagen, en is het Krishna die de woedende Yadava's tot bedaren brengt.
  • De meisjes als geschenk (hoofdstuk 11). Onder de huwelijksgeschenken die Krishna meebrengt, zijn ook duizend meisjes, als dienaressen, tussen de wagens, de koeien en de paarden. Ook Drupada geeft bij Draupadi's huwelijk honderd dienaressen weg. Het epos noemt ze zonder een woord van commentaar, en zo staan ze ook hier. Het hoort bij de wereld die het epos beschrijft, een wereld waarin ook mensen werden weggegeven.
  • De wijn (hoofdstuk 12). Draupadi is voor velen het beeld van de trouwe vrouw. Wie haar zo kent, schrikt misschien als ze aan de Yamuna met Subhadra "vrolijk van de wijn" haar kostbare gewaden en sieraden weggeeft. Zo vertelt het epos het, zonder afkeuring. Ook Balarama loopt op het feest op de Raivataka "vrolijk van de drank" rond.
  • De aap en de discus (hoofdstuk 12). Wie bij de aap op het vaandel van Arjuna meteen aan Hanuman denkt, heeft gelijk, maar hier heeft de aap nog geen naam: "een woeste hemelse aap". Dat het Hanuman is, vertelt het epos pas later, in het boek van het woud. Zo heeft ook de discus die Krishna van de god van het vuur krijgt, hier geen naam. Sudarshana heette in boek 1 de discus van Narayana in de strijd om de amrita; voor Krishna's discus gebruikt het epos die naam pas verderop.

Achterin

Achter in het boek vind je:

  • een lijst van de personages van dit boek, met wie ze zijn en waar ze voor het eerst voorkomen;
  • stambomen van de families die in dit boek een rol spelen, en de namen die op elkaar lijken;
  • een woordenlijst, voor wie de uitleg van een woord kwijt is;
  • de namenlijsten die in het verhaal zijn ingekort: de koningen die naar Draupadi's bruidskeuze kwamen, de helden van de Yadava's, de goden die om het woud vochten, de bomen van Indraprastha en de plaatsen die Arjuna op zijn tocht bezocht;
  • de lofzangen op de god van het vuur, van de rishi Mandapala en zijn vier zonen, volledig;
  • "Uit de redes": de raad van de minister Kanika en de klachten van de familie in Ekachakra, met de gedachtegangen die in het verhaal zijn ingekort;
  • een register van alle namen, met de bladzijden waar ze voorkomen.