
Hoofdstuk zes
De huispriester
Blijf, als je kunt
Boek 2 · De leerjaren · Deel II, Draupadi · 27 min. lezen
'Ik wil meer horen over de rishi die je Vasishtha noemde,' zei Arjuna, want wat hij over de kracht van Vasishtha's ascese had gehoord, had hem nieuwsgierig gemaakt. 'Vertel me alles over hem, koning van de gandharva's. Wie was die rishi, de huispriester van onze voorvaders?'
'Vasishtha is de zoon die Brahma uit zijn geest voortbracht,' antwoordde de gandharva, 'en de man van Arundhati. Begeerte en Woede, die zelfs de onsterfelijken moeilijk overwinnen, had hij met zijn ascese bedwongen, en ze wreven zijn voeten. Vishvamitra had hem zwaar gekrenkt en zijn woede gewekt, en toch roeide Vasishtha de Kushika's niet uit, het geslacht van Vishvamitra. Toen hij om het verlies van zijn zonen treurde, deed hij Vishvamitra niets aan dat hem had kunnen vernietigen, alsof hij machteloos was, al was hij dat niet. Zoals de oceaan zijn kusten niet overschrijdt, zo overschreed Vasishtha de wetten van Yama niet door zijn kinderen uit het rijk van de doden terug te halen. Doordat ze hem hadden, de man die zichzelf overwonnen had, konden Ikshvaku, de stamvader van een groot koningsgeslacht, en andere koningen de hele aarde verwerven. Met Vasishtha als huispriester brachten die koningen vele grote offers, en hij hielp hen daarbij. Zoek daarom ook zelf een geleerde brahmaan die zijn zinnen beheerst en dharma, voorspoed en verlangen kent, en maak hem je huispriester, Arjuna: wie de aarde wil veroveren, moet een brahmaan voor zich uit laten gaan.'
'Gandharva,' zei Arjuna, 'waar kwam de vijandschap tussen Vishvamitra en Vasishtha vandaan, die toch allebei in een hemelse hermitage woonden? Vertel ons er alles over.'
'Het verhaal van Vasishtha geldt in de drie werelden als een purana, een van de oude overleveringen,' zei de gandharva.
En de gandharva vertelde.
In Kanyakubja regeerde een vermaard koning, Gadhi, de zoon van Kushika. De rechtvaardige Gadhi had een zoon, Vishvamitra, met een groot leger en vele dieren en wagens. Met zijn ministers zwierf Vishvamitra door de diepe wouden en over de mooie moerassen, op jacht naar herten en wilde zwijnen. Toen hij eens op jacht was, raakte hij uitgeput van vermoeidheid en dorst, en zo kwam hij bij de hermitage van Vasishtha.
Vasishtha zag de koning aankomen en ontving hem met alle eer. Hij bood hem water aan om zijn gezicht en zijn voeten te wassen, en arghya, en wilde vruchten en offerboter. Want de rishi had een koe, Nandini, die hem alles gaf wat hij van haar vroeg. Als men tegen haar zei: 'Geef!', dan gaf ze wat men zocht: allerlei vruchten en graan, uit het wild of van akkers en tuinen, en melk, en voedzame gerechten met alle zes smaken, en van alles om te drinken en te eten, te likken en te zuigen, en ook kostbare edelstenen en allerlei kleren. Met al die begeerlijke dingen werd Vishvamitra in overvloed onthaald, en hij, zijn minister en zijn troepen genoten ervan. Vishvamitra keek verwonderd naar die koe, naar haar mooie flanken en heupen, haar grote, volle ogen, haar hoge uier, haar rechte, opgerichte oren, haar sierlijke hoorns, haar sterke kop en hals. Ze was volmaakt gebouwd.
Vishvamitra prees de koe. 'Brahmaan,' zei hij tegen Vasishtha, 'geef me uw Nandini, in ruil voor tien miljoen koeien of voor mijn koninkrijk. Neem mijn koninkrijk, en geef mij uw koe.'
'Deze koe houd ik voor de goden, de gasten en de voorouders,' zei Vasishtha, 'en voor mijn offers. Ik kan Nandini niet weggeven, zelfs niet voor je koninkrijk.'
'Ik ben een kshatriya, en jij bent een brahmaan, die leeft voor ascese en studie. Wat voor kracht hebben brahmanen, die vreedzaam zijn en zichzelf beheersen? Als jij me niet geeft wat ik wil, zelfs niet voor tien miljoen koeien, dan blijf ik trouw aan de gewoonte van mijn stand: dan neem ik je koe met geweld.'
'Je bent een kshatriya met sterke armen,' zei Vasishtha, 'en je hebt de macht. Doe maar snel wat je wilt, en sta er niet bij stil of het juist is.'
Vishvamitra greep de witte Nandini en probeerde haar mee te voeren. Hij sloeg haar met zwepen en joeg haar op. De onschuldige Nandini begon klaaglijk te loeien, en ze ging voor Vasishtha staan, met haar kop naar hem opgeheven. Hoe wreed ze ook werd mishandeld, ze weigerde de hermitage van de rishi te verlaten.
'Nandini,' zei Vasishtha, 'je loeit steeds weer, en ik hoor je klagen. Maar Vishvamitra neemt je met geweld mee. Wat kan ik eraan doen? Ik ben een brahmaan die vergeeft.'
De soldaten van Vishvamitra joegen Nandini angst aan, en Vishvamitra zelf nog meer. Ze kwam nog dichter bij de rishi staan. 'Waarom laat u me zo aan mijn lot over,' zei ze, 'nu de wrede soldaten van Vishvamitra me slaan en ik klaag alsof ik geen meester heb?'
Vasishtha verloor zijn geduld niet en bleef zijn gelofte trouw: hij zou vergeven. 'De kracht van een kshatriya zit in zijn lichaam,' zei hij, 'die van een brahmaan in vergevingsgezindheid. Die kan ik niet opgeven. Ga dan, Nandini, als je wilt.'
'Verstoot u me, dat u dat zegt? Als u me niet verstoot, brahmaan, kan niemand me met geweld meenemen.'
'Ik verstoot je niet,' zei Vasishtha. 'Blijf, als je kunt. Kijk, daar staat je kalf, vastgebonden met een sterk touw, en het wordt er al zwak van.'
Toen Nandini het woord 'blijf' hoorde, hief ze haar kop en haar hals omhoog. Haar ogen werden rood van woede, en onophoudelijk loeiend viel ze de troepen van Vishvamitra van alle kanten aan. Ze sloegen haar met hun zwepen, en ze rende heen en weer. Uit haar staart liet ze een regen van gloeiende kolen neerkomen. En even later bracht ze uit haar staart een leger Pahlava's voort, uit haar uier een leger Dravida's en Shaka's, uit haar schoot een leger Yavana's, uit haar mest een leger Shabara's, uit haar urine een leger Kanchi's, en uit haar flanken een leger Barbara's. Uit het schuim van haar mond kwamen scharen Paundra's en Kirata's, Yavana's en Sinhala's, Khasa's en Chivuka's, Pulinda's en China's, Huna's en Kerala's, en vele andere mleccha's, de volken buiten de orde van de Veda.
Dat grote leger van mleccha's, in allerlei kleding en met allerlei wapens, stelde zich op zodra het ontstond, voor de ogen van Vishvamitra, en viel zijn soldaten aan. Het was zo talrijk dat iedere soldaat van Vishvamitra door zes of zeven vijanden werd aangevallen. Onder een zware regen van wapens braken de troepen van Vishvamitra, en ze vluchtten in paniek alle kanten op, voor de ogen van hun koning. Maar de troepen van Vasishtha doodden er niet één, hoe woedend ze ook waren. Nandini liet het leger van de koning alleen verslaan en verjagen. De soldaten werden ver van de hermitage weggedreven, ze schreeuwden het uit in hun angst en zagen niemand die hen kon beschermen.
Vishvamitra zag wat de kracht van een brahmaan vermocht, en hij walgde van de kracht van een kshatriya. 'Weg met de kracht van de kshatriya!' zei hij. 'De kracht van de brahmaan is de ware kracht! Als ik kracht en zwakte tegen elkaar afweeg, zie ik dat ascese de ware kracht is.'
Hij liet zijn grote rijk en zijn koninklijke pracht achter, keerde alle genoegens de rug toe en richtte zijn geest op ascese. Zijn ascese slaagde. Met de hitte ervan vulde hij de drie werelden en kwelde hij alle schepselen, en ten slotte werd hij een brahmaan.
'Zo werd Vishvamitra toch een brahmaan,' zei de gandharva, 'en hij dronk de soma met Indra zelf.'
De smalle weg
De twist tussen Vasishtha en Vishvamitra was daarmee niet voorbij, en de gandharva vertelde verder.
Er was een koning, Kalmashapada, de zoon van Sudasa, uit het geslacht van Ikshvaku, die op aarde zijn gelijke niet had in kracht. Op een dag trok hij uit zijn hoofdstad de wouden in om te jagen, en hij doorboorde met zijn pijlen vele herten en wilde zwijnen, en in die diepe wouden doodde hij ook veel neushoorns. Na een lange jacht was hij doodmoe, en hij hield op om wat te rusten.
Vishvamitra had deze koning kort daarvoor als leerling willen hebben: hij wilde de offers voor hem brengen. Terwijl de koning, hongerig en dorstig, door het woud liep, kwam hem op hetzelfde pad een rishi tegemoet: Shakti, de oudste van de honderd zonen van Vasishtha, die het geslacht van zijn vader voortzette.
'Ga opzij,' zei de koning.
'Koning,' zei Shakti vriendelijk, want hij wilde hem gunstig stemmen, 'dit is mijn weg. Het is de eeuwige regel van de dharma, die in ieder leerboek over de plicht staat: een koning moet altijd opzijgaan voor een brahmaan.'
Zo stonden ze tegenover elkaar, en het ging om de weg. 'Ga opzij! Ga opzij!' zeiden ze tegen elkaar. De rishi, die in zijn recht stond, week niet, en de koning week niet voor hem, uit trots en woede. Hij gedroeg zich als een rakshasa: hij sloeg de rishi met zijn zweep. Shakti was buiten zichzelf, en hij vervloekte de koning ter plekke.
'Slechtste van alle koningen, omdat jij een asceet mishandelt als een rakshasa, zul je vanaf vandaag een rakshasa zijn die van mensenvlees leeft! Ga! Je zult over de aarde zwerven in de gedaante van een mens!'
In die tijd twistten Vishvamitra en Vasishtha erom wie van hen de koning als leerling zou hebben. Met het innerlijk oog dat zijn zware ascese en zijn grote kracht hem gaven, zag Vishvamitra dat de koning en de zoon van Vasishtha ruzie hadden. Hij kwam naar die plek. Pas toen de vloek was uitgesproken, begreep de koning dat de rishi een zoon van Vasishtha was, met dezelfde kracht als Vasishtha zelf. Vishvamitra bleef daar, op zijn eigen voordeel uit, en maakte zich onzichtbaar voor hen allebei. De vervloekte koning wilde Shakti gunstig stemmen en begon hem nederig te smeken. Vishvamitra zag hoe de koning gestemd was, en uit angst dat het geschil zou worden bijgelegd, beval hij een rakshasa het lichaam van de koning binnen te gaan. Een rakshasa die Kinkara heette, drong in hem binnen, gedreven door de vloek van Shakti en het bevel van Vishvamitra. En toen Vishvamitra wist dat de rakshasa bezit had genomen van de koning, verliet hij die plek.
Niet lang daarna was de koning, bezeten en gekweld door de rakshasa, zijn verstand kwijt. Een brahmaan die honger had, zag hem in het woud en vroeg hem om eten met vlees.
'Wacht hier even, brahmaan,' zei koning Kalmashapada, die altijd goed was voor zijn vrienden. 'Als ik terugkom, geef ik je te eten wat je maar wilt.'
De koning ging weg, en de brahmaan bleef wachten. Toen de koning een tijd naar believen had rondgezworven, ging hij ten slotte naar zijn vertrekken in het paleis. Midden in de nacht werd hij wakker, en hij herinnerde zich zijn belofte. Hij liet zijn kok komen en vertelde hem wat hij de brahmaan in het woud had beloofd.
'Ga naar dat woud,' beval hij. 'Daar wacht een brahmaan op eten van mij. Geef hem eten met vlees.'
De kok ging op zoek naar vlees. Hij vond niets, en bezorgd meldde hij het de koning. Maar de koning, bezeten door de rakshasa, zei keer op keer, zonder enige aarzeling: 'Geef hem mensenvlees.'
'Goed,' zei de kok. Hij ging naar de plaats waar de beulen van de koning waren, nam daar mensenvlees mee, waste het, kookte het zorgvuldig, bedekte het met gekookte rijst en zette het de hongerige brahmaan voor, die in ascese leefde. Maar de brahmaan zag met zijn innerlijk oog dat het eten onrein was en dat niemand het mocht eten, en met ogen rood van woede zei hij: 'Die ellendige koning zet me voedsel voor dat onrein is en dat niemand mag eten. Daarom zal hij zelf naar zulk voedsel verlangen. Hij zal verzot raken op mensenvlees, zoals Shakti hem al heeft vervloekt, en hij zal over de aarde zwerven en alle schepselen schrik aanjagen en kwellen.'
Dat was de tweede vloek over de koning, en nu kreeg ze volle kracht. De aard van een rakshasa nam bezit van hem, en al snel had hij zichzelf niet meer in de hand.
Even later kwam de koning Shakti weer tegen, die hem vervloekt had. 'Jij hebt me deze ongehoorde vloek opgelegd,' zei hij. 'Daarom begin ik mijn leven als menseneter met jou.' Meteen doodde hij Shakti, en hij at hem op, zoals een tijger het dier opeet waar hij op belust is. Vishvamitra zag dat Shakti gedood en opgegeten was, en keer op keer hitste hij de rakshasa in de koning op tegen de andere zonen van Vasishtha. En de rakshasa verslond al die zonen van Vasishtha die jonger waren dan Shakti.
Vasishtha hoorde dat al zijn zonen gedood waren en dat Vishvamitra het zo beschikt had, en hij droeg zijn verdriet geduldig. Hij wilde liever zijn eigen leven opgeven dan in woede het geslacht van de Kushika's uitroeien. Hij wierp zich van de top van de Meru, maar hij kwam op de rotsige grond terecht alsof het een hoop katoen was. Toen hij merkte dat hij de val had overleefd, stak hij een groot vuur aan in het woud, en hij stapte er gretig in. Maar hoe fel het vuur ook brandde, het verteerde hem niet: het laaiende vuur voelde koel aan. Toen zag hij de zee. Hij bond een zware steen om zijn hals en wierp zich in het water. Maar de golven wierpen hem weer op het strand. Toen hij er op geen enkele manier in slaagde zich te doden, keerde hij ten slotte met een gebroken hart terug naar zijn hermitage.
Hij zag zijn hermitage leeg, zonder zijn kinderen, en hij verliet haar weer. Onderweg zag hij een rivier, gezwollen door het water van de regentijd, die ontelbare bomen en planten van haar oevers meesleurde. Hij dacht dat hij in dat water wel zou verdrinken, en hij bond zich stevig vast met touwen en wierp zich in de stroom. Maar de stroom maakte de touwen los en wierp de rishi op de oever. Hij kwam overeind, vrij van zijn banden, en omdat de stroom ze had losgemaakt, gaf hij de rivier de naam Vipasha, de touwbreekster. Van toen af kon Vasishtha nergens meer blijven. Hij zwierf langs bergen, rivieren en meren. En toen hij een rivier zag die Haimavati heette, omdat ze uit de Himalaya kwam, een woeste rivier vol krokodillen en andere waterdieren, wierp hij zich daarin. Maar de rivier hield Vasishtha voor een massa vuur en vluchtte in honderd richtingen uiteen, en sindsdien heet ze de Shatadru, de rivier van de honderd stromen. Ook daar vond hij zich terug op het droge. 'Ik kan niet sterven door mijn eigen hand!' riep hij.
Vasishtha ging opnieuw op weg naar zijn hermitage. Hij trok over ontelbare bergen en door vele landen, en toen hij bijna bij zijn hermitage was, volgde Adrishyanti hem, zijn schoondochter. Terwijl ze dichterbij kwam, hoorde hij achter zich iemand de Veda's opzeggen, verstandig en met de zes schoonheden van de voordracht.
'Wie volgt me?' vroeg Vasishtha.
'Ik ben Adrishyanti, de vrouw van Shakti. Ik heb niemand meer, al leef ik in ascese.'
'Dochter,' zei Vasishtha, 'van wie is de stem die ik hoorde, die de Veda's met hun hulpwetenschappen opzegt, net zoals Shakti ze opzei?'
'Ik draag een kind van uw zoon Shakti in mijn schoot. Het is er al twaalf jaar. De stem die u hoort, is die van dat kind: het zegt de Veda's op.'
'Er is een kind van mijn geslacht!' riep Vasishtha, en hij zag af van zelfdoding. Met zijn schoondochter keerde hij terug naar zijn hermitage.
Op een dag zag Vasishtha in de eenzame wouden Kalmashapada. De koning, bezeten door een woeste rakshasa, zag de rishi en kwam overeind om hem te verslinden. Adrishyanti zag de rakshasa met zijn wrede daden voor zich, en ze zei tegen Vasishtha:
'Die wrede rakshasa komt met een houten knots in zijn hand op ons af, als de doodsgod zelf met zijn knots! Er is niemand op aarde behalve u die hem vandaag kan tegenhouden. Bescherm me tegen die ellendeling met zijn gruwelijke gezicht. Hij komt ons verslinden!'
'Wees niet bang, dochter,' zei Vasishtha. 'Je hoeft voor geen enkele rakshasa bang te zijn. Dit is geen rakshasa, al vrees je dat gevaar. Dit is koning Kalmashapada: hij is sterk, en de hele aarde kent hem. Die gevreesde man woont in deze wouden.'
Toen de koning op hem afkwam, hield Vasishtha hem tegen met de klank 'hum'. Daarna besprenkelde hij hem met water dat hij met mantra's had geheiligd, en zo bevrijdde hij de koning van de vloek. Twaalf jaar lang was de koning overweldigd geweest door de kracht van de zoon van Vasishtha, zoals de zon bij een verduistering in de greep is van Rahu, het hoofd dat zon en maan verslindt. Nu hij van de rakshasa bevrijd was, verlichtte hij met zijn glans dat grote woud. Hij kwam weer bij zijn verstand, groette de rishi met gevouwen handen en zei: 'Ik ben de zoon van Sudasa, en ik ben uw leerling. Zeg me wat u wilt en wat ik moet doen.'
'Mijn wens is al vervuld,' zei Vasishtha. 'Ga nu terug naar je koninkrijk en regeer over je onderdanen. En beledig nooit meer brahmanen.'
'Ik zal nooit meer brahmanen beledigen. Zoals u beveelt, zal ik de brahmanen altijd eren. Maar ik wil van u iets waardoor ik mijn schuld aan het geslacht van Ikshvaku kan aflossen. Ga, zodat het geslacht van Ikshvaku voortbestaat, naar mijn koningin, die mooi en deugdzaam is, en geef haar het kind dat ik wens.'
'Ik zal het je geven,' zei Vasishtha.
Enige tijd later ging Vasishtha met de koning naar diens hoofdstad, die over de hele aarde bekend was onder de naam Ayodhya. De burgers kwamen de rishi tegemoet. Na lange tijd trok de koning met Vasishtha zijn stad weer binnen, en de burgers van Ayodhya zagen hun koning met zijn huispriester. De straten waren besprenkeld en geveegd, overal hingen vlaggen en wimpels, en de stad was vol blije en gezonde mensen.
Toen de koning in zijn hoofdstad was, ging de koningin op zijn bevel naar Vasishtha. Toen haar vruchtbare tijd gekomen was, verenigde Vasishtha zich met haar, volgens een goddelijk voorschrift. Toen de koningin zwanger was, ontving de rishi de eerbiedige groet van de koning en keerde hij terug naar zijn hermitage. De koningin droeg het kind lang in haar schoot. Toen ze zag dat er niets geboren werd, scheurde ze haar schoot open met een steen.
'Zo werd in het twaalfde jaar Ashmaka geboren, naar de steen,' zei de gandharva, 'een koning en een wijze, die de stad Paudanya stichtte.'
Vader
Ook over wat er daarna in de hermitage van Vasishtha gebeurde, vertelde de gandharva.
Adrishyanti woonde in de hermitage van Vasishtha, en toen haar tijd gekomen was, baarde ze een zoon die het geslacht van Shakti voortzette en in alles een tweede Shakti was. Vasishtha voerde zelf de riten uit die na de geboorte van zijn kleinzoon horen. Hij had besloten zichzelf te doden en had daarvan afgezien zodra hij hoorde dat dit kind bestond. Het kind had zijn grootvader in het leven gehouden, en daarom noemden ze het Parashara, hij die de doden weer tot leven wekt. Het was dezelfde Parashara die later de vader van Vyasa zou worden.
Van de dag van zijn geboorte af beschouwde Parashara Vasishtha als zijn vader, en zo gedroeg hij zich ook tegenover hem. Op een dag noemde het kind Vasishtha, in het bijzijn van zijn moeder, 'vader'. Het woord klonk lief en duidelijk, en Adrishyanti kreeg tranen in haar ogen.
'Kind, noem je grootvader geen vader. Je vader is in een ander woud door een rakshasa opgegeten, mijn jongen. Hij die je voor je vader houdt, is je vader niet. Deze eerbiedwaardige man is de vader van je vader.'
Parashara gaf zich over aan zijn verdriet. Maar al snel ontstak hij in woede, en hij besloot de hele schepping te vernietigen. Toen richtte Vasishtha, de zoon van Mitra en Varuna, zich tot zijn kleinzoon, die zijn hart op de vernietiging van de wereld had gezet.
'Let nu op de redenen waarmee Vasishtha zijn kleinzoon dat besluit uit het hoofd praatte,' zei de gandharva tegen Arjuna.
En Vasishtha vertelde zijn kleinzoon dit verhaal.
Er was een koning die Kritavirya heette, en zijn naam was overal bekend. Hij was de leerling van de Bhrigu's, de nazaten van de rishi Bhrigu, die de Veda kenden, en zij brachten zijn offers. Na een soma-offer beloonde hij de brahmanen met royale gaven van rijst en rijkdom. Toen die koning was opgenomen in de hemel van de goden, kwam er een tijd dat zijn nazaten geld nodig hadden. Ze wisten dat de Bhrigu's rijk waren, en ze gingen naar hen toe, verkleed als bedelaars. Sommige Bhrigu's begroeven hun rijkdom in de grond om hem te beschermen, sommige gaven hun rijkdom uit angst voor de kshatriya's aan andere brahmanen, en sommige gaven de kshatriya's netjes wat ze wilden.
Maar toen de kshatriya's in het huis van een van de Bhrigu's naar believen aan het graven waren, vonden ze een grote schat, en alle kshatriya's die erbij waren, zagen hem. Ze vonden dat de Bhrigu's hen bedrogen hadden en werden woedend. Ze beledigden de brahmanen, al smeekten die om hun leven, en ze begonnen de Bhrigu's met hun scherpe pijlen af te slachten. De kshatriya's trokken over de aarde en doodden zelfs de ongeboren kinderen in de schoot van de vrouwen van het geslacht van Bhrigu.
Terwijl het geslacht van Bhrigu zo werd uitgeroeid, vluchtten de vrouwen van dat geslacht naar de ontoegankelijke bergen van de Himalaya. Een van hen wilde het geslacht van haar man laten voortbestaan, en ze droeg een ongeboren kind met grote kracht in haar dij. Maar een brahmaanse vrouw kwam het te weten, en uit angst ging ze naar de kshatriya's en vertelde het hun. De kshatriya's gingen op weg om het kind te doden. Toen ze bij die plek kwamen, zagen ze de aanstaande moeder, die laaide van de kracht die in haar was. En het kind in haar dij kwam naar buiten; het scheurde de dij open, en het verblindde de ogen van de kshatriya's als de zon op het middaguur.
De kshatriya's hadden hun ogen verloren en dwaalden rond door die ontoegankelijke bergen. Ze wilden hun zicht terug, en ze besloten bescherming te zoeken bij de moeder van het kind. Bang gingen ze naar haar toe.
'Wees ons goedgezind,' zeiden ze. 'We willen ons zicht terug. Dan gaan we allemaal samen naar huis, en we zullen dit kwaad nooit meer doen. Heb medelijden met ons, u en uw kind. Geef deze koningen hun ogen terug.'
Het vuur in het water
De gandharva ging verder met het verhaal dat Vasishtha zijn kleinzoon Parashara vertelde.
'Kinderen,' zei de moeder van Aurva tegen de blinde kshatriya's, 'ik heb jullie je zicht niet afgenomen, en ik ben niet boos op jullie. Maar dit kind uit het geslacht van Bhrigu is wel boos op jullie. Het is dat kind dat jullie je zicht heeft ontnomen, daar twijfel ik niet aan, want zijn woede ontvlamde toen het dacht aan de slachting van zijn geslacht. Kinderen, terwijl jullie zelfs de ongeboren kinderen van de Bhrigu's doodden, droeg ik dit kind honderd jaar in mijn dij. En om de oude glans van het geslacht van Bhrigu te herstellen, kwamen de Veda's met al hun hulpwetenschappen al tot hem toen hij nog in de schoot was. Het is duidelijk: hij is woedend om de slachting van zijn vaders, en hij wil jullie doden. Door zijn hemelse gloed zijn jullie ogen verschroeid. Smeek daarom dit kind van mij, dat uit mijn dij geboren is. Als jullie hem eer bewijzen, geeft hij jullie misschien je zicht terug.'
Al die koningen richtten zich tot het kind dat uit de dij geboren was. 'Wees ons goedgezind!' zeiden ze. En het kind was hun goedgezind. Omdat hij geboren was door de dij van zijn moeder open te scheuren, werd hij in de drie werelden bekend onder de naam Aurva, de dijgeborene. De koningen kregen hun zicht terug en gingen weg.
Maar Aurva besloot de hele wereld te onderwerpen, en hij zette zijn hart op de vernietiging van ieder schepsel. Om zijn afgeslachte voorvaders eer te bewijzen, zoals hij meende, en om hun een genoegen te doen, wijdde hij zich aan de strengste ascese, en daarmee kwelde hij de drie werelden, de goden, de asura's en de mensen. Toen de voorouders hoorden wat het kind van hun geslacht van plan was, kwamen ze allemaal uit hun eigen wereld naar hem toe.
'Aurva, zoon,' zeiden ze, 'je ascese was fel. We hebben je macht gezien. Wees de drie werelden goedgezind. Bedwing je woede. Het was niet uit onmacht, kind, dat de Bhrigu's, die zichzelf volkomen beheersten, allemaal onverschillig bleven toen de moordzuchtige kshatriya's hen vernietigden. Toen we moe werden van de lange levens die ons gegeven waren, wilden we zelf sterven, en de kshatriya's moesten er het middel toe zijn. De rijkdom die de Bhrigu's onder de grond in hun huis hadden gestopt, lag daar alleen om de kshatriya's woedend te maken en ruzie met hen te zoeken. Wat hadden wij, die naar de hemel van de goden verlangden, aan rijkdom? Kubera, de schatbewaarder van de goden, had een grote schat voor ons bewaard. Toen we merkten dat de dood ons op geen enkele manier kon bereiken, zagen we dit als de beste weg. Want wie zichzelf doodt, bereikt nooit de goede werelden. Daarom hebben we ons niet zelf van het leven beroofd. Wat jij nu wilt doen, bevalt ons niet. Houd je hart ver van het kwaad om de hele wereld te vernietigen. Dood de kshatriya's niet, kind, en de zeven werelden niet. Dood liever je woede, die je ascese bezoedelt.'
'Voorouders,' antwoordde Aurva, 'de gelofte die ik in mijn woede heb gedaan, alle werelden te vernietigen, mag niet vergeefs zijn. Ik kan niet iemand worden wiens woede en geloften niets uithalen. Als ik mijn gelofte niet vervul, zal mijn woede mij verteren, zoals vuur droog hout verteert. Wie een woede onderdrukt die een echte oorzaak heeft, kan de drie doelen van het leven niet bereiken: dharma, voorspoed en verlangen. De woede van koningen die de hele aarde willen onderwerpen, is niet zonder nut: ze houdt de slechten in toom en beschermt de goeden.
Toen ik nog ongeboren in de dij van mijn moeder lag, hoorde ik het jammeren van mijn moeder en van de andere vrouwen van het geslacht van Bhrigu, die door de kshatriya's werden uitgeroeid. Toen die ellendige kshatriya's de Bhrigu's uitroeiden, samen met hun ongeboren kinderen, vulde de woede mijn hart. Mijn moeder en de andere vrouwen van ons geslacht, allemaal hoogzwanger, en mijn vader, die doodsbang was, vonden in alle werelden niemand die hen beschermde. En omdat ze geen beschermer hadden, verborg mijn moeder mij in haar dij.
Als er in de werelden iemand is die misdaden straft, durft niemand in de werelden een misdaad te begaan. Vindt de misdadiger niemand die straft, dan worden de kwaaddoeners talrijk. Wie de macht heeft kwaad te verhinderen of te straffen, en het niet doet terwijl hij weet dat het begaan is, wordt zelf door dat kwaad besmeurd. De koningen en de anderen die mijn vaders hadden kunnen beschermen, deden het niet: ze stelden die plicht uit, omdat ze de genoegens van het leven verkozen. Daarom heb ik reden om woedend op hen te zijn. Ik heb de macht om het onrecht in de schepping te straffen. Maar uw woord kan ik niet naast me neerleggen. Als ik dit onrecht kan straffen en het toch niet doe, zullen de mensen opnieuw zo vervolgd worden. En het vuur van mijn woede, dat klaarstaat om de werelden te verteren, zal mij met zijn eigen kracht verteren als ik het onderdruk. Ik weet dat u altijd het welzijn van de werelden zoekt. Zeg me dan wat goed is voor mij en voor de werelden.'
'Werp dit vuur dat uit je woede geboren is en de werelden wil verteren, in het water,' antwoordden de voorouders. 'Dat zal je goed doen. De werelden hangen allemaal van het water af: alles wat sap heeft, bevat water, en alles wat bestaat is van water gemaakt. Werp daarom het vuur van je woede in het water, brahmaan. Laat dit vuur dat uit je woede geboren is, als je wilt, in de grote oceaan wonen en daar het water verteren, want men zegt dat de werelden van water gemaakt zijn. Zo blijft je woord waar, en worden de werelden met de goden niet vernietigd.'
Toen wierp Aurva het vuur van zijn woede in de woning van Varuna, de god van de wateren. Dat vuur, dat het water van de grote oceaan verteert, werd als een grote paardenkop, en wie de Veda kennen, noemen het Vadavamukha, de muil van de merrie. Uit die muil slaat het vuur naar buiten, en het verteert het water van de wijde oceaan.
'Ik wens je alle goeds, Parashara,' zei Vasishtha tegen zijn kleinzoon. 'Jij kent de hogere werelden, en je bent wijs. Vernietig daarom de werelden niet.'
Het vierde vuur
Toen vertelde de gandharva hoe het met Parashara afliep.
Parashara hield zich aan de woorden van Vasishtha: hij bedwong zijn woede en vernietigde de werelden niet. Maar hij bracht een groot offer waarin hij rakshasa's verbrandde. Hij dacht aan de moord op zijn vader Shakti, en in zijn offer verteerde hij de rakshasa's, jong en oud. Vasishtha hield hem niet tegen: hij had besloten deze tweede gelofte van zijn kleinzoon niet te hinderen. Parashara zat voor de drie offervuren, zelf als een vierde vuur. Grote plengingen offerboter goot hij in zijn smetteloze offer, en het hele hemelgewelf werd erdoor verlicht. Vasishtha en de andere rishi's zagen Parashara stralen in zijn eigen kracht.
Toen kwam de rishi Atri naar die plek, want hij wilde het offer beëindigen, iets wat voor anderen bijna onmogelijk was. En ook Pulastya en Pulaha kwamen, en Kratu, die vele grote offers had gebracht. Net als Atri waren ze zonen die Brahma uit zijn geest had voortgebracht, en van Pulastya stammen de rakshasa's af. Ze wilden allemaal de rakshasa's redden. Pulastya zag dat er al veel rakshasa's gedood waren, en hij zei tegen Parashara:
'Er is toch niets dat je offer hindert, kind? Schep je er genoegen in al die onschuldige rakshasa's te doden, die niets van de dood van je vader weten? Je hoort zo geen schepselen te vernietigen. Dit is niet het werk van een brahmaan die zich aan ascese wijdt. Kalmte is de hoogste dharma. Kom daarom tot rust, Parashara. Hoe kun jij, die zo hoog staat, zo'n kwaad doen? Je mag niet ingaan tegen Shakti zelf, die alle regels van de dharma kende. Je mag geen enkel schepsel uitroeien. Nazaat van Vasishtha, wat je vader overkwam, kwam door zijn eigen vloek. Door zijn eigen fout werd Shakti van hier naar de hemel van de goden gehaald. Geen rakshasa kon Shakti verslinden: hij heeft zijn dood zelf over zich afgeroepen. En Vishvamitra was in die zaak alleen een blind werktuig. Shakti en Kalmashapada zijn allebei opgenomen in de hemel van de goden, en ze genieten daar groot geluk. Ook de andere zonen van Vasishtha, die jonger waren dan Shakti, vermaken zich nu bij de goden. En ook jij, kind, bent in dit offer alleen een werktuig geweest bij de vernietiging van deze onschuldige rakshasa's. Geef je offer op. Laat het eindigen.'
Pulastya had gesproken, en ook de verstandige Vasishtha, en Parashara beëindigde zijn offer. Het vuur dat hij voor het offer van de rakshasa's had aangestoken, wierp hij in de diepe wouden ten noorden van de Himalaya.
'Daar is het nog altijd te zien,' zei de gandharva. 'In elk seizoen verteert het er rakshasa's, bomen en stenen.'
Tranen van vuur
'Gandharva,' vroeg Arjuna, 'waarom beval koning Kalmashapada zijn koningin naar meester Vasishtha te gaan? En waarom verenigde Vasishtha, die elke regel van de dharma kende, zich met een vrouw met wie hij dat niet had mogen doen? Was dat een kwaad van Vasishtha, vriend? Neem mijn twijfels weg. Daarvoor kom ik bij jou.'
'Dan zal ik je vraag over Vasishtha en koning Kalmashapada beantwoorden, Arjuna,' zei de gandharva. 'Ik heb je verteld hoe Shakti, de zoon van Vasishtha, de koning vervloekte.'
En de gandharva vertelde.
Onder de macht van die vloek verliet koning Kalmashapada zijn hoofdstad, met ogen die rolden van woede, en zijn vrouw ging met hem mee. Met haar trok de koning de eenzame wouden in. Op een dag zwierf hij door een woud vol herten en andere dieren, dicht begroeid met grote bomen, struiken en klimplanten, en vol schrikwekkende kreten. Hij kreeg honger en ging op zoek naar iets te eten, en ten slotte zag hij, op een verlaten plek in het woud, een brahmaan en zijn vrouw die met elkaar de liefde bedreven. Toen ze de koning zagen, schrokken ze, en ze vluchtten weg, voordat hun verlangen gestild was. De koning achtervolgde het vluchtende paar en greep de brahmaan met geweld.
Toen de vrouw van de brahmaan zag dat haar man gegrepen was, zei ze tegen de koning: 'Koning, u die uw geloften zo trouw houdt, hoor me aan! De hele wereld weet dat u uit het geslacht van de zon geboren bent, dat u altijd waakzaam de dharma volgt en uw meerderen dient. U mag geen kwaad doen, u die niet te weerstaan bent, ook al heeft de vloek van de rishi u van uw zinnen beroofd. Mijn vruchtbare tijd is gekomen, en omdat ik naar mijn man verlangde, was ik met hem samen. Mijn verlangen is nog niet gestild. Spaar ons, grote koning. Laat mijn man vrij.'
Maar de koning luisterde niet naar haar geroep en verslond wreed haar man. Woede greep de vrouw toen ze het zag, en de tranen die ze stortte, laaiden op als vuur en verbrandden alles op die plek. In haar verdriet om wat haar man was overkomen, vervloekte ze Kalmashapada, die eens een wijze onder de koningen was geweest.
'Ellendeling, jij hebt vandaag, vlak voor mijn ogen, mijn man, die me zo dierbaar was, wreed verslonden, nog voor mijn verlangen gestild was. Daarom zul jij, door mijn vloek getroffen, op slag sterven wanneer je in haar vruchtbare tijd naar je vrouw gaat. En je vrouw zal een zoon baren door zich te verenigen met de rishi Vasishtha, van wie jij de kinderen hebt verslonden. En dat kind zal je geslacht voortzetten.'
De vrouw kwam uit het huis van Angiras en droeg alle gunstige tekens. Toen ze de koning vervloekt had, ging ze voor zijn ogen het laaiende vuur in. Vasishtha wist het meteen, door de kracht van zijn ascese en met zijn innerlijk oog.
Lang daarna, toen de koning van zijn vloek bevrijd was, ging hij in haar vruchtbare tijd naar zijn vrouw Madayanti. Maar Madayanti stuurde hem zacht weg. In zijn hartstocht had de koning niet meer aan die vloek gedacht. Haar woorden deden hem schrikken. Hij herinnerde zich de vloek, en hij had bittere spijt van wat hij had gedaan.
'Daarom, Arjuna,' zei de gandharva, 'stelde de koning Vasishtha aan om bij zijn koningin een zoon te verwekken: de vloek van die brahmaanse vrouw had hem getroffen.'
De huispriester
'Gandharva,' zei Arjuna, 'jij weet alles. Zeg ons dan welke brahmaan die de Veda kent, het waard is onze huispriester te worden.'
'In deze wouden ligt een tirtha die Utkochaka heet, een heilige badplaats waar pelgrims naartoe trekken,' antwoordde de gandharva. 'Daar leeft Dhaumya in ascese, de jongere broer van de rishi Devala. Neem hem als je huispriester, als je wilt.'
Arjuna gaf de gandharva zijn vuurwapen, met de riten die daarbij horen. 'Vriend,' zei hij, 'laat de paarden die je ons geeft, voorlopig bij jou blijven. Als de tijd gekomen is, komen we ze halen. Ik wens je alle goeds.'
De gandharva en de Pandava's groetten elkaar eerbiedig. Ze verlieten de lieflijke oever van de Bhagirathi, en ieder ging waarheen hij wilde. De Pandava's gingen naar de tirtha Utkochaka, naar de hermitage van Dhaumya, om hem aan te stellen als hun purohita, hun huispriester. Dhaumya, die de Veda kende als geen ander, ontving hen met wilde vruchten en eetbare wortels, en hij stemde erin toe.
Met die brahmaan als huispriester voelden de Pandava's en hun moeder, die de zesde van het gezelschap was, zich al zeker van hun heerschappij en hun rijk, en van de dochter van de koning van Panchala, alsof ze haar op de svayamvara al gewonnen hadden. Nu ze meester Dhaumya hadden, wisten de broers zich goed beschermd. En Dhaumya, die de ware betekenis van de Veda kende en elke regel van de dharma, werd de leraar van de rechtvaardige Pandava's en maakte hen tot zijn yajamana's, de mensen voor wie hij de offers bracht. Hij zag die helden, die verstand hadden en kracht en volharding, als goden, en hij wist dat ze door hun eigen deugden alles wat hun toekwam al zo goed als terug hadden.
Toen Dhaumya zijn heilwensen over hen had uitgesproken, besloten de broers met hem naar de svayamvara van de prinses van Panchala te gaan.