Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk acht

Vijf Indra's

Deel het samen

Boek 2 · De leerjaren · Deel II, Draupadi · 25 min. lezen

Toen Bhima en Arjuna, de zonen van Pritha, terugkwamen in het huis van de pottenbakker, gingen ze naar hun moeder. Ze stelden haar Draupadi voor als de aalmoes die ze die dag hadden gekregen.

Kunti was binnen in de kamer en zag haar zonen niet. 'Deel het samen,' antwoordde ze, 'wat jullie gekregen hebben.'

Het volgende ogenblik zag ze Draupadi. 'O,' zei ze, 'wat heb ik gezegd?'

Ze was bang voor kwaad en zocht naar een uitweg voor hen allemaal. Ze nam Draupadi, die opgewekt was gebleven, bij de hand, ging naar Yudhishthira en zei: 'Je jongere broers stelden me de dochter van koning Drupada voor als de aalmoes die ze hadden gekregen, en zonder het te weten zei ik wat je dan zegt: "Deel het samen, wat jullie gekregen hebben." Zeg me, mijn zoon, hoe mijn woord niet onwaar wordt, hoe er geen kwaad kleeft aan de dochter van de koning van Panchala, en hoe ook zij zich er niet ongemakkelijk bij hoeft te voelen.'

Yudhishthira dacht een ogenblik na en troostte Kunti. Toen zei hij tegen Arjuna: 'Jij hebt Draupadi gewonnen. Het is juist dat jij met haar trouwt. Ontsteek het heilige vuur en neem haar hand met de voorgeschreven riten.'

'Koning,' antwoordde Arjuna, 'maak mij niet medeplichtig aan kwaad. Wat u zegt, strookt niet met de dharma; dat is het pad van wie kwaad doen. Eerst moet u trouwen, dan de sterke Bhima, dan ik, dan Nakula, en als laatste Sahadeva. Bhima en ik, de tweelingen en ook dit meisje wachten allemaal op uw bevel. Doe wat na overleg juist is, wat strookt met de dharma, wat roem brengt en wat goed is voor de koning van Panchala. We gehoorzamen u allemaal. Beveel ons wat u wilt.'

Bij die woorden van Arjuna, vol respect en genegenheid, keken de Pandava's naar Draupadi, en zij keek naar hen allemaal; toen keken de broers elkaar aan. Ze gingen zitten en dachten alleen nog aan haar. Kama was hun hart binnengedrongen en overweldigde al hun zinnen. Brahma zelf had haar gevormd, en haar schoonheid overtrof die van alle vrouwen op aarde en kon ieder schepsel betoveren.

Yudhishthira keek naar zijn jongere broers en begreep wat er in hen omging. Meteen dacht hij aan de woorden van Vyasa. Uit angst voor verdeeldheid tussen de broers zei hij tegen hen allemaal: 'Draupadi zal de gezamenlijke vrouw van ons allen zijn.'

Terwijl de broers die woorden van hun oudste broer met een licht hart overwogen, kwam Krishna, de held uit het geslacht van de Vrishni's, naar het huis van de pottenbakker, met Balarama, de zoon van Rohini. Hij wist dat de vijf die hij op de svayamvara had gezien, de Pandava's waren. Krishna en Balarama zagen Yudhishthira zitten, met zijn lange, sterke armen, en rondom hem zijn jongere broers.

Krishna ging naar Yudhishthira toe, raakte zijn voeten aan en zei: 'Ik ben Krishna.' Balarama deed hetzelfde. De Pandava's begroetten hen hartelijk, en daarna raakten Krishna en Balarama ook de voeten aan van Kunti, de zuster van hun vader.

Yudhishthira vroeg Krishna hoe het met hem ging. 'Hoe heb je ons weten te vinden, terwijl we hier vermomd leven?'

Krishna glimlachte. 'Vuur, ook als het bedekt is, herkent men, koning. Wie anders onder de mensen dan de Pandava's zou zo'n kracht kunnen tonen? Door puur geluk zijn jullie aan dat verschrikkelijke vuur ontsnapt, zonen van Pandu. En het is alleen door geluk dat de slechte zoon van Dhritarashtra en zijn raadslieden niet bereikt hebben wat ze wilden. Ik wens jullie alle goeds, en ik wens dat jullie geluk groeit zoals een vuur in een grot, langzaam en naar alle kanten. Maar laten we teruggaan naar onze tent, anders herkent een van de koningen jullie nog.' Met Yudhishthira's toestemming ging Krishna met Balarama haastig weg.

Dhrishtadyumna, de prins van Panchala, was Bhima en Arjuna gevolgd toen ze naar het huis van de pottenbakker gingen. Hij had al zijn dienaren weggestuurd en zich ergens in het huis verborgen, zonder dat de Pandava's het wisten.

's Avonds kwamen Bhima, Arjuna en de tweelingen terug van hun ronde langs de huizen en gaven alles met een blij gezicht aan Yudhishthira. De goedhartige Kunti zei tegen de dochter van Drupada: 'Lief kind, neem hier eerst een deel van, wijd het aan de goden en geef het aan de brahmanen, voed wie wil eten en geef aan wie onze gasten zijn geworden. Verdeel de rest in twee helften. Geef de ene helft aan Bhima, want deze sterke, donkere jongen eet altijd veel. En verdeel de andere helft in zes delen: vier voor deze jongens, een voor mij en een voor jou.'

De prinses deed alles wat haar schoonmoeder haar had opgedragen, en ze aten van het eten dat Draupadi had klaargemaakt. Sahadeva, de zoon van Madri, maakte op de grond een bed van kusagras, het gras van de offers. Ieder van de broers spreidde er zijn hertenvel op uit en ging liggen om te slapen, met het hoofd naar het zuiden. Kunti ging liggen langs de lijn van hun hoofden, en Draupadi langs die van hun voeten. En hoewel Draupadi met de zonen van Pandu op dat bed van kusagras aan hun voeten lag, als hun onderste kussen, treurde ze niet in haar hart en dacht ze niet oneerbiedig over die helden van de Kuru's.

Toen begonnen ze met elkaar te praten. De gesprekken van die prinsen, van wie ieder een leger kon aanvoeren, waren buitengewoon boeiend, want ze gingen over hemelse wagens en wapens, over olifanten, zwaarden, pijlen en strijdbijlen. Dhrishtadyumna luisterde vanuit zijn schuilplaats naar alles wat ze zeiden, en hij zag Draupadi zo liggen. Zodra het ochtend werd, verliet hij haastig zijn schuilplaats om Drupada precies te vertellen wat er in het huis van de pottenbakker was gebeurd en wat hij die helden 's nachts tegen elkaar had horen zeggen.

Drupada wist nog niet dat het de Pandava's waren die zijn dochter hadden meegenomen, en hij was bedroefd. 'Waar is Draupadi heen?' vroeg hij aan Dhrishtadyumna. 'Wie heeft haar meegenomen? Heeft een shudra, of iemand van lage afkomst, of een vaishya die schatting betaalt, door mijn dochter mee te nemen zijn vuile voet op mijn hoofd gezet? Is die bloemenkrans weggegooid op de plek waar de doden worden verbrand, mijn zoon? Heeft een kshatriya van hoge geboorte of een brahmaan mijn dochter gekregen? Heeft iemand van lage afkomst, door Draupadi te winnen, zijn linkervoet op mijn hoofd gezet? Ik zou niet treuren, ik zou gelukkig zijn, als mijn dochter verbonden was met Arjuna, de zoon van Pritha! Zeg me naar waarheid wie mijn dochter vandaag gewonnen heeft. Leven de zonen van Pandu, de zoon van Vichitravirya, nog? Was het Arjuna die de boog opnam en het doel raakte?'

De wapens

Blij vertelde Dhrishtadyumna zijn vader alles wat hij had gezien: wie Draupadi had gewonnen, hoe ze die jonge man in zijn hertenvel was gevolgd naar het huis van een pottenbakker aan de rand van de stad, hoe ze daar het eten had verdeeld en zelf als laatste had gegeten, en hoe ze aan de voeten van de mannen had geslapen, op het bed van kusagras.

'Voor ze gingen slapen, praatten ze over van alles, met stemmen zo diep als het gerommel van regenwolken,' zei hij. 'Uit hun gesprek bleek dat ze geen vaishya's zijn, geen shudra's en geen brahmanen. Het zijn kshatriya's, vader, daar twijfel ik niet aan, want ze praatten over de oorlog. Het lijkt erop dat onze hoop in vervulling is gegaan, want we hebben gehoord dat de zonen van Kunti allemaal aan de brand in het huis van lak zijn ontkomen. Hoe die jonge man het doel neerhaalde, met welke kracht hij de boog spande, en wat ik hen tegen elkaar heb horen zeggen: het bewijst dat het de zonen van Kunti zijn, die vermomd rondtrekken.'

Drupada stuurde zijn huispriester naar hen om uit te zoeken wie ze waren en of het de zonen van Pandu waren. De priester ging naar hen toe, prees hen allemaal en bracht de boodschap van de koning over.

'Koning Drupada wil weten wie jullie zijn,' zei hij. 'Sinds hij degene heeft gezien die het doel heeft neergehaald, kent zijn vreugde geen grenzen. Vertel ons over jullie familie en jullie stam, zet jullie voet op het hoofd van jullie vijanden, en maak het hart van de koning van Panchala blij, en dat van zijn mensen en van mij. Koning Pandu was een dierbare vriend van Drupada, die hem als zijn tweede zelf beschouwde, en Drupada heeft altijd gewild dat deze dochter van hem de schoondochter van Pandu zou worden. Hij heeft altijd gehoopt dat Arjuna met zijn lange, sterke armen volgens de voorschriften met haar zou trouwen. Als dat nu mogelijk is geworden, kan er niets beters zijn, niets heilzamers, niets wat Drupada meer roem brengt of beter strookt met de dharma.'

Terwijl de priester bescheiden op antwoord wachtte, zei Yudhishthira tegen Bhima, die naast hem zat: 'Geef deze brahmaan water voor zijn voeten, en de arghya. Hij is de huispriester van koning Drupada en verdient daarom veel respect. We moeten hem met meer dan gewone eerbied behandelen.'

Bhima deed wat hem gezegd werd. De brahmaan nam de eerbewijzen aan en ging op zijn gemak zitten.

'De koning van de Panchala's heeft zijn dochter niet zomaar weggegeven,' zei Yudhishthira. 'Hij heeft haar gegeven volgens het gebruik van zijn stand, tegen een bijzondere bruidsprijs. Deze held heeft aan die eis voldaan en de prinses gewonnen. Over de stand, het geslacht, de familie en het karakter van wie die daad verrichtte, heeft koning Drupada nu niets meer te zeggen. Al zijn vragen zijn beantwoord door het spannen van de boog en het neerhalen van het doel. Door te doen wat Drupada had voorgeschreven, heeft deze held Draupadi onder de ogen van alle koningen meegenomen. Daarom hoeft de koning van de Somaka's geen spijt te hebben; spijt maakt hem alleen ongelukkig en verbetert niets. Zijn oude wens gaat in vervulling voor zijn mooie prinses, die volgens mij alle gunstige tekens draagt. Niemand die zwak is, kon die boog spannen, en niemand van lage geboorte, onervaren in de wapens, kon het doel neerhalen. De koning van de Panchala's hoeft vandaag niet om zijn dochter te treuren, en niemand in de wereld kan dat schot ongedaan maken. Laat hij niet treuren om wat zijn loop moet hebben.'

Terwijl Yudhishthira dat zei, kwam er haastig een tweede bode van de koning. 'Het feestmaal is klaar,' zei hij. 'Koning Drupada heeft met het oog op het huwelijk van zijn dochter een goed maal laten bereiden voor het gezelschap van de bruidegom. Kom daarheen als jullie dagelijkse riten voorbij zijn. Daar zal het huwelijk van Draupadi plaatsvinden. Wacht niet langer. Deze wagens, versierd met gouden lotussen en getrokken door goede paarden, zijn koningen waardig. Rijd erin naar het huis van de koning van de Panchala's.' De Kuru-prinsen stuurden de priester terug, zetten Kunti en Draupadi samen in een van de wagens, stapten zelf in de andere en reden naar het paleis van Drupada.

Intussen had Drupada van zijn huispriester gehoord wat Yudhishthira had gezegd. Om uit te vinden tot welke stand die helden behoorden, had hij een grote verzameling voorwerpen klaargelegd, alles wat de voorschriften voor het huwelijk van elk van de vier standen vereisen. Er lagen vruchten, gewijde kransen, harnassen, schilden, tapijten, koeien, zaaigoed en gereedschap voor de landbouw. Er lagen voorwerpen voor alle andere ambachten, en gerei voor elk soort spel. En er lagen uitstekende harnassen en glanzende schilden, zwaarden en kromzwaarden van fijn gehard staal, mooie wagens en paarden, prachtige bogen en versierde pijlen, met goud ingelegde werpwapens, speren, vuurpijlen, strijdbijlen en ander oorlogsgerei. Er lagen bedden en tapijten en fijne dingen, en stoffen van elke soort.

Toen ze bij het huis van Drupada aankwamen, ging Kunti met Draupadi naar de binnenvertrekken van de koning, waar de vrouwen van het koninklijk huis de koningin van de Kuru's met eerbied ontvingen. De koning, zijn ministers, zijn zoon, zijn vrienden en zijn dienaren zagen de mannen binnenkomen, elk met de soepele tred van een leeuw, met hertenvellen als bovenkleed, brede schouders en lange, zware armen. De helden gingen op kostbare zetels met voetenbankjes zitten, een voor een naar hun leeftijd, zonder aarzeling, zonder verlegenheid en zonder vrees.

Goedgeklede dienaren en dienaressen en bekwame koks brachten op gouden en zilveren schalen uitgelezen gerechten die koningen waardig zijn, en de mannen aten er met genoegen van. Na het maal liepen de helden alle andere voorwerpen voorbij en begonnen met belangstelling het oorlogsgerei te bekijken. Drupada, zijn zoon en al zijn ministers zagen het, en ze begrepen dat de zonen van Kunti van koninklijke afkomst waren.

Nu richtte Drupada zich tot Yudhishthira, met de aanspreekvorm die men voor een brahmaan gebruikt. 'Moeten we u kennen als kshatriya's, of als brahmanen,' vroeg hij, 'als vaishya's met goede gaven, of als mannen uit de stand van de shudra's, of als goden die zich als brahmanen hebben vermomd, over de aarde zwerven en hier zijn gekomen voor de hand van Draupadi? Zeg ons de waarheid, want we twijfelen sterk. Zullen we niet blij zijn als onze twijfel is weggenomen? Is het lot ons goedgezind geweest? Zeg ons uit vrije wil de waarheid. De waarheid past koningen beter dan offers en het aanleggen van vijvers. Zeg ons niets wat onwaar is. Als ik uw antwoord heb gehoord, regel ik het huwelijk van mijn dochter volgens de stand waartoe u behoort.'

'Wees niet somber, koning,' antwoordde Yudhishthira. 'Laat vreugde uw hart vullen. De wens die u altijd hebt gehad, is in vervulling gegaan. Wij zijn kshatriya's, zonen van Pandu. Ik ben de oudste van de zonen van Kunti, en dit zijn Bhima en Arjuna. Door hen is uw dochter gewonnen, te midden van de verzamelde koningen. De tweelingen, Nakula en Sahadeva, en Kunti wachten waar Draupadi is. Verdrijf het verdriet uit uw hart, want wij zijn kshatriya's. Uw dochter is als een lotus alleen van het ene meer naar het andere overgebracht. U bent onze eerbiedwaardige meerdere en onze voornaamste toevlucht. Ik heb u de hele waarheid gezegd.'

Drupada's ogen rolden van verrukking, en een paar ogenblikken kon hij niets zeggen. Met grote moeite kreeg hij zich weer in bedwang, en hij vroeg Yudhishthira hoe de Pandava's uit de stad Varanavata waren ontsnapt. Yudhishthira vertelde hem in bijzonderheden hoe ze uit het brandende huis van lak waren ontkomen. Toen hij alles gehoord had, veroordeelde Drupada koning Dhritarashtra. Hij stelde Yudhishthira volkomen gerust en zwoer ter plekke dat hij hem weer op de troon van zijn vader zou zetten.

Op bevel van de koning bleven Kunti, Draupadi, Bhima, Arjuna en de tweelingen daar wonen, en Drupada behandelde hen met eerbied. Toen hij helemaal gerust was over alles wat er gebeurd was, kwam hij met zijn zonen naar Yudhishthira.

'Laat Arjuna vandaag, op deze gunstige dag, met de voorgeschreven riten de hand van mijn dochter nemen,' zei hij, 'en laat hij de gebruikelijke inleidende riten van het huwelijk verrichten.'

'Ook ik zal moeten trouwen, grote koning.'

'Neem dan zelf, als u dat wilt, met de voorgeschreven riten de hand van mijn dochter. Of geef haar ten huwelijk aan wie van uw broers u maar wilt.'

'Uw dochter zal de gezamenlijke vrouw van ons allen zijn,' zei Yudhishthira. 'Onze moeder heeft gezegd: deel het samen. Van de zonen van Pandu ben ik nog ongetrouwd, en Bhima ook. Dit juweel van een dochter van u is door Arjuna gewonnen. Bij ons geldt deze regel: een juweel dat we krijgen, delen we altijd gelijk. Van die regel kunnen we nu niet afwijken. Draupadi wordt de vrouw van ons allen. Laat ze onze handen nemen, de een na de ander, voor het vuur.'

'Kuru-prins,' zei Drupada, 'het is voorgeschreven dat één man veel vrouwen mag hebben. Maar nooit heeft men gehoord dat één vrouw veel mannen heeft! U bent zuiver en u kent de regels van de dharma. U mag geen daad begaan die kwaad is en die ingaat tegen het gebruik en tegen de Veda's. Hoe komt u op zo'n gedachte?'

'De dharma is subtiel, koning. We kennen haar loop niet. Laten we de weg volgen die de groten van vroeger zijn gegaan. Mijn tong heeft nooit een onwaarheid gesproken. Mijn hart wendt zich ook nooit naar wat kwaad is. Mijn moeder beveelt het zo, en mijn hart keurt het goed. Daarom strookt dit volkomen met de dharma. Handel ernaar, zonder bedenkingen. Wees hierover niet bang.'

'Beslis dan samen wat er moet gebeuren,' zei Drupada, 'u, uw moeder en mijn zoon Dhrishtadyumna. Zeg me wat u besloten hebt, en morgen doe ik wat juist is.'

Yudhishthira, Kunti en Dhrishtadyumna overlegden daarover. Maar juist op dat ogenblik kwam Vyasa er op zijn zwerftochten langs.

Vier stemmen

Alle Pandava's, koning Drupada en iedereen die er was, stonden op en groetten Vyasa met eerbied. De rishi groette hen terug, vroeg hoe het met hen was en nam plaats op een gouden tapijt. Op zijn bevel gingen ook de anderen op kostbare zetels zitten.

Kort daarna vroeg Drupada hem met zachte stem naar het huwelijk van zijn dochter. 'Hoe kan één vrouw de vrouw van vele mannen worden zonder dat er kwaad aan haar kleeft? Zeg me daarover de hele waarheid.'

'Dit gaat in tegen het gebruik en tegen de Veda's, koning, en het wordt al lang niet meer gedaan,' antwoordde Vyasa. 'Maar ik wil eerst horen wat ieder van jullie ervan denkt.'

Drupada was de eerste, en hij hoefde niet naar zijn woorden te zoeken. 'Het is kwaad. Het gaat in tegen het gebruik en tegen de Veda's. Nergens heb ik één vrouw met vele mannen gezien, en ook de groten van vroeger kenden zo'n gebruik niet. Een wijs mens doet geen kwaad. Ik kan er nooit toe besluiten. Het blijft voor mij twijfelachtig.'

Dhrishtadyumna begon met een vraag. 'Hoe kan een oudere broer, als hij een goed karakter heeft, naar de vrouw van zijn jongere broer gaan, brahmaan? De wegen van de dharma zijn subtiel, en daarom kennen we ze niet. We kunnen niet zeggen wat ermee strookt en wat niet, en mensen als wij kunnen daarover niet beslissen. Ik kan niet zeggen: "Laat Draupadi de gezamenlijke vrouw van vijf broers worden."'

Yudhishthira had zijn eigen oordeel al tegen Drupada uitgesproken: wat zijn hart goedkeurde, kon geen kwaad zijn. Nu kwam hij met voorbeelden. 'In de purana's, de oude overleveringen, heb ik gehoord dat Jatila, een rechtvaardige vrouw uit het geslacht van Gautama, met zeven rishi's getrouwd was. En de dochter van een asceet, uit een boom geboren, trouwde vroeger met tien broers, die allemaal Prachetas heetten en verheven waren door hun ascese. Men zegt dat gehoorzaamheid aan een meerdere altijd verdienste brengt, en iedereen weet dat van alle meerderen de moeder de hoogste is. Onze moeder heeft gezegd: deel het samen. Ze zei het van Draupadi, zoals ze het zegt van alles wat we als aalmoes krijgen. Daarom houd ik deze daad voor rechtvaardig.'

Kunti dacht aan haar eigen woord. 'Het is zo als Yudhishthira zegt. Maar ik ben zo bang, brahmaan, dat mijn woord onwaar wordt. Hoe kom ik vrij van die onwaarheid?'

Toen ze allemaal gesproken hadden, zei Vyasa: 'Je komt vrij van de gevolgen van de onwaarheid, Kunti. Dit is de eeuwige dharma.' Tegen Drupada zei hij: 'Ik zal er niet voor jullie allemaal over spreken. Alleen jij zult naar me luisteren als ik vertel hoe dit gebruik is ingesteld en waarom het als oud en eeuwig moet gelden. Er is geen twijfel aan dat wat Yudhishthira gezegd heeft, volkomen met de dharma strookt.'

Vyasa stond op, nam Drupada bij de hand en leidde hem naar een afgesloten vertrek. De Pandava's, Kunti en Dhrishtadyumna bleven zitten en wachtten tot de twee terugkwamen. In dat vertrek begon Vyasa de koning uit te leggen waarom het niet als kwaad kan gelden dat een vrouw meer mannen heeft.

Vijf Indra's

'Lang geleden begonnen de goden een groot offer in het woud van Naimisha,' zei Vyasa tegen Drupada. 'Bij dat offer was Yama, de zoon van Vivasvat, degene die de offerdieren doodde. Zolang hij daarmee bezig was, doodde hij geen enkele mens. Omdat de dood in de wereld stillag, nam het aantal mensen enorm toe.'

En Vyasa vertelde.

Soma, Indra, Varuna en Kubera en de scharen van goden, de Sadhya's, de Rudra's, de Vasu's en de Ashvins, gingen met nog andere goden naar Brahma, de Grootvader, die alles wat bestaat heeft geschapen. Ze waren bang voor de groei van het aantal mensen in de wereld.

'We maken ons zorgen over het toenemende aantal mensen op aarde,' zeiden ze, 'en we komen bij u om hulp. We zoeken uw bescherming.'

'Jullie hoeven niet bang te zijn voor die groei,' zei Brahma. 'Jullie zijn allemaal onsterfelijk. Het past jullie niet bang te zijn voor mensen.'

'De stervelingen zijn allemaal onsterfelijk geworden. Er is geen verschil meer tussen hen en ons. Dat verdriet ons, en we zijn gekomen om u te vragen ons weer van hen te onderscheiden.'

'De zoon van Vivasvat is nog met het grote offer bezig. Daarom sterven de mensen niet. Maar als Yama's werk voor het offer voorbij is, zullen de mensen weer sterven zoals vroeger. Als die tijd gekomen is, zullen jullie krachten Yama sterken, en dan vaagt hij de bewoners van de aarde bij duizenden weg, tot ze nauwelijks nog kracht over hebben.'

Met dat antwoord van Brahma, de god die als eerste was ontstaan, keerden de goden terug naar de plek van het offer. Terwijl ze aan de oever van de Bhagirathi zaten, zoals de Ganga daar heet, zagen ze een gouden lotus die door de stroom werd meegevoerd, en ze verwonderden zich. Indra, de koning van de goden, wilde weten waar die lotus vandaan kwam, en hij ging langs de Bhagirathi stroomopwaarts.

Waar de godin Ganga altijd opwelt, zag hij een vrouw die gloeide als vuur. Ze was gekomen om water te halen en waste zich in de stroom, en al die tijd huilde ze. De tranen die ze vergoot, vielen in de stroom en werden gouden lotussen.

Indra zag dat wonderlijke schouwspel, ging naar de vrouw toe en vroeg: 'Wie ben je? Waarom huil je? Ik wil de waarheid weten. Vertel me alles.'

'Kom met me mee, Indra,' zei de vrouw, 'dan zul je weten wie ik ben, ik ongelukkige, en zien waarom ik huil.'

Indra volgde haar. Al gauw zag hij, niet ver van waar hij was, op een van de toppen van de Himalaya, een mooie jonge man die met een jonge vrouw op een troon zat en dobbelde.

'Begrijp goed, jongeman: alles wat bestaat, staat onder mijn gezag,' zei Indra.

Maar de jonge man was zo in het dobbelspel verzonken dat hij niet op Indra's woorden lette, en Indra werd woedend. 'Alles wat bestaat, staat onder mijn gezag!' herhaalde hij.

De jonge man was niemand anders dan Shiva, de grote god. Hij zag Indra's woede, glimlachte alleen en wierp een blik op hem. Door die blik werd de koning van de goden meteen verlamd, en hij stond daar als een paal.

Toen het spel voorbij was, zei Shiva tegen de huilende vrouw: 'Breng hem hier, dan zal ik hem zo behandelen dat de trots nooit meer in zijn hart komt.' Zodra de vrouw Indra aanraakte, vielen zijn verlamde ledematen onder hem weg, en hij lag op de grond.

'Doe dat nooit meer, Indra,' zei Shiva. 'Haal deze grote steen weg, want je kracht is onmetelijk, en ga het hol binnen dat eronder zit. Daar wachten nog anderen, die allemaal aan jou gelijk zijn.'

Indra haalde de steen weg en zag in de flank van de berg een grot, en daarin vier anderen die op hemzelf leken. Toen hij zag in welke toestand ze waren, greep het verdriet hem aan. 'Zal ik ook zo worden?' riep hij.

Shiva keek hem woedend en met wijd open ogen aan. 'Indra, jij van de honderd offers,' zei hij, 'ga zonder uitstel deze grot in, want je hebt me uit dwaasheid beledigd.'

Die vloek trof Indra zo dat hij trilde als het blad van een Himalaya-vijg in de wind. Met gevouwen handen zei hij tegen Shiva: 'U bent het die toeziet op alles wat bestaat, hoe onmetelijk ook!'

'Wie zo is als jij, krijgt nooit mijn gunst,' zei Shiva. 'Deze anderen in de grot waren vroeger ook zoals jij. Ga deze grot in en lig daar een tijd. Jullie lot zal hetzelfde zijn. Jullie zullen allemaal in de wereld van de mensen geboren moeten worden. Daar zullen jullie vele moeilijke daden verrichten en veel mensen doden, en door de verdienste van jullie daden zullen jullie de begeerde wereld van Indra terugwinnen. Jullie zullen alles doen wat ik gezegd heb, en nog veel meer.'

De Indra's, die hun glans kwijt waren, antwoordden: 'We zullen uit onze werelden van de goden naar de wereld van de mensen gaan, waar de bevrijding zo moeilijk te bereiken is. Maar laat de goden Dharma, Vayu, Indra en de Ashvins ons verwekken bij onze toekomstige moeder. Met hemelse en menselijke wapens zullen we tegen mensen vechten, en dan keren we terug naar de wereld van Indra.'

Indra richtte zich opnieuw tot Shiva: 'In plaats van zelf te gaan, zal ik met een deel van mijn kracht iemand uit mezelf voortbrengen die als vijfde van hen de taak volbrengt die u oplegt.'

Vishvabhuk, Bhutadhaman, Shibi met zijn grote kracht, Shanti als vierde en Tejasvin: dat waren, zegt men, de vijf Indra's van vroeger. Shiva gaf hun welwillend wat ze wensten. En de vrouw van buitengewone schoonheid, die niemand anders was dan Shri zelf, de godin van geluk en glans, wees hij aan als hun gezamenlijke vrouw in de wereld van de mensen.

Met al die Indra's ging Shiva naar Narayana, dat is Vishnu, de god die de wereld in stand houdt, de oneindige en eeuwige, die alle grenzeloze werelden doordringt. Vishnu keurde alles goed, en de Indra's werden in de wereld van de mensen geboren. Hij trok twee haren uit zijn lichaam, een zwarte en een witte. Die twee haren gingen de schoot binnen van twee vrouwen uit het geslacht van Yadu, Devaki en Rohini, de moeder van Balarama: de witte haar werd Balarama, en de zwarte werd Krishna zelf.

'De Indra's van vroeger, die in de grot op de Himalaya opgesloten zaten, zijn de zonen van Pandu,' zei Vyasa. 'En Arjuna, die ook Savyasachi heet, omdat hij met beide handen even goed schiet, is een deel van Indra. En Shri zelf, die als hun vrouw werd aangewezen, is deze mooie Draupadi. Hoe had zij, die glanst als de zon of de maan en wier geur tot een krosha in de omtrek te ruiken is, anders dan op een wonderbaarlijke manier geboren kunnen worden, uit de aarde, door de kracht van de offerriten? Nu geef ik je graag nog een gunst: het innerlijk oog. Kijk dan naar de zonen van Kunti in hun heilige, hemelse lichamen van vroeger!'

Door de kracht van zijn ascese gaf Vyasa de koning het innerlijk oog, en Drupada zag alle Pandava's in hun vroegere lichamen: met gouden kronen en hemelse kransen, ieder als Indra zelf, met een stralende huid, met elk sieraad getooid, mooi en jong, met een brede borst en een lengte van ongeveer vijf el, in prachtige hemelse gewaden en met geurige kransen. Hij zag Arjuna in de gedaante van Indra, uit Indra zelf voortgekomen. Drupada verwonderde zich over die goddelijke macht onder zo'n diepe vermomming. Hij keek naar zijn dochter, en hij vond dat ze om haar schoonheid, haar glans en haar roem de waardige vrouw was van die hemelse wezens.

Hij raakte de voeten van Vyasa aan. 'Grote rishi,' riep hij, 'bij u is niets een wonder!'

'In een hermitage woonde de dochter van een rishi,' vertelde Vyasa verder. 'Ze was mooi en rein, maar ze kreeg geen man. Met zware ascese stemde ze Shiva gunstig, en toen hij haar een gunst liet kiezen, vroeg ze keer op keer om een man met alle goede eigenschappen. "Je hebt me vijf keer gevraagd: geef me een man," zei Shiva. "Daarom krijg je er vijf. Maar dat gebeurt in een volgend leven van je."

Drupada, deze dochter van je, met haar hemelse schoonheid, is dat meisje. De onberispelijke Draupadi uit het geslacht van Prishata is voorbestemd de gezamenlijke vrouw van vijf mannen te worden. Shri heeft zware ascese beoefend en is omwille van de Pandava's als jouw dochter geboren, tijdens je grote offer. Die mooie godin, die door alle goden wordt gediend, wordt door haar eigen daden de vrouw van vijf mannen. Daarvoor heeft Brahma haar geschapen. Nu je dit alles gehoord hebt, doe wat je wilt.'

Het huwelijk

'Grote rishi,' zei Drupada, 'alleen zolang ik dit niet van u gehoord had, wilde ik handelen zoals ik u zei. Nu ik alles weet, kan ik niet onverschillig blijven voor wat de goden hebben beschikt. Daarom besluit ik te doen wat u gezegd hebt. De knoop van het lot kan niet worden losgemaakt. Niets in deze wereld is het gevolg van onze eigen daden. Wat wij hadden ingesteld om één bruidegom te krijgen, is nu uitgelopen op velen. Omdat Draupadi in een vorig leven keer op keer zei: "Geef me een man!", heeft de grote god zelf haar de gunst gegeven die ze vroeg. De god weet zelf wat hierin juist is of niet. Wat mij betreft: nu Shiva het zo heeft beschikt, juist of niet, kleeft mij geen kwaad aan. Laat hen met een blij hart, zoals het bepaald is, met de riten de hand van Draupadi nemen.'

Vyasa zei tegen Yudhishthira: 'Dit is een gunstige dag, zoon van Pandu: de maan staat in het maanhuis Pushya. Neem vandaag de hand van Draupadi, als eerste, voor je broers.'

Drupada en zijn zoon maakten alles klaar voor het huwelijk. De koning legde kostbare huwelijksgeschenken gereed en bracht zijn dochter naar buiten, gebaad en getooid met vele juwelen en parels. Alle vrienden en verwanten van de koning kwamen het huwelijk bijwonen, zijn ministers en vele brahmanen en burgers, en ze namen ieder hun plaats in naar hun rang. Met die menigte van voorname mannen, met zijn binnenplaats bestrooid met lotussen en lelies, met rijen soldaten en rondom behangen met diamanten en edelstenen leek het paleis van Drupada op een hemelgewelf vol stralende sterren.

De prinsen uit het geslacht van Kuru hadden gebaad en de gebruikelijke riten verricht. Jong, met oorringen, in rijke gewaden en geurend van sandelpasta kwamen ze met hun huispriester Dhaumya een voor een, in de juiste volgorde, de trouwzaal binnen, blij als stieren die een weide met koeien op gaan.

Dhaumya, die de Veda's goed kende, ontstak het heilige vuur en goot er onder de voorgeschreven mantra's geklaarde boter in. Hij riep Yudhishthira bij zich en verbond hem met mantra's aan Draupadi. De bruidegom en de bruid liepen om het vuur heen en namen elkaars hand. Toen hun verbintenis voltrokken was, nam Dhaumya afscheid van Yudhishthira en verliet het paleis. Daarna namen de andere prinsen, dag na dag, de een na de ander, met hulp van die priester de hand van Draupadi.

Een rishi heeft iets buitengewoon wonderlijks over die huwelijken verteld: naar men zegt was de slanke prinses na elk huwelijk de volgende dag weer maagd.

Toen de huwelijken voorbij waren, gaf Drupada de prinsen veel kostbaars. Hij gaf hun honderd wagens met gouden vaandels, elk getrokken door vier paarden met gouden teugels. Hij gaf hun honderd olifanten, allemaal met gunstige tekens op hun slapen en koppen. Hij gaf hun ook honderd dienaressen, allemaal in de bloei van hun jeugd, in prachtige gewaden, met sieraden en bloemenkransen. En met het heilige vuur als getuige van zijn gaven gaf hij ieder van die prinsen veel rijkdom, kostbare gewaden en stralende sieraden. Nu de zonen van Pandu Draupadi hadden, als een tweede Shri, en grote rijkdom, brachten ze hun dagen in vreugde door in de hoofdstad van de koning van de Panchala's.

Door zijn verbond met de Pandava's was Drupada van al zijn angsten bevrijd; zelfs voor de goden was hij niet meer bang. De vrouwen van zijn huis kwamen naar Kunti toe, stelden zich aan haar voor met hun namen en bogen zich tot haar voeten, met hun hoofd tegen de grond. Ook Draupadi, gekleed in rode zijde en met de gunstige draad nog om haar polsen, groette haar schoonmoeder eerbiedig en stond tevreden met gevouwen handen voor haar.

Kunti hield van haar schoondochter, die zo mooi was, alle gunstige tekens droeg en een lief karakter en een goede aard had, en ze wenste haar alle heil toe. Ze begon met de vrouwen die om hun trouw aan hun man bekendstaan.

'Wees voor je mannen wat Shachi is voor Indra, Svaha voor Agni, Rohini, de ster, voor Soma, Damayanti voor Nala, Bhadra voor Kubera, Arundhati voor Vasishtha en Lakshmi, die ook Shri heet, voor Narayana. Word de moeder van dappere kinderen die lang leven, lief kind, en bezit alles wat je gelukkig kan maken. Ik wens dat geluk en welvaart je altijd vergezellen. Dien altijd je mannen, die grote offers brengen. Wees je mannen toegewijd. Breng je dagen door met het ontvangen en eren van gasten en vreemdelingen die bij je komen, van de goeden en de ouden, van kinderen en meerderen. Laat je samen met je man Yudhishthira, de rechtvaardige, tot koningin wijden van het rijk en de hoofdstad van Kurujangala, het land van de Kuru's. Laat de hele aarde, veroverd door de kracht van je sterke mannen, door jou bij het paardenoffer aan de brahmanen worden weggegeven, dochter. Welke edelstenen met bijzondere eigenschappen er ook op aarde zijn, krijg ze allemaal, en wees honderd jaar lang gelukkig. En zoals ik me vandaag verheug nu ik je in rode zijde zie, zo zal ik me opnieuw verheugen als ik je moeder van een zoon zie worden.'

Toen de zonen van Pandu getrouwd waren, stuurde Krishna hun als geschenk gouden sieraden met parels en lapis lazuli. Hij stuurde hun ook kostbare gewaden uit vele landen, veel mooie, zachte dekens en fijne huiden, rijke bedden, tapijten en voertuigen. Hij stuurde hun honderden vaten ingelegd met edelstenen en diamanten. Hij gaf hun duizenden dienaressen uit vele landen, mooi, jong en bekwaam en met elk sieraad getooid. Hij gaf hun ook veel goed afgerichte olifanten uit het land van Madra, veel prachtige paarden met fraai tuig, en wagens van ivoor, versierd met mooie gouden banden. Krishna, die de asura Madhu doodde, stuurde hun ook zuiver goud, tientallen miljoenen, in afzonderlijke hopen. Om Krishna een genoegen te doen, nam Yudhishthira al die geschenken aan.

Boek 2 · De leerjaren

  1. Deel I · De rivalen
  2. 1De ring in de put
  3. 2Het toernooi
  4. 3Het huis van lak
  5. 4De grasspriet
  6. Deel II · Draupadi
  7. 5De dochter uit het vuur
  8. 6De huispriester
  9. 7Het schot
  10. 8Vijf Indra's
    1. Deel het samen
    2. De wapens
    3. Vier stemmen
    4. Vijf Indra's
    5. Het huwelijk
  11. Deel III · Indraprastha
  12. 9Waar Krishna is
  13. 10Tilottama
  14. 11De ontvoering
  15. 12Gandiva
  16. 13De brand

Alles in boek 2 · Alle boeken