Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk vijf

De dochter uit het vuur

Deel 2 · De leerjaren · Boek II, Draupadi · 27 min. lezen

'Brahmaan,' vroeg Janamejaya, 'wat deden de Pandava's nadat ze de rakshasa Baka hadden gedood?'

En Vaishampayana vertelde.

Na de dood van Baka gingen de burgers van Ekachakra terug naar hun huizen, en de Pandava's bleven met hun moeder Kunti in het huis van de brahmaan die hen had opgenomen. Ze gingen nog altijd als brahmanen gekleed en wijdden zich aan de studie van de Veda's. Na een paar dagen kwam er een andere brahmaan om onderdak vragen, een man die zich aan strenge geloften hield. Hun gastheer, die nooit een gast wegstuurde, ontving de nieuwkomer met eerbied en gaf hem een plaats in zijn eigen huis. De broers en Kunti vroegen de gast te vertellen wat hij onderweg had meegemaakt. Hij vertelde over landen en heiligdommen en heilige rivieren, over koningen, over wonderlijke streken en steden. Daarna vertelde hij ook over de svayamvara die Drupada, de koning van Panchala, voor zijn dochter zou houden, een bruidskeuze waarop zij zelf haar man zou kiezen uit de vorsten die erop afkwamen, over de geboorte van Dhrishtadyumna en Shikhandi, kinderen van die koning, en over Draupadi, die niet uit een vrouw geboren was maar bij het grote offer van Drupada.

De Pandava's wilden er meer over weten. 'Brahmaan,' vroegen ze, 'hoe is Dhrishtadyumna, de zoon van Drupada, uit het offervuur geboren? Hoe is Draupadi uit het midden van het offeraltaar gekomen? Hoe heeft de zoon van Drupada alle wapens geleerd van Drona, de grote boogschutter? En hoe is de vriendschap tussen Drona en Drupada gebroken, om wie, en waarom?'

De gast begon bij Drona en Drupada. Ze hadden als jongens samen gespeeld en gestudeerd in de hermitage van Bharadvaja, de vader van Drona, zei hij, en later had Parashurama, de brahmaan met de bijl, Drona al zijn wapens gegeven, en daaronder het meest geëerde van alle wapens, het brahmastra, het wapen van Brahma. Maar toen Drona bij Drupada kwam, die intussen koning was, had die hem als vriend afgewezen: wie geen koning is, kan geen koning als vriend hebben. Drona was naar de Kuru's gegaan, en toen zijn leerlingen de wapens beheersten, had hij van hen geëist wat een leraar toekomt, zijn gurudakshina. 'Drupada, de zoon van Prishata, is koning van Chhatravati,' had hij gezegd, en Chhatravati was een van de steden van Panchala. 'Neem hem zijn rijk af en geef het aan mij.' De Pandava's hadden Drupada in de strijd verslagen en hem met zijn ministers gevangen voor Drona gebracht, vertelde de gast, en hij wist niet dat die Pandava's tegenover hem zaten. Drona had het rijk gedeeld: Drupada kreeg het land ten zuiden van de Ganga, Drona zelf het land ten noorden ervan. 'Laat er voor altijd vriendschap tussen ons zijn, zoals u wilt,' had Drupada gezegd, en ieder was teruggegaan naar waar hij vandaan kwam. Maar de vernedering had de koning geen moment losgelaten. Hij was somber geworden, en hij teerde weg.

En de brahmaan vertelde.

Koning Drupada zwierf langs de hermitages, op zoek naar brahmanen die de offerriten volkomen beheersten. Hij verlangde naar kinderen. 'Ik heb geen kind dat alle anderen overtreft,' zei hij steeds, en: 'Weg met de kinderen die ik heb, en weg met mijn verwanten!' Hij dacht aan niets anders dan aan wraak op Drona, en hij zuchtte zonder ophouden. Hoe lang hij er ook over nadacht, hij zag geen manier om met de kracht van een kshatriya de dapperheid, de tucht, de opleiding en de bekwaamheid van Drona te overwinnen.

Langs de oevers van de Yamuna en de Ganga kwam hij eens bij een heilige hermitage van brahmanen. Er woonde geen brahmaan die niet snataka was en zijn leerjaren met het rituele bad had afgesloten, geen die zich niet aan strenge geloften hield, geen die niet rechtvaardig leefde. Daar zag de koning twee brahmaanse wijzen, de broers Yaja en Upayaja, uit het geslacht van de rishi Kashyapa. Ze leefden streng, hadden hun geest in bedwang en bestudeerden de oude leerboeken, en ze waren bij uitstek in staat de koning te helpen.

Drupada zette alles op alles om de twee broers voor zich te winnen. Hij merkte dat de jongste van de twee de bekwaamste was, en in het geheim diende hij Upayaja. Hij raakte eerbiedig zijn voeten aan, koos altijd vriendelijke woorden en bood hem alles aan wat een mens zich kan wensen. Op een dag zei hij: 'Upayaja, als u voor mij het offer brengt waardoor ik een zoon krijg die Drona kan doden, beloof ik u tien miljoen koeien, of wat u maar wilt. Ik ben bereid u alles te geven.'

'Dat kan ik niet,' zei Upayaja.

Drupada nam geen genoegen met dat antwoord en bleef hem dienen en eren. Na een jaar zei Upayaja zacht: 'Mijn oudere broer, Yaja, raapte eens in het diepe woud een vrucht op die op de grond gevallen was, zonder zich af te vragen of de plek wel rein was. Ik liep achter hem en zag het, en het was hem onwaardig. Hij heeft er geen moeite mee onreine dingen aan te nemen. Toen hij die vrucht opraapte, zag hij er niets verkeerds in, en wie het in één geval niet nauw neemt met reinheid, zal het in andere gevallen ook niet nauw nemen. Toen hij in het huis van zijn leraar woonde en de leerboeken bestudeerde, at hij altijd de onreine restjes van andermans maaltijden. Hij prijst al het eten en walgt nergens van. Daarom denk ik dat mijn broer op wereldse winst uit is. Ga naar hem toe, koning. Hij zal het offer voor u brengen.'

De koning had geen hoge dunk van Yaja, maar hij ging toch naar hem toe. Hij eerde Yaja, die ondanks alles eer verdiende, en zei: 'Meester, breng de riten voor mij, dan geef ik u tachtigduizend koeien. Mijn vijandschap met Drona verschroeit mijn hart; koel het af. Drona kent de Veda's door en door, en hij beheerst het brahmastra. Daarmee heeft hij mij verslagen in een strijd die uit een gebroken vriendschap voortkwam. Hij is verstandig, en nu is hij de voornaamste leraar van de Kuru's. Er is geen kshatriya op de wereld die hem overtreft. Zijn boog is zes el lang en boezemt angst in, en zijn pijlen kunnen elk levend wezen doden. Hij gaat gekleed als een brahmaan en vernietigt toch de macht van de kshatriya's over de hele aarde, als een tweede Parashurama, de zoon van Jamadagni, die gekomen is om het geslacht van de kshatriya's uit te roeien. Niemand op aarde kan de kracht van zijn wapens weerstaan. Drona verenigt de kracht van een brahmaan met die van een kshatriya, en daarmee verteert hij elke tegenstander in de strijd. Maar uw brahmaanse kracht alleen is groter dan de zijne, ook al heeft hij de kracht van een kshatriya erbij. Ik heb alleen de kracht van een kshatriya, en daarom sta ik onder hem. Nu ik u gevonden heb, die de Veda beter kent dan Drona, zoek ik uw hulp. Yaja, breng het offer waardoor ik een zoon krijg die in de strijd onoverwinnelijk is en Drona kan doden. Ik ben bereid u tien miljoen koeien te geven.'

Yaja beloofde het offer te brengen dat Drona's ondergang moest worden. Hij ging na welke riten bij dit bijzondere offer hoorden, en omdat hij wist dat het een zware zaak was, vroeg hij de hulp van Upayaja, die nergens op uit was. Upayaja vertelde koning Drupada wat er allemaal nodig was voor het grote vuuroffer waaruit de koning nakomelingen zou krijgen. 'Koning,' zei hij, 'u zult een kind krijgen zoals u het wilt: dapper, sterk en machtig.'

Drupada, die naar een zoon verlangde die Drona zou doden, liet alles klaarmaken. Toen het gereed was, goot Yaja offerboter in het vuur en riep hij de koningin van Drupada: 'Kom hier, koningin, schoondochter van Prishata! Er zijn een zoon en een dochter voor u gekomen!'

'Brahmaan,' zei de koningin, 'mijn mond is nog vol saffraan en andere geurige dingen, en mijn lichaam draagt nog allerlei zoete geuren. Zo kan ik de geheiligde offerboter die me kinderen moet geven, nauwelijks ontvangen. Wacht even op me, Yaja. Wacht op dat geluk.'

'Of u nu komt of wacht,' zei Yaja, 'waarom zou het doel van dit offer niet bereikt worden? Ik heb de offergave bereid, en Upayaja heeft haar met zijn mantra's geheiligd.'

Hij goot de geheiligde plenging in het vuur, en uit de vlammen rees een kind op dat op een god leek. Het had de gloed van het vuur, en het joeg angst aan. Het droeg een kroon op zijn hoofd, zijn lichaam zat in een prachtig harnas, het had een zwaard in de hand, een boog en pijlen, en het brulde keer op keer. Meteen na zijn geboorte besteeg het een prachtige wagen en reed er een tijd mee rond.

'Prachtig! Prachtig!' riepen de Panchala's, en het leek of de aarde het gewicht van al die uitzinnige Panchala's niet kon dragen. Er klonk een stem uit de lucht, zonder dat iemand te zien was: 'Deze prins is geboren om Drona te vernietigen. Hij zal alle angst van de Panchala's verdrijven en hun roem verbreiden, en hij zal het verdriet van de koning wegnemen.'

Daarna rees uit het midden van het offeraltaar ook een dochter op, de prinses van Panchala, buitengewoon mooi. Haar ogen waren zwart en groot, lang van vorm als lotusbladeren, haar huid was donker, en haar haar was blauwzwart en krulde. Haar nagels waren gewelfd en glansden koperrood, haar wenkbrauwen waren fijn en haar boezem vol. Haar lichaam geurde naar de blauwe lotus, en die geur rook men nog op een krosha afstand, een flink eind lopen. Niemand op aarde was zo mooi als zij. Een god had naar haar kunnen verlangen, of een yaksha, of een danava, een van de asura's. Toen dit meisje met haar mooie heupen geboren werd, zei een stem zonder lichaam: 'Deze donkere vrouw zal boven alle vrouwen staan, en zij zal de ondergang van veel kshatriya's veroorzaken. Deze slanke vrouw zal op haar tijd het doel van de goden volbrengen, en met haar zullen veel gevaren over de Kaurava's komen.'

De Panchala's hoorden het en slaakten een luide leeuwenkreet. De schoondochter van Prishata zag de jongen en het meisje, en ze wilde hen als haar kinderen. Ze ging naar Yaja.

'Laat deze kinderen niemand anders dan mij als hun moeder kennen,' zei ze.

'Goed,' zei Yaja, want hij wilde de koning een goede dienst bewijzen.

De brahmanen die erbij waren, zagen al hun verwachtingen vervuld, en ze gaven de pasgeborenen een naam. 'Laat deze zoon van koning Drupada Dhrishtadyumna heten,' zeiden ze, 'omdat hij zo vermetel is, en omdat hij net als Dyumna met een pantser en wapens geboren is. En omdat deze dochter zo donker is, moet ze Krishnaa heten, de donkere.' Krishnaa is de vrouwelijke vorm van Krishna; met Krishna, de zoon van Vasudeva, is ze geen familie.

'Zo werden die twee geboren bij het grote offer van Drupada,' zei de brahmaan. 'En Drona nam de prins van Panchala mee naar zijn eigen huis en leerde hem alle wapens, als vergoeding voor het halve koninkrijk dat hij Drupada had afgenomen. Drona wist dat niemand aan het lot ontkomt, en hij deed het om zijn eigen roem te beschermen.'

Vijf keer

Het verhaal van de brahmaan trof de zonen van Kunti als pijlen, en de broers verloren hun rust. Ze zaten er lusteloos bij en luisterden nergens meer naar. Kunti zag het, en ze zei tegen Yudhishthira:

'We wonen nu al vele nachten in het huis van deze brahmaan, en we hebben het in deze stad goed gehad. We leefden van wat eerlijke, voorname mensen ons gaven. Maar alle mooie bossen en tuinen in deze streek hebben we nu zo vaak gezien dat ze ons geen plezier meer doen, en de giften komen hier ook niet meer zo makkelijk als eerst. Als je wilt, gaan we nu naar Panchala. Dat land hebben we nooit gezien, en het zal ons vast bevallen. Men zegt dat er in Panchala ruim gegeven wordt, en dat koning Drupada de brahmanen eert. Ik vind het niet verstandig lang op één plek te blijven. Daarom wil ik er graag heen, mijn zoon, als jij dat ook wilt.'

'Het is onze plicht te doen wat je zegt,' antwoordde Yudhishthira, 'en wat je zegt, is ook goed voor ons. Maar ik weet niet of mijn jongere broers willen gaan.'

Kunti vroeg het ook aan Bhima, Arjuna en de tweeling, Nakula en Sahadeva, en ze zeiden allemaal: 'Goed.' Ze besloten naar de stad van Drupada te gaan.

Maar nog voor ze vertrokken, terwijl ze vermomd in het huis van de brahmaan woonden, kwam Vyasa, de zoon van Satyavati, hen opzoeken. De Pandava's zagen hem aankomen, stonden op en liepen hem tegemoet. Ze groetten hem, bewezen hem de eer die hem toekwam en bleven met gevouwen handen zwijgend staan. Vyasa vroeg hen te gaan zitten.

'Leven jullie volgens de dharma en de leerboeken?' vroeg hij. 'Eren jullie de brahmanen? Jullie blijven toch niet in gebreke tegenover wie eer verdient?'

Hij vertelde hun veel over de dharma en over allerlei andere zaken die hen boeiden. Daarna zei hij:

'In een hermitage woonde eens een rishi, en hij had een dochter met een slank middel, mooie lippen en fijne wenkbrauwen, die alles had wat men in een meisje prijst. Door haar eigen daden in een vorig leven kende ze veel ongeluk: ze leefde rein en ze was mooi, en toch kreeg ze geen man. Ze begon ascese te beoefenen om een man te krijgen. Met haar strenge ascese stemde ze Shiva gunstig, en de god verscheen haar. "Vraag de gunst die je wilt," zei hij. "Ik ben Shiva, en ik geef je wat je vraagt." Het meisje dacht aan haar eigen geluk, en ze zei tegen de grote god: "Geef me een man met alle deugden." Ze zei het opnieuw, en nog eens, en nog eens, en nog eens. "Je zult vijf mannen krijgen," antwoordde Shiva, "uit de prinsen van de Bharata's." "Ik wil maar één man, door uw gunst," zei het meisje. En de god zei: "Je hebt vijf keer gezegd: 'Geef me een man.' Daarom zul je in een ander leven vijf mannen hebben."

Prinsen van het geslacht van Bharata, dat meisje met haar hemelse schoonheid is geboren in het geslacht van Drupada. Krishnaa, uit het huis van Prishata, is bestemd om de vrouw van jullie allemaal te worden. Ga daarom naar de hoofdstad van de Panchala's en woon daar. Als jullie haar tot vrouw krijgen, zullen jullie gelukkig zijn, daar twijfel ik niet aan.'

Daarop nam Vyasa, hun grootvader, afscheid van de Pandava's, en hij ging terug naar de plaats waar hij vandaan was gekomen.

De verbrande wagen

Toen Vyasa weg was, namen de Pandava's afscheid van de brahmaan bij wie ze hadden gewoond, en vol goede moed gingen ze op weg naar Panchala, met hun moeder voorop. Ze trokken recht naar het noorden, dag en nacht, tot ze bij een heiligdom kwamen van Shiva, de god met de maansikkel op zijn voorhoofd. Vandaar bereikten ze de oever van de Ganga. Arjuna liep voor de anderen uit met een fakkel in zijn hand, om de weg te wijzen en hen te beschermen tegen wilde dieren.

Op die eenzame plek vermaakte de trotse koning van de gandharva's, de hemelse muzikanten, zich juist met zijn vrouwen in het heerlijke water van de Ganga, die daar ook de Bhagirathi heet. Hij hoorde de voetstappen van de Pandava's die naar de rivier liepen, en hij werd woedend. Toen hij hen met hun moeder zag naderen, spande hij zijn boog tot een cirkel.

'Iedereen weet,' zei hij, 'dat de grijze schemering voor de nacht, op de eerste ogenblikken na, bestemd is voor de yaksha's, de gandharva's en de rakshasa's, die kunnen gaan waar ze willen. De rest van de tijd is aan de mensen gegeven, om hun werk te doen. Als mensen in die uren uit hebzucht rondzwerven en bij ons in de buurt komen, doden wij en de rakshasa's die dwazen. Daarom prijzen wie de Veda kennen nooit de mensen die op zo'n uur naar het water gaan, zelfs geen koningen aan het hoofd van hun troepen. Blijf op afstand en kom niet dichterbij. Weten jullie niet dat ik in het water van de Bhagirathi baad? Ik ben Angaraparna, de gandharva, en ik vertrouw altijd op mijn eigen kracht. Ik ben trots en hoogmoedig, en ik ben de vriend van Kubera, de god van de rijkdom. Dit woud aan de oever van de Ganga, waar ik me aan alle genoegens overgeef, is naar mij genoemd: het heet Angaraparna. Hier komen geen goden, geen kapalika's, de asceten met de schedelnap, geen gandharva's en geen yaksha's. Hoe durven jullie mij te naderen, mij, het stralendste juweel in de kroon van Kubera?'

'Dwaas,' zei Arjuna, 'of het nu dag is, nacht of schemering, wie kan anderen weren van de oceaan, van de flanken van de Himalaya en van deze rivier? Jij die door de lucht zwerft: of je maag nu leeg is of vol, of het nacht is of dag, voor niemand is er een vaste tijd om naar de Ganga te gaan. En wij zijn sterk: het kan ons niet schelen of we je storen. Alleen wie zwak is in de strijd, vereert jou, ellendeling. Deze Ganga komt van de gouden toppen van de Himalaya en valt in zeven stromen in de oceaan: de Ganga, de Yamuna, de Sarasvati, de Vitastha, de Sarayu, de Gomati en de Gandaki. Wie van het water van die zeven stromen drinkt, wordt van al zijn kwaad gereinigd. In de hemel van de goden stroomt deze heilige Ganga als de Alakananda, en in de wereld van de voorouders is ze de Vaitarani, die wie kwaad deed maar moeilijk kan oversteken. Vyasa zelf heeft het gezegd. Deze gunstige, hemelse rivier, die wie haar water aanraakt naar de hemel van de goden brengt, is vrij van alle gevaar. Waarom wil je ons er dan van weren? Wat je doet, strookt niet met de eeuwige dharma. Waarom zouden we je woorden niet naast ons neerleggen en het heilige water van de Bhagirathi aanraken, waarvan niemand ons kan weren?'

Angaraparna spande opnieuw zijn boog tot een cirkel, en hij begon zijn pijlen op de Pandava's af te schieten. Maar Arjuna ving ze allemaal op met zijn schild en met de fakkel in zijn hand.

'Probeer wie de wapens beheersen niet bang te maken,' zei hij. 'Wapens die je naar zulke mensen werpt, lossen op als schuim. Ik denk dat jullie gandharva's sterker zijn dan mensen; daarom zal ik met hemelse wapens tegen je vechten, niet met listen. Dit vuurwapen dat ik naar je zal werpen, gaf Brihaspati, de eerbiedwaardige leraar van Indra, aan Bharadvaja. Van hem kreeg Agnivesha het, van Agnivesha mijn leraar, de brahmaan Drona, en Drona gaf het aan mij.'

Arjuna wierp het laaiende vuurwapen naar de gandharva, en in een oogwenk verbrandde het zijn wagen. De kracht van het wapen beroofde hem van zijn bewustzijn, en hij viel van zijn wagen, met zijn hoofd naar beneden. Arjuna greep hem bij zijn haar, waarin bloemenkransen gevlochten waren, en sleepte hem, bewusteloos, naar zijn broers.

Kumbhinasi, de vrouw van de gandharva, zag het. Ze wilde haar man redden en rende naar Yudhishthira. 'U die zo hoog staat, bescherm me! Laat mijn man vrij! Ik ben Kumbhinasi, de vrouw van deze gandharva, en ik zoek bescherming bij u.'

'Wie zou een vijand doden die in de strijd verslagen is,' zei Yudhishthira tegen Arjuna, 'die zijn roem kwijt is, die door een vrouw beschermd wordt en geen kracht meer heeft?'

'Je mag blijven leven,' zei Arjuna tegen de gandharva. 'Ga, en treur niet. Yudhishthira, de koning van de Kuru's, beveelt me je te sparen.'

'Je hebt me verslagen,' zei de gandharva. 'Daarom leg ik mijn vroegere naam af, Angaraparna. Nu mijn trots op mijn kracht gebroken is, vriend, mag ik niet meer met een naam pronken. Ik heb geluk gehad dat ik jou ben tegengekomen, Arjuna, die hemelse wapens voert. Ik wil je de kunst van de begoocheling geven die alleen de gandharva's bezitten. Mijn prachtige, bonte wagen is door je vuurwapen verbrand. Vroeger heette ik Chitraratha, naar die bonte wagen; nu, met mijn verbrande wagen, heet ik Dagdharatha. Die kunst heb ik lang geleden door ascese verworven, en vandaag geef ik haar aan jou, die me het leven hebt gelaten. Want welk geluk verdient hij niet, die een vijand met zijn kracht verslaat en hem dan het leven schenkt als die erom vraagt?

De kunst heet Chakshushi, de kunst van het oog. Een van de Manu's, de stamvaders van de mensen, gaf haar aan Soma, de god van de maan, Soma aan Vishvavasu, een koning van de gandharva's, en Vishvavasu aan mij. Maar nu ze van mijn leraar bij mij is gekomen, bij iemand die zijn kracht kwijt is, verliest ze langzaam haar werking. Dat is haar herkomst. En dit is haar macht: wie haar bezit, ziet alles wat hij wil zien, en zoals hij het wil zien, in het geheel of tot in de kleinste bijzonderheden. Gewoonlijk leert men haar pas nadat men zes maanden op één been heeft gestaan, maar ik geef haar aan jou zonder dat je een zware gelofte hoeft te houden. Door die kennis staan wij boven de mensen, en omdat we alles met ons innerlijk oog kunnen zien, zijn we de goden gelijk.

Ook wil ik jou en elk van je broers honderd paarden geven, geboren in het land van de gandharva's. Ze hebben een hemelse kleur, ze zijn zo snel als de gedachte, en de goden en de gandharva's rijden erop. Ze mogen mager zijn, ze worden nooit moe, en hun snelheid lijdt er niet onder. Lang geleden werd de bliksem gemaakt, het wapen van Indra, zodat de koning van de goden de asura Vritra kon doden. Maar toen hij op Vritra's hoofd werd geworpen, brak hij in duizend stukken, en die stukken worden door de goden vereerd. Wat in de drie werelden luister heet, is een deel van die bliksem. De hand waarmee de brahmaan offerboter in het vuur giet, de wagen waarop de kshatriya vecht, de vrijgevigheid van de vaishya en de dienst die de shudra de drie andere standen bewijst: het zijn allemaal stukken van de bliksem. Daarom zegt men dat paarden, die deel zijn van de wagen van de kshatriya, niet gedood mogen worden. En de paarden die de wagen van de kshatriya trekken, stammen af van een merrie die Vadava heette. Wie van hen in het land van de gandharva's geboren is, kan overal heen en neemt elke kleur en elke snelheid aan die zijn meester wil. Deze paarden die ik je geef, zullen altijd doen wat je wenst.'

'Gandharva,' zei Arjuna, 'als je me je kunst en die paarden geeft omdat je in gevaar was en je leven van mij terugkreeg, dan neem ik je gift niet aan.'

'Een ontmoeting met een groot man doet altijd goed, en bovendien heb je me mijn leven gegeven. Ik ben je dankbaar, en daarom geef ik je mijn kunst. Maar de verplichting mag niet alleen aan één kant liggen. Daarom neem ik van jou je vuurwapen, dat nooit vergaat.'

'Ik neem je paarden aan in ruil voor mijn wapen,' zei Arjuna. 'Laat onze vriendschap eeuwig duren. En vertel ons, vriend, waarom wij mensen bang moeten zijn voor de gandharva's. Wij bedwingen onze vijanden, we leven rechtvaardig en we kennen de Veda. Waarom heb je ons berispt omdat we 's nachts reisden?'

'Jullie hebben geen vrouw. Jullie leerjaren liggen achter je, maar jullie zijn nog geen huisvaders, dus leven jullie in geen van de vaste levensfasen. En jullie gaan op weg zonder een brahmaan voorop. Daarom heb ik jullie berispt, zonen van Pandu. De yaksha's, de rakshasa's, de gandharva's, de pishacha's, de slangen en de danava's zijn wijs en verstandig, en ze kennen de geschiedenis van het geslacht van Kuru. Van Narada en andere goddelijke rishi's heb ik gehoord over de goede daden van jullie wijze voorvaders, en toen ik over de hele aarde zwierf, tot aan de zeeën die haar omgorden, heb ik zelf de kracht van jullie grote geslacht gezien. Ik ken je leraar, Arjuna: Drona, de zoon van Bharadvaja, die in de drie werelden bekendstaat om zijn kennis van de Veda's en de wapenkunst. Ik ken ook Dharma, Vayu, Indra, de twee Ashvins en Pandu, die zes, goden en mens, die het geslacht van Kuru voortzetten: jullie vaders. En ik weet dat jullie vijf broers geleerd zijn en grootmoedig, dapper en rechtvaardig, trouw aan jullie geloften, en meesters in de wapens.

Ik wist dat jullie verstand en jullie hart goed waren en jullie gedrag onberispelijk, en toch heb ik jullie berispt. Want geen man met sterke armen mag geduldig verdragen dat hij beledigd wordt waar zijn vrouw bij is. Bovendien groeit onze kracht in de uren van het duister, en mijn vrouw was bij me: daarom werd ik woedend. Maar je hebt me in de strijd verslagen, en ik zal je zeggen waarom. In onthouding leven, zoals een leerling van de Veda, is een verheven levenswijze, en omdat jij nu zo leeft, heb ik van je verloren. Een getrouwde kshatriya die 's nachts met ons vecht, ontkomt nooit levend. Maar een getrouwde kshatriya die door de Veda geheiligd is en de zorg voor zijn rijk aan een huispriester heeft toevertrouwd, kan alle wezens van de nacht verslaan.

Daarom, Tapatya, nemen verstandige mensen geleerde brahmanen in dienst die zichzelf beheersen, als ze het geluk willen dat ze begeren. Een brahmaan is het waard de purohita van een koning te zijn, zijn huispriester, als hij de Veda's kent met hun zes hulpwetenschappen, als hij rein is en waarheidsgetrouw, rechtvaardig en meester over zichzelf, als hij de regels van de dharma kent en weet te spreken. Een koning met zo'n huispriester overwint zijn vijanden en wordt ten slotte opgenomen in de hemel van de goden. Met hem verwerft hij wat hij niet heeft en beschermt hij wat hij heeft, en wie zich door zijn huispriester laat leiden, kan de hele aarde verwerven, tot aan de zeeën die haar omgorden. Maar een koning zonder brahmaan wint nooit land, hoe dapper hij ook is en hoe hoog zijn geboorte. Een rijk waar de brahmanen macht hebben, Tapatya, duurt eeuwig.'

'Je hebt me meer dan eens Tapatya genoemd,' zei Arjuna. 'Ik wil weten wat dat woord precies betekent. Wij zijn zonen van Kunti, en dus heten we Kaunteya's. Maar wie is Tapati, dat we Tapatya's zouden heten?'

Tapati

'Ik zal je uitleggen waarom ik je Tapatya noemde,' zei de gandharva tegen Arjuna. 'Het is een mooi verhaal, en het is in de drie werelden bekend.'

En de gandharva vertelde.

Surya, de zonnegod, die met zijn licht het hele hemelgewelf doordringt, had een dochter die Tapati heette, en ze was hem gelijk. Haar oudere zuster heette Savitri. Tapati was alom bekend, en ze wijdde zich aan ascese. Onder de goden, de asura's, de yaksha's, de rakshasa's, de apsara's en de gandharva's was er geen vrouw zo mooi als zij. Haar trekken waren volmaakt, haar ogen groot en zwart, ze kleedde zich met zorg, ze leefde rein en haar gedrag was onberispelijk. Surya vond dat er in de drie werelden niemand was die haar als man waard was, om zijn schoonheid, zijn deugden, zijn gedrag of zijn kennis. Toen ze de leeftijd bereikte waarop ze aan een man gegeven kon worden, vond haar vader geen rust meer; hij dacht er steeds over na wie hij moest kiezen.

In die tijd leefde koning Samvarana, de zoon van Riksha, een voorvader van de Kuru's. Hij vereerde Surya met arghya, het water dat men een god of een geëerde gast aanbiedt, met bloemenkransen en geurige dingen, met geloften, vasten en allerlei ascese, onafgebroken en met toewijding, nederigheid en eerbied. Samvarana kende alle regels van de dharma, en op aarde was niemand zo mooi als hij. Surya zag het. Hij vond hem de juiste man voor zijn dochter en besloot haar aan die koning te geven, want Samvarana kwam uit een vermaard geslacht. Zoals de zon aan de hemel straalt, zo straalde Samvarana op aarde. En zoals de kenners van de Veda de opgaande zon vereren, zo vereerden de mensen van de andere standen hem. Zijn vrienden kalmeerde hij, en zijn vijanden verschroeide hij.

Op een dag ging Samvarana jagen in de bossen op de flank van een berg. Terwijl hij de herten achternazat, stierf zijn paard, uitgeput van honger, dorst en vermoeidheid. De koning liet het achter en zwierf te voet over de berghelling, en daar zag hij een meisje met grote ogen. Hij was alleen, zij was alleen, en hij bleef roerloos staan en keek naar haar. Een ogenblik dacht hij dat ze Shri was, de godin van geluk en glans, en daarna hield hij haar voor de stralen van Surya zelf, die een lichaam hadden aangenomen. Bij haar vergeleken vielen alle vrouwen die hij ooit gezien had in het niet, en hij was blij dat hij ogen had. Zijn hart en zijn ogen waren aan haar gebonden, en hij kon zich niet van zijn plaats bewegen.

Kama, de god van de liefde, trof hem met zijn pijlen, en hij verloor zijn rust. Hij vroeg het meisje, dat nog onschuldig was al stond ze in de bloei van haar jeugd: 'Wie bent u, en van wie bent u? Waarom bent u hier? Waarom zwerft u alleen door dit eenzame woud, u met uw lieve glimlach? U bent volmaakt en met sieraden getooid, en u lijkt zelf het sieraad van die sieraden. U bent niet van de goden, niet van de asura's, de yaksha's, de rakshasa's, de naga's, de gandharva's of de mensen, lijkt me. De mooiste vrouwen die ik ooit zag of van wie ik hoorde, halen het niet bij u. Nu ik u zie, mooier dan de maan, met ogen als lotusbladeren, verscheurt de liefdesgod me.'

Het meisje zei geen woord. Ze verdween voor zijn ogen, snel als de bliksem in de wolken. De koning zocht haar buiten zichzelf door het hele woud, en toen hij haar niet vond, klaagde hij lang en luid, en ten slotte stond hij roerloos van verdriet.

Kama had hem van zijn zinnen beroofd, en hij viel op de grond. Terwijl hij viel, verscheen het meisje weer voor hem. Ze glimlachte lief en zei: 'Sta op, sta op, koning. U mag uw verstand niet verliezen, een man met zo'n naam in de wereld.'

De koning opende zijn ogen en zag hetzelfde meisje voor zich staan. 'U met uw zwarte ogen,' zei hij met zwakke stem, 'ik brand van verlangen en ik smeek u: neem me aan. Mijn leven vloeit weg. Om u schiet Kama zonder ophouden zijn scherpe pijlen op me af. Wees me goedgezind. Mijn leven hangt nu van u af; zonder u kan ik niet leven. Bij de eerste blik hebt u mijn hart gestolen, mijn gedachten dwalen, en ik wil geen andere vrouw meer zien. Ik ben uw gehoorzame dienaar, ik vereer u: neem me aan. De liefdesgod is mijn hart binnengedrongen en het vuur van het verlangen brandt in me. Blus dat vuur met het water van uw liefde. Trouw met me volgens de vorm van de gandharva's, het huwelijk dat alleen uit het verlangen van twee mensen bestaat, want van alle vormen van huwelijk zegt men dat die de beste is.'

'Koning,' antwoordde Tapati, 'ik ben niet mijn eigen meester. Ik ben een meisje dat onder het gezag van haar vader staat. Als u echt van me houdt, vraag me dan aan mijn vader. U zegt dat ik uw hart heb gestolen. Maar ook u hebt bij de eerste blik mijn hart gestolen. Ik ben niet de meester van mijn lichaam, en daarom kom ik niet naar u toe: vrouwen zijn nooit onafhankelijk. Welk meisje in de drie werelden zou u niet als man willen, u die goed bent voor allen die van u afhangen, en uit een zuiver geslacht stamt? Vraag daarom, als de tijd gekomen is, mijn vader Surya om mijn hand, met verering, ascese en geloften. Als mijn vader me aan u geeft, zal ik altijd uw gehoorzame vrouw zijn. Ik heet Tapati. Savitri is mijn oudere zuster, en ik ben de dochter van Surya, die de wereld verlicht.'

Daarop steeg Tapati op in de lucht, en de koning viel opnieuw op de grond. Zijn ministers en zijn gevolg zochten hem in het hele woud, en ten slotte vonden ze hem op die eenzame plek, waar hij verlaten op de grond lag, als een regenboog die uit de lucht is gevallen. Zijn eerste minister, oud in wijsheid en in jaren, oud in daden en in beleid, haastte zich naar hem toe en tilde hem vol genegenheid en eerbied op. 'Ik wens u alle goeds, koning,' zei hij. 'Wees niet bang.' De oude man dacht dat de koning daar lag van honger, dorst en vermoeidheid, en hij besprenkelde zijn hoofd, dat geen kroon droeg, met koel water dat geurde naar lotusbladeren.

Langzaam kwam de koning bij, en hij stuurde al zijn dienaren weg, op zijn minister na. Toen ze weg waren, reinigde hij zich zoals de voorschriften het willen en ging hij op de berg zitten. Met gevouwen handen en zijn gezicht naar boven vereerde hij Surya. En Samvarana dacht ook aan zijn huispriester, de rishi Vasishtha. Hij had een gelofte van twaalf nachten afgelegd, en dag en nacht bleef hij daar zitten.

Op de twaalfde dag kwam Vasishtha. Hij beheerste zijn geest volkomen, en door zijn ascese wist hij meteen dat de koning om Tapati zijn verstand had verloren. Hij wilde de koning helpen, die zijn geloften altijd trouw hield, en hij stelde hem gerust. Toen steeg Vasishtha, die zelf de glans van de zon had, voor de ogen van de koning op naar Surya. Met gevouwen handen ging hij naar de god met de duizend stralen toe, en hij stelde zich voor: 'Ik ben Vasishtha.'

'Welkom, rishi,' zei Surya. 'Zeg me wat je op het hart hebt. Wat je ook van me vraagt, ik zal het je geven, hoe moeilijk het ook voor me is.'

Vasishtha boog voor Surya. 'Ik vraag u uw dochter Tapati voor Samvarana. Die koning heeft veel bereikt, hij kent de dharma en hij is grootmoedig. Samvarana zal een waardige man voor uw dochter zijn.'

Surya had al besloten zijn dochter aan Samvarana te geven. Hij groette de rishi en antwoordde: 'Samvarana, jij en Tapati: ieder van jullie is de beste in zijn soort. Wat zouden we anders doen dan haar aan Samvarana geven?'

De god vertrouwde zijn volmaakte dochter aan Vasishtha toe, om haar aan Samvarana te geven. Vasishtha nam het meisje mee, nam afscheid van Surya en keerde terug naar de plek waar Samvarana was. Samvarana, van wie het hart alleen nog aan Tapati hing, zag het hemelse meisje met haar lieve glimlach komen, door Vasishtha geleid. Tapati daalde af uit het hemelgewelf, en haar glans verlichtte de tien windstreken. Met de juiste riten nam Samvarana de hand van Tapati, op die berghelling waar de goden en de gandharva's komen.

Met toestemming van Vasishtha wilde de koning met zijn vrouw op de berg blijven. Hij liet zijn minister regeren over zijn hoofdstad en zijn rijk, over zijn bossen en zijn tuinen, en Vasishtha nam afscheid en ging. Twaalf jaar lang vermaakte Samvarana zich met zijn vrouw in de bossen en de struiken van die berg.

In die twaalf jaar liet Indra, de god met de duizend ogen, geen regen vallen op de hoofdstad en het rijk van die koning. Toen de droogte begon, stierven de mensen snel, en ook de bomen en de dieren. Zolang de droogte duurde, viel er zelfs geen druppel dauw uit de lucht, en er groeide geen graan. De mensen raakten in wanhoop en werden door de angst voor de honger gekweld; ze verlieten hun huizen en vluchtten alle kanten op. De uitgehongerde mensen in de hoofdstad en op het land lieten hun vrouwen en kinderen in de steek, en ze trokken zich niets meer van elkaar aan. Er was geen hap eten, de mensen waren vel over been, en de hoofdstad leek op de stad van Yama, de koning van de doden, vol geesten van gestorvenen.

Vasishtha zag de hoofdstad zo en besloot er iets aan te doen. Hij bracht de koning, die zo lang in afzondering had geleefd, met zijn vrouw terug naar de stad. Zodra de koning weer in zijn hoofdstad was, werd alles als vroeger, want Indra liet overvloedig regen vallen en deed het graan groeien. De hoofdstad en het land kwamen weer tot leven. En de koning bracht met zijn vrouw Tapati opnieuw twaalf jaar lang offers.

'Dat is het oude verhaal van Tapati, de dochter van Surya,' zei de gandharva. 'Om haar heet jij Tapatya. Koning Samvarana verwekte bij Tapati een zoon, Kuru. Jij bent in het geslacht van Kuru geboren, Arjuna, en daarom mag je Tapatya heten.'

Deel 2 · De leerjaren

  1. Boek I · De rivalen
  2. 1De ring in de put
  3. 2Het toernooi
  4. 3Het huis van lak
  5. 4De grasspriet
  6. Boek II · Draupadi
  7. 5De dochter uit het vuur
    1. De dochter uit het vuur
    2. Vijf keer
    3. De verbrande wagen
    4. Tapati
  8. 6De huispriester
  9. 7Het schot
  10. 8Vijf Indra's
  11. Boek III · Indraprastha
  12. 9Waar Krishna is
  13. 10Tilottama
  14. 11De ontvoering
  15. 12Gandiva
  16. 13De brand

Alles in deel 2 · Alle delen