
Hoofdstuk vier
De grasspriet
Hidimbi
Boek 2 · De leerjaren · Deel I, De rivalen · 35 min. lezen
Niet ver van de plek waar de Pandava's sliepen, woonde in een salaboom een rakshasa die Hidimba heette, een van de mensenetende nachtwezens. Hij was enorm en donker van kleur, met lange schenen en een dikke buik, rood haar en een rode baard, brede schouders en oren als pijlen, en zijn lange, scherpe tanden gaven zijn gezicht iets grimmigs. Hij had honger en snakte naar mensenvlees, dat hij boven alles lekker vond. Met zijn rode ogen keek hij om zich heen, en hij zag de zonen van Pandu in het woud liggen slapen. Hij schudde zijn droge, grijzende haar, krabde erin met zijn vingers naar boven gekeerd, en keer op keer keek hij naar de slapers, en af en toe opende hij begerig zijn grote muil. Hij rook mensen, en hij zei tegen zijn zuster Hidimbi:
'Zuster, eindelijk, na lange tijd, komt er zulk heerlijk voedsel naar me toe! Het water loopt me in de mond als ik eraan denk. Mijn acht tanden, zo spits dat niets ertegen bestand is, zet ik vandaag in het malste vlees. Ik bijt me vast in een mensenkeel, ik scheur de aderen open, en ik drink mensenbloed, zoveel ik wil, heet en vers en schuimend. Ga kijken wie dat zijn die daar in het woud liggen te slapen. Die sterke mensengeur streelt mijn neus. Dood al die mensen en breng ze bij me. Ze slapen op mijn gebied; je hoeft niet bang voor ze te zijn. Doe wat ik zeg, en snel, dan eten we samen hun vlees en scheuren we hun lijven open zoals we willen. En als we ons volgegeten hebben aan mensenvlees, dansen we samen op allerlei maten!'
Hidimbi deed wat haar broer zei en ging naar de plek waar de Pandava's waren. Daar zag ze hen met hun moeder slapen; alleen Bhima, die niemand kon verslaan, zat wakker bij hen. Ze zag Bhima, die op aarde zijn gelijke in schoonheid niet had, en ze werd op slag verliefd op hem.
Ze dacht bij zichzelf: Deze man, met zijn huid als verhit goud, zijn sterke armen en brede schouders, zijn glans, de drie lijnen in zijn hals en zijn lange ogen, is het waard mijn man te zijn. Ik gehoorzaam het wrede bevel van mijn broer niet. Een vrouw houdt meer van haar man dan van haar broer. Als ik hem dood, hebben mijn broer en ik er maar een ogenblik plezier van. Maar als ik hem niet dood, kan ik voor altijd met hem genieten.
Rakshasa's kunnen elke gedaante aannemen die ze willen. Hidimbi nam de gedaante aan van een prachtige vrouw, en langzaam kwam ze naar Bhima toe. Ze droeg hemelse sieraden, ze glimlachte en liep bescheiden, en ze zei tegen hem: 'Waar kom je vandaan, en wie ben je? Wie zijn die mensen die hier slapen? En wie is die vrouw, zo onvoorstelbaar mooi, die hier in het woud zo vol vertrouwen slaapt alsof ze in haar eigen kamer ligt? Weet je niet dat dit woud het gebied is van een rakshasa? Hier woont de slechte Hidimba. Hij is mijn broer, en hij heeft me gestuurd met het wrede plan jullie te doden en op te eten. Maar nu ik jou zie, wil ik geen ander dan jou als man. Jij kent de dharma: doe dan wat hoort. De pijlen van Kama, de god van de liefde, hebben mijn hart en mijn lichaam doorboord. Ik wil jou, maak me de jouwe. Ik red je van de rakshasa die mensen eet. Word mijn man, jij aan wie geen smet kleeft. Dan wonen we samen op de hellingen van bergen waar geen sterveling kan komen. Ik kan door de lucht vliegen, waarheen ik maar wil. Daar kun je met mij het grootste geluk vinden.'
'Rakshasa-vrouw,' antwoordde Bhima, 'wie zou, als een muni die al zijn hartstochten beheerst, zijn slapende moeder en zijn oudere en jongere broers in de steek laten? Welke man zoals ik zou zijn lust gaan bevredigen en zijn slapende moeder en broers achterlaten als voedsel voor een rakshasa?'
'Maak ze dan allemaal wakker,' zei Hidimbi, 'en ik doe alles voor jullie wat jij wilt. Ik red jullie allemaal van mijn broer, de menseneter.'
'Uit angst voor je slechte broer maak ik mijn broers en mijn moeder niet wakker, nu ze hier rustig in het woud slapen,' zei Bhima. 'Geen rakshasa is bestand tegen de kracht van mijn armen. Geen mens kan mijn kracht verdragen, en ook geen gandharva, geen van de hemelse muzikanten, en geen yaksha, geen van de halfgoddelijke wezens. Blijf of ga, zoals je wilt, of stuur je broer maar hierheen. Het kan me niet schelen.'
Hidimba zag dat zijn zuster niet snel genoeg terugkwam. Hij klom uit zijn boom en ging haastig naar de plek waar de Pandava's waren. Zijn haar stond recht overeind en zijn muil gaapte wijd open; het was een afschrikwekkend gezicht. Hidimbi zag hem uit de boom komen.
'Daar komt hij, en hij is woedend,' zei ze tegen Bhima. 'Ik smeek je, doe met je broers wat ik je zeg. Ik heb de krachten van een rakshasa, ik kan gaan waarheen ik wil. Klim op mijn heupen, dan draag ik jullie allemaal door de lucht. Maak je broers wakker en je moeder, die hier zo rustig slapen, en ik neem ze allemaal op mijn lichaam en breng jullie hier weg.'
'Wees nergens bang voor, mooi meisje,' zei Bhima. 'Zolang ik hier ben, kan geen rakshasa een van hen iets doen. Ik dood deze menseneter voor je eigen ogen. Hij is geen tegenstander voor mij, en zelfs alle rakshasa's samen kunnen niet tegen mijn armen op. Kijk naar mijn armen, naar mijn dijen en naar mijn brede, harde borst. Vandaag zul je mijn kracht zien, een kracht als die van Indra. Minacht me niet omdat ik een mens ben.'
'Ik minacht je niet,' zei Hidimbi. 'Maar ik heb gezien wat rakshasa's met mensen doen.'
Hidimba had Bhima gehoord. Hij zag zijn zuster in een mensengedaante, met bloemenkransen in haar haar, haar wenkbrauwen, haar neus, haar ogen en haar krullen van de mooiste soort, haar nagels en haar huid teer van kleur, met allerlei sieraden en gekleed in fijne, doorschijnende stof, en hij vermoedde dat ze met een man wilde slapen. Hij sperde zijn ogen wijd open. 'Welk dwaas schepsel wil mij in de weg zitten, nu ik zo'n honger heb?' zei hij tegen haar. 'Heb je alle verstand verloren, dat je niet bang bent voor mijn woede? Schande over je, losbandige vrouw! Je wilt nu al met een man slapen, en je wilt mij kwaad doen. Je bent bereid de goede naam en de eer van alle rakshasa's, van al je voorouders, op te offeren! Iedereen met wie je mij dit grote kwaad wilt aandoen, dood ik nu meteen, en jou erbij.'
Met op elkaar geklemde tanden en rode ogen stormde Hidimba op zijn zuster af, om haar ter plekke te doden. Maar Bhima zag het en riep: 'Blijf staan! Blijf staan!'
Honend lachte Bhima de rakshasa uit. 'Waarom zou je deze mensen wakker maken, die hier zo rustig slapen?' zei hij. 'Kom eerst naar mij toe, menseneter. Sla eerst mij. Je mag geen vrouw doden, zeker niet een vrouw die geen kwaad heeft gedaan, maar kwaad is aangedaan. Dit meisje kan er niets aan doen dat ze mij begeert. Ze wordt gedreven door de god van de liefde, die in elk levend wezen woont. Op jouw bevel is je zuster hier gekomen; ze heeft me gezien, en ze begeert me. Daarmee doet ze jou geen kwaad. Kama heeft het gedaan, en je mag haar daarvoor niets aandoen. Zolang ik hier ben, dood jij geen vrouw. Vecht met mij alleen. In mijn eentje stuur ik je vandaag naar Yama. Je hoofd wordt onder mijn kracht verpletterd, en reigers, haviken en jakhalzen zullen gretig je ledematen op de grond verscheuren. Binnen een ogenblik maak ik dit woud vrij van rakshasa's, dit woud waarover jij zo lang hebt geheerst. Vandaag zal je zuster zien hoe ik jou heen en weer sleur. En als ik je gedood heb, zullen de mensen voortaan veilig en zonder angst door deze wouden trekken.'
'Waarom al dat opscheppen en snoeven, mens?' zei Hidimba. 'Doe het eerst, en schep dan maar op. Treuzel niet. Je denkt dat je sterk bent en vol kracht; vandaag zul je in je gevecht met mij merken wat je kracht waard is. Tot die tijd laat ik je broers leven. Laat ze maar rustig slapen. Maar jou, met je dwaze en kwade praatjes, dood ik eerst. Als ik je bloed heb gedronken, dood ik hen ook, en als laatste van allemaal deze zuster van me, die me kwaad heeft gedaan.'
Met uitgestrekte armen rende hij op Bhima af. Bhima greep die armen vast, zonder zichtbare moeite, en sleurde de spartelende rakshasa wel tweeëndertig el van die plek weg. Hidimba voelde Bhima's kracht. Hij klemde zich aan hem vast en schreeuwde het uit. Om te voorkomen dat zijn broers, die zo rustig sliepen, van dat geschreeuw wakker zouden worden, sleurde Bhima hem nog verder weg. Ze grepen elkaar vast, ze trokken elkaar heen en weer, en ze zetten al hun kracht in. Ze vochten als twee volgroeide olifanten die dol zijn van woede, en ze braken de bomen en scheurden de klimplanten los die eromheen groeiden. Van dat lawaai werden de Pandava's met hun moeder wakker, en ze zagen Hidimbi voor zich zitten.
Ze waren nog maar net wakker, en ze stonden verbaasd over Hidimbi's buitengewone schoonheid. Kunti stelde haar met vriendelijke woorden gerust. 'Je straalt als een dochter van de goden,' zei ze. 'Van wie ben je, en wie ben je? Waarvoor ben je hier gekomen, en waar kom je vandaan? Ben je de godin van dit woud, of een apsara, een danseres uit de hemel van de goden? Vertel me alles over jezelf, en waarom je hier bent.'
'Dit uitgestrekte, donkere gebied is van een rakshasa die Hidimba heet, het hoofd van de rakshasa's in dit woud,' zei Hidimbi. 'Ik ben zijn zuster. Mijn broer had me gestuurd om u met al uw kinderen te doden. Maar toen ik hier kwam, zag ik uw sterke zoon, en de god van de liefde, die in de natuur van elk wezen woont, bracht me onder zijn macht. In mijn hart heb ik hem tot mijn man gekozen. Ik heb geprobeerd u van hier weg te brengen, maar uw zoon wilde het niet. Toen kwam mijn broer zelf, om u allen te doden, en uw zoon, mijn man, heeft hem hiervandaan gesleurd. Kijk, daar vechten ze, mens en rakshasa, allebei vol kracht, en hun geschreeuw vult de hele streek.'
Yudhishthira sprong overeind, en ook Arjuna, en Nakula en Sahadeva, en ze zagen Bhima en de rakshasa al in gevecht, elk erop gebrand de ander te overwinnen. Hun voeten wierpen dikke wolken stof op, en hun enorme lijven gingen erin schuil.
Arjuna zag dat Bhima in het nauw kwam, en hij glimlachte. 'Wees niet bang, Bhima,' zei hij. 'We sliepen, en daarom wisten we niet dat je met een rakshasa vocht en dat je moe werd. Ik sta hier om je te helpen. Laat mij de rakshasa doden, en laat Nakula en Sahadeva onze moeder beschermen.'
'Kijk naar dit gevecht als een buitenstaander, broer,' zei Bhima. 'Wees niet bang voor de afloop. Hij is binnen het bereik van mijn armen gekomen, en hij komt er niet levend van af.'
Arjuna wees naar de horizon. 'Waarom zou je hem zo lang laten leven? We moeten hier weg, we kunnen niet langer blijven. Het oosten kleurt al rood, de ochtendschemering breekt aan. In het ochtendgloren worden rakshasa's sterker. Haast je! Speel niet met hem, maar dood hem snel. In de twee schemeringen, 's morgens en 's avonds, gebruiken rakshasa's altijd hun maya, hun vermogen om te begoochelen. Zet alle kracht van je armen in.'
Bhima riep de kracht op die zijn vader Vayu, de god van de wind, ontplooit wanneer de wereld aan het einde van een tijdperk vergaat. Hij tilde het donkerblauwe lichaam van de rakshasa hoog in de lucht en zwaaide het honderd keer rond. 'Rakshasa,' zei hij, 'je verstand heb je voor niets gekregen, en voor niets ben je groot en sterk geworden van vlees dat nooit aan de goden is geofferd. Daarom verdien je een dood die niets waard is, en ik maak je vandaag tot niets. Ik bevrijd dit woud van zijn doorns. Je zult geen mensen meer doden om ze op te eten.'
'Als je denkt dat het zwaar voor je is hem in het gevecht te overwinnen, laat me je dan helpen,' zei Arjuna, 'en anders, dood hem zelf, en snel. Of laat mij hem alleen doden. Je bent moe, en je hebt het karwei al bijna af. Je hebt je rust wel verdiend.'
Bhima smeet de rakshasa met al zijn kracht tegen de grond en doodde hem. Stervend slaakte Hidimba een diepe kreet die het hele woud vulde. Toen pakte Bhima het lichaam met zijn handen vast, boog het dubbel en brak het in het midden. Zijn broers zagen Hidimba dood liggen en kwamen Bhima meteen geluk wensen. Arjuna boog voor hem. 'Ik denk dat er niet ver van dit woud een stad is,' zei hij. 'Ik wens je alle goeds. Laten we snel weggaan, zodat Duryodhana ons spoor niet vindt.'
De broers waren het met hem eens en gingen met hun moeder op weg. Hidimbi volgde hen.
Bhima zag Hidimbi achter hen aan komen. 'Rakshasa's wreken zich op hun vijanden met listen die niemand doorziet,' zei hij tegen haar. 'Ga, Hidimbi, dezelfde weg als je broer.'
Yudhishthira hield hem tegen. 'Bhima,' zei hij, 'hoe woedend je ook bent, dood geen vrouw. De dharma volgen is een hogere plicht dan je leven beschermen. Je hebt Hidimba al gedood, die hier kwam om ons te doden. Deze vrouw is de zuster van die rakshasa. Wat kan zij ons doen, zelfs als ze boos is?'
Hidimbi groette Kunti en haar zoon Yudhishthira eerbiedig, en met gevouwen handen zei ze: 'Eerwaarde vrouw, u weet welke pijn de god van de liefde vrouwen laat lijden. Die pijn kwelt me nu, en Bhima is er de oorzaak van. Ik heb haar tot nu toe verdragen, hoe ondraaglijk ook, in afwachting van de tijd dat uw zoon haar zou verzachten. Nu is die tijd gekomen, en ik had gehoopt dat ik gelukkig zou worden. Ik heb mijn vrienden en mijn verwanten en de gewoonten van mijn volk achter me gelaten, en ik heb deze zoon van u, deze held, tot mijn man gekozen. Ik zeg u: als die held of als u mij verstoot, wil ik niet langer leven. Heb daarom medelijden met mij, of u me nu een dwaas vindt of uw gehoorzame slavin. Verenig me met deze zoon van u, mijn man. Laat me met hem, die de gedaante van een god heeft, gaan waarheen ik wil. Vertrouw me, ik breng hem weer bij u allen terug. Als u aan mij denkt, kom ik meteen naar u toe en breng ik u waarheen u maar wilt. Ik red u uit elk gevaar en draag u over ontoegankelijke en ruwe streken. Als u snel ergens heen wilt, draag ik u op mijn rug. Wees me goedgezind, en zorg dat Bhima me aanneemt. Men zegt dat men in tijden van nood zijn leven met elk middel mag beschermen. Wie die plicht wil vervullen, moet niet kieskeurig zijn in zijn middelen. Wie in tijden van nood aan de dharma vasthoudt, is rechtvaardiger dan wie ook. Nood is het grootste gevaar voor de dharma en voor de rechtvaardigen. Het is de dharma die het leven beschermt; daarom heet de dharma de gever van het leven. Dan kan het middel waarmee men de dharma in stand houdt, nooit laakbaar zijn.'
'Het is zoals je zegt, Hidimbi,' zei Yudhishthira. 'Maar je moet ook doen wat je gezegd hebt. Als Bhima zich gewassen heeft en de riten van de ochtendschemering en de riten voor zijn welzijn heeft verricht, is hij tot zonsondergang bij je. Vermaak je met hem zoals je wilt, overdag. Maar elke dag bij het vallen van de avond moet je Bhima hier terugbrengen.'
Bhima nam alles aan wat Yudhishthira zei, en hij beloofde Hidimbi: 'Ik blijf bij je tot je een zoon hebt.'
Hidimbi nam Bhima op haar lichaam en vloog met hem door de lucht. Op mooie bergtoppen en op plaatsen die de goden heilig zijn, in ontoegankelijke wouden, bij meren vol lotussen, op eilanden in rivieren en op hun kiezeloevers, in de dalen van de Himalaya, op kusten die glansden van goud en parels, in mooie steden en tuinen, en op de oevers van het Manasarovara-meer, dat in elk seizoen vruchten en bloemen draagt, vermaakte Hidimbi zich met Bhima. Ze nam de mooiste gedaante aan, met alle sieraden, zong af en toe met een zoete stem, en deed alles om hem gelukkig te maken.
Na verloop van tijd werd ze zwanger, en ze baarde een sterke zoon, door Bhima bij haar verwekt. Hij had angstaanjagende ogen, een grote mond en rechte, spitse oren, en hij was schrikwekkend om te zien. Zijn lippen waren koperbruin, zijn tanden scherp, zijn brul luid, zijn armen machtig, zijn kracht enorm en zijn moed zonder weerga, en met de boog was hij geducht. Hij had een lange neus, een brede borst en dikke, gezwollen kuiten, hij bewoog zich snel en was ontzaglijk sterk. Er was niets menselijks aan zijn gezicht, al was hij door een mens verwekt. Hij overtrof alle pishacha's, de spookwezens die zich met bloed voeden, en alle verwante stammen, en ook alle rakshasa's. Hij was nog maar net geboren, en in hetzelfde uur groeide hij al op tot een jonge man; al gauw was hij meester in het gebruik van alle wapens. Rakshasa-vrouwen baren op dezelfde dag waarop ze zwanger worden, en omdat ze elke gedaante kunnen aannemen die ze willen, veranderen ze voortdurend van gedaante.
Kort na zijn geboorte boog het kind, die grote boogschutter met zijn kale hoofd, voor zijn moeder en raakte haar voeten aan, en ook die van zijn vader. Toen gaven zijn ouders hem een naam. Zijn moeder had gezegd dat zijn hoofd zo kaal was als een ghata, een waterpot, en daarom noemden ze hem Ghatotkacha, kaal als een pot. Ghatotkacha was de Pandava's toegewijd, hij werd hun lieveling, en hij was bijna een van hen. Indra had Ghatotkacha, die grote wagenstrijder, geschapen voor de ondergang van Karna, die in kracht zijn gelijke niet had, om de speer die Indra Karna later zou geven, een speer die de dood bracht aan ieder die ermee getroffen werd.
Hidimbi wist dat de tijd van haar verblijf bij haar man voorbij was. Ze groette de Pandava's, maakte een nieuwe afspraak met hen, en ging waarheen ze wilde. Ghatotkacha beloofde zijn vader dat hij zou komen wanneer hij nodig was, groette hen en ging naar het noorden.
Ekachakra
De Pandava's trokken van woud naar woud en joegen op herten en ander wild om te eten. Op hun zwerftocht kwamen ze door de landen van vele volken: dat van de Matsya's, de Trigarta's en de Panchala's, en daarna dat van de Kichaka's, met vele mooie wouden en meren. Ze droegen allemaal hun haar samengekoekt tot strengen en waren gekleed in boomschors en dierenhuiden: met Kunti in hun midden trokken ze als asceten door het land. Soms droegen ze hun moeder op hun rug en haastten ze zich voort, soms gingen ze vermomd, en soms trokken ze weer in grote vaart verder. Onderweg bestudeerden ze de Rigveda en de andere Veda's, en ook de hulpwetenschappen van de Veda, en de leer van de dharma en van de staatskunst.
Op een keer ontmoetten ze hun grootvader Vyasa, de zoon van Satyavati. Ze groetten hem eerbiedig en bleven met hun moeder met gevouwen handen voor hem staan.
'Ik wist al vooraf van jullie nood,' zei Vyasa, 'van de verbanning waarmee de zoon van Dhritarashtra jullie heeft bedrogen. Daarom ben ik naar jullie toe gekomen: ik wil jullie helpen. Treur niet om wat jullie is overkomen. Het is allemaal tot jullie geluk. De zonen van Dhritarashtra en jullie zijn in mijn ogen allemaal gelijk. Maar mensen houden altijd meer van wie in nood is of nog jong. Daarom is mijn liefde voor jullie nu groter, en omdat ik van jullie houd, wil ik jullie goed doen. Niet ver van hier ligt een mooie stad waar geen gevaar jullie kan bereiken. Woon daar in vermomming, en wacht tot ik terugkom.'
Vyasa bracht de Pandava's naar de stad Ekachakra, en onderweg stelde hij ook Kunti gerust. 'Leef, mijn dochter,' zei hij. 'Deze zoon van je, Yudhishthira, die altijd de waarheid is toegewijd, zal door zijn rechtvaardigheid de hele wereld veroveren en over alle andere koningen op aarde heersen. Met de kracht van Bhima en Arjuna zal hij de hele aarde veroveren, tot aan de zeeën die haar omringen, en over haar heersen. Jouw zonen en de zonen van Madri, allemaal grote wagenstrijders, zullen met vreugde in hun rijk leven zoals ze willen. Ze zullen ook vele offers brengen, de rajasuya, het koningsoffer waarmee een koning zich tot opperkoning laat wijden, en het paardenoffer, met een rijk offerloon voor de brahmanen. En deze zonen van je zullen over het rijk van hun voorouders heersen, en hun vrienden en verwanten in overvloed en geluk laten leven.'
In Ekachakra bracht Vyasa hen onder in het huis van een brahmaan. 'Wacht hier op mij,' zei hij tegen de oudste van de Pandava's. 'Ik kom bij jullie terug. Als jullie je naar het land en naar de omstandigheden weten te schikken, zal het jullie goed gaan.'
De Pandava's beloofden het, en de rishi Vyasa ging weer weg, naar de streek waar hij vandaan kwam.
De grasspriet
'Brahmaan,' vroeg Janamejaya, 'wat deden de zonen van Kunti toen ze in Ekachakra waren aangekomen?'
En Vaishampayana vertelde verder.
De zonen van Kunti woonden een tijd in het huis van de brahmaan in Ekachakra. Ze haalden hun eten op bij de huizen, als bedelende brahmanen, en de mensen van Ekachakra hielden hen ook voor brahmanen. Op hun tochten zagen ze allerlei mooie wouden en streken, en vele rivieren en meren, en om hun goede eigenschappen werden ze al gauw geliefd bij de mensen van de stad. Bij het vallen van de avond legden ze alles wat ze gekregen hadden voor Kunti neer, en Kunti verdeelde het, en ieder nam wat hem was toebedeeld: de vier broers en hun moeder namen samen de ene helft van alles, en Bhima nam in zijn eentje de andere helft.
Op een dag, toen de anderen op hun tocht waren, was Bhima thuis gebleven bij zijn moeder, en Kunti hoorde uit de kamers van de brahmaan een luid, hartverscheurend gejammer komen. Ze hoorde de mensen in het huis huilen en klagen, en uit medelijden en uit de goedheid van haar hart kon ze dat niet onverschillig aanhoren.
'Onze ellende is voorbij, mijn zoon,' zei ze tegen Bhima. 'We wonen hier gelukkig in het huis van deze brahmaan, hij eert ons, en de zoon van Dhritarashtra weet niet waar we zijn. Ik denk er steeds over na wat ik voor deze brahmaan kan doen, zoals mensen doen die gelukkig in het huis van een ander wonen. Een echte man is iemand bij wie een goede daad nooit verloren gaat, iemand die anderen meer teruggeeft dan hij van hen krijgt. Er is deze brahmaan een ramp overkomen. Als we hem konden helpen, zouden we hem zijn diensten kunnen vergelden.'
'Zoek uit wat de brahmaan zo in nood brengt, moeder, en waar het vandaan komt,' zei Bhima. 'Als ik alles weet, zal ik hem eruit helpen, hoe moeilijk het ook is.'
Terwijl moeder en zoon zo met elkaar praatten, hoorden ze opnieuw een jammerkreet, van de brahmaan en zijn vrouw. Kunti liep haastig naar de binnenkamers van de brahmaan, zoals een koe naar haar vastgebonden kalf rent. Ze zag de brahmaan zitten met zijn vrouw, zijn zoon en zijn dochter, met diepbedroefde gezichten, en ze hoorde de brahmaan zeggen:
'Schande over dit aardse leven, dat hol is als een riet en zo vruchteloos, dat op verdriet rust, dat geen vrijheid kent en ellende als zijn lot heeft! Leven is verdriet en ziekte. Men moet de dharma volgen, voorspoed zoeken en verlangen bevredigen, alle drie tegelijk, en daarom botsen ze telkens, en dat brengt veel ellende. Sommigen zeggen dat moksha, de bevrijding uit de kringloop van geboorte en dood, het hoogste doel is, maar ik geloof niet dat iemand haar ooit bereikt. Rijkdom verwerven is een kwelling, en wie rijk is, lijdt nog meer. Ik zie geen middel om aan dit gevaar te ontkomen, en geen manier om met mijn vrouw hiervandaan te vluchten naar een streek waar geen gevaar is. Denk eraan, vrouw, dat ik vroeger naar een andere plek wilde trekken, waar we gelukkig zouden zijn, maar je wilde niet naar me luisteren. Hoe vaak ik het je ook vroeg, je zei: "Hier ben ik geboren en hier ben ik oud geworden, dit is het huis van mijn voorouders." Je vader en je moeder zijn lang geleden naar de hemel van de goden gegaan, en al je verwanten zijn dood. Waarom wilde je hier dan toch blijven wonen? Nu is de tijd gekomen dat je de dood van een verwant moet zien. Of misschien is de tijd voor mijn eigen dood gekomen, want zolang ik leef, kan ik niet een van de mijnen wreed in de steek laten.
Jij bent mijn hulp bij alles wat goed is, je geeft jezelf weg, je bent altijd zo lief voor me als een moeder. Ik heb je met de juiste riten gekozen en tot vrouw genomen, en ik kan jou, die je geloften zo trouw houdt, niet opgeven om mijn eigen leven te redden. Hoe kan ik mijn zoon opofferen, een kind dat nog geen baard heeft? Hoe kan ik mijn dochter opofferen, die ik zelf verwekt heb? De Beschikker, die ieder schepsel zijn deel toemeet, heeft haar als pand in mijn handen gelegd om haar aan een man te geven, en door haar hoop ik met mijn voorouders de werelden te bereiken die alleen openstaan voor wie de zoon van een dochter heeft. Sommigen zeggen dat een vader meer van een zoon houdt, anderen dat hij meer van een dochter houdt; ik houd evenveel van allebei. En als ik mezelf opoffer en naar de andere wereld ga, vind ik daar ook geen rust, want zonder mij kunnen zij niet in leven blijven. Wie ik ook opoffer, het is wreed en laakbaar; en offer ik mezelf, dan gaan zij te gronde. Wat moet ik vandaag met de mijnen beginnen? Het is beter dat ik met hen allemaal sterf, want ik kan niet langer leven.'
'Je moet niet treuren als een gewoon mens, brahmaan,' zei zijn vrouw. 'Dit is ook niet het ogenblik om te rouwen. Je bent geleerd; je weet dat alle mensen moeten sterven, en om wat onvermijdelijk is, treurt men niet. Een vrouw, een zoon, een dochter: die zoekt een man allemaal voor zichzelf. Jij hebt een goed verstand, verdrijf je verdriet. Ik ga zelf. Dat is de hoogste en de eeuwige dharma van een vrouw: dat ze haar leven geeft voor het welzijn van haar man. Wat ik doe, zal jou gelukkig maken, en het brengt mij roem in deze wereld en eindeloos geluk daarna. Waarvoor een man een vrouw verlangt, heb je door mij al bereikt: ik heb je een dochter en een zoon gebaard, en zo heb ik mijn schuld aan jou afgelost. Jij kunt de kinderen onderhouden en verzorgen; ik kan dat nooit zoals jij. Jij bent mijn leven, mijn rijkdom en mijn heer: hoe zouden deze kleine kinderen zonder jou kunnen bestaan, en ik zelf?
Zoals vogels gretig afkomen op vlees dat op de grond is gegooid, zo komen mannen af op een vrouw die haar man verloren heeft. Als slechte mensen me belagen, ga ik misschien wankelen, en kan ik niet op het pad blijven dat alle eerlijke mensen wensen. Onwaardige mannen zullen om de hand van jouw dochter vragen, zoals shudra's die de Veda willen horen. En als ik dit meisje met jouw bloed en jouw eigenschappen niet aan hen geef, nemen ze haar misschien met geweld mee, zoals kraaien de offerboter wegroven. Als ik zie dat je zoon zo anders wordt dan jij, en dat je dochter in de macht van onwaardige mannen is, zullen zelfs oneerlijke mensen me minachten, en dan sterf ik. En deze kinderen zullen zonder ons tweeën omkomen als vissen wanneer het water opdroogt. Daarom moet je mij opofferen.
De kenners van de dharma zeggen dat het voor een vrouw die kinderen heeft gebaard de hoogste verdienste is om vóór haar man te sterven. Ik ben bereid deze zoon en deze dochter, mijn verwanten en het leven zelf voor jou op te geven. Een vrouw mag men nooit doden, en rakshasa's zijn niet onwetend van de dharma. De rakshasa doodt een man in elk geval, maar of hij ook een vrouw doodt, is onzeker. Jij kent de dharma: stuur mij dan naar de rakshasa. Ik heb veel geluk gekend, ik heb veel gekregen wat me lief was, ik heb veel verdienste verworven, en ik heb van jou kinderen gekregen die me zo dierbaar zijn. Daarom vind ik het niet erg om te sterven. Laat mij los, eerwaarde man, dan kun je een andere vrouw nemen, en met haar kun je opnieuw verdienste verwerven. Daar kleeft geen kwaad aan. Voor een man is het geen onrecht om meer vrouwen te hebben, maar voor een vrouw is het een groot onrecht om na haar eerste man een tweede te nemen. Denk aan dit alles, en bedenk ook dat het laakbaar is jezelf op te offeren, en red vandaag nog jezelf, je geslacht en je kinderen door mij los te laten.'
De brahmaan sloeg zijn armen om haar heen, en zonder een woord huilden ze allebei. Hun dochter had alles gehoord wat haar ouders in hun verdriet zeiden. 'Waarom zijn jullie zo bedroefd, en waarom huilen jullie zo, alsof niemand voor jullie zorgt?' zei ze. 'Luister naar me, en doe dan wat goed is. Eens moet u mij toch weggeven, vader. Geef me dan nu weg, en red alles door mij alleen. Mensen willen kinderen omdat ze hopen dat kinderen hen zullen redden. Steek met mij de stroom van jullie ellende over, alsof ik een vlot ben. Een kind redt zijn ouders in deze wereld en in de andere: een kind heet putra, omdat het zijn ouders uit Put redt, het oord van kwelling. De voorouders verwachten van mij de zonen van een dochter; maar ik zal hen zelf al redden door het leven van mijn vader te beschermen. Mijn broertje is nog zo klein: als u nu sterft, sterft hij ook. En als u sterft en mijn broertje volgt u, dan valt de pinda weg, de rijstballen die men de voorouders offert, en dan lijden de voorouders.'
Ze keek naar haar moeder.
'Dan blijf ik achter zonder vader en zonder broer, en ook zonder moeder, want zij overleeft haar man en haar zoon niet, en ik zal steeds dieper in ellende wegzinken en ten slotte in grote nood omkomen. Maar als u aan dit gevaar ontkomt, en mijn moeder en mijn broertje ook, dan blijven uw geslacht en de pinda bestaan. Een zoon is de man zelf, een vrouw is zijn vriend, maar een dochter is een bron van zorgen. Neem die zorg weg en red uzelf, en zet me zo op het pad van de dharma. Als ik als meisje zonder u achterblijf, ben ik hulpeloos en ellendig, en moet ik overal rondzwerven. Daarom heb ik besloten het geslacht van mijn vader te redden en de verdienste van die daad te delen door deze zware taak op me te nemen. Als u zelf naar de rakshasa gaat en mij hier achterlaat, zal ik veel pijn lijden. Wees goed voor me, vader, voor ons, voor de dharma en voor uw geslacht, en geef mij op; eens zult u toch van me moeten scheiden, en wat onvermijdelijk is, hoeft niet uitgesteld te worden. Wat kan er pijnlijker zijn dan dat wij, als u naar de wereld van de goden bent gegaan, als honden bij vreemden om ons eten moeten bedelen? Maar als u met uw verwanten uit deze nood komt, zal ik gelukkig leven in de hemel van de goden. Ik heb gehoord dat de goden en de hemelingen u goedgezind zullen zijn als u uw dochter op deze manier weggeeft en daarna offers voor hen brengt.'
Haar ouders werden er nog bedroefder van, en met hun drieën zaten ze te huilen. Hun zoontje, nog maar een klein kind, zag zijn vader, zijn moeder en zijn zus zo samen huilen. Zijn ogen werden groot van plezier, en met zijn lieve stemmetje zei hij: 'Niet huilen, vader. Niet huilen, moeder. Niet huilen, zus.' Glimlachend liep hij naar ieder van hen toe. Ten slotte pakte hij een grasspriet op en riep: 'Hiermee dood ik de rakshasa die mensen opeet!'
Ze waren alle drie diep in de ellende, maar toen ze hoorden wat het kind zo lief zei, kwam er vreugde op hun gezichten. Kunti vond dat het juiste ogenblik, en ze ging naar hen toe. Wat ze zei, was voor hen als nectar die een dode weer tot leven brengt.
'Ik wil graag van u horen wat de oorzaak is van dit verdriet,' zei ze, 'want als het kan, neem ik het weg.'
'Wat u zegt, past bij een vrouw die zo rijk is aan ascese,' antwoordde de brahmaan. 'Maar dit verdriet kan geen mens wegnemen. Niet ver van deze stad woont een rakshasa die Baka heet, een menseneter met reuzenkracht, en hij is de heer van deze streek en van deze stad. Zijn macht beschermt de stad en het land waarin ze ligt; voor de listen van vijanden hoeven we niet bang te zijn, en voor geen enkel levend wezen. Maar het loon dat voor die menseneter is vastgesteld, is zijn voedsel: een kar vol rijst, twee buffels, en een mens die het hem brengt. De huisvaders moeten hem dat voedsel om de beurt sturen. Het duurt vele lange jaren voor de beurt weer bij dezelfde familie komt. Als iemand eraan probeert te ontkomen, doodt de rakshasa hem met zijn kinderen en zijn vrouwen en eet hij hen allemaal op.
In dit land is een stad, Vetrakiya, waar de koning van deze streken woont. Hij weet niets van regeren, hij heeft weinig verstand, en hij neemt geen enkele maatregel om het land voor altijd veilig te maken. Maar wij verdienen het allemaal, want wij blijven wonen in het rijk van die ellendige, zwakke koning, in voortdurende angst. Brahmanen kan niemand dwingen voorgoed in iemands rijk te wonen, want ze hangen van niemand af; ze leven als vogels, die in volkomen vrijheid door alle landen trekken. Men zegt dat men eerst een goede koning moet zoeken, dan een vrouw, en dan rijkdom. Wie die drie verwerft, kan zijn verwanten en zijn zonen redden. Maar bij het verwerven van die drie heb ik het omgekeerd gedaan, en nu ben ik in een zee van gevaar gestort en lijd ik zwaar. De beurt die een familie vernietigt, is nu aan mij gekomen. Ik moet de rakshasa als zijn loon het voedsel geven dat ik noemde, en een mens erbij. Ik heb geen geld om een mens te kopen.' Hij keek naar zijn vrouw en zijn kinderen. 'Ik kan niet toestaan dat een van hen gaat, en ik zie geen enkele manier om aan de klauwen van die rakshasa te ontkomen. Daarom ga ik vandaag met mijn hele familie naar hem toe, zodat die ellendeling ons allemaal tegelijk kan opeten.'
'Treur niet om dit gevaar, brahmaan,' zei Kunti. 'Ik zie een manier om u van die rakshasa te redden. U hebt maar één zoon, en die is nog klein, en maar één dochter, jong en hulpeloos. Ik wil niet dat een van hen gaat, of uw vrouw, of uzelf. Ik heb vijf zonen, brahmaan. Laat een van hen gaan en voor u het loon van die rakshasa brengen.'
'Om mijn eigen leven te redden, sta ik dat nooit toe,' zei de brahmaan. 'Nooit offer ik voor mezelf het leven van een brahmaan of van een gast op. Zelfs mensen van lage afkomst en met slechte gewoonten weigeren te doen wat u me vraagt. Men zegt dat men zichzelf en zijn kinderen moet opofferen voor het welzijn van een brahmaan. Dat vind ik een uitstekende raad, en ik wil hem volgen. Als ik moet kiezen tussen de dood van een brahmaan en mijn eigen dood, kies ik mijn eigen dood. De moord op een brahmaan is het grootste kwaad, en geen rite kan het uitwissen. Het is beter tegen mijn zin mezelf op te offeren dan tegen mijn zin een brahmaan op te offeren. Als ik mezelf opoffer, maak ik mezelf niet van kant; er kleeft geen kwaad aan mij als een ander mijn leven neemt. Maar als ik er bewust in toestem dat een brahmaan sterft, is dat een wrede en slechte daad, en aan de gevolgen daarvan valt niet te ontkomen. Het is net zo verwerpelijk iemand in de steek te laten die in je huis is gekomen of bij je bescherming zoekt, en ook iemand te doden die de dood zoekt uit jouw handen. En zelfs wie het best weet wat in tijden van nood geoorloofd is, zegt dat men nooit iets wreeds en laakbaars mag doen. Het is goed dat ik vandaag zelf met mijn vrouw omkom, maar ik zal nooit instemmen met de dood van een brahmaan.'
'Ook ik ben er vast van overtuigd, brahmaan, dat men brahmanen altijd moet beschermen,' zei Kunti. 'En geen van mijn zonen zou me minder dierbaar zijn als ik er honderd had in plaats van vijf. Maar deze rakshasa zal mijn zoon niet kunnen doden, want die zoon van mij is vol kracht en moed, en bedreven in mantra's. Hij zal de rakshasa trouw zijn voedsel brengen, maar ik weet zeker dat hij zichzelf zal redden. Ik heb al vaker gezien hoe rakshasa's met enorme lijven met mijn dappere zoon vochten, en hoe hij hen doodde. Maar vertel dit aan niemand, brahmaan. Als het bekend wordt, zullen mensen die zijn kracht willen verwerven, mijn zonen uit nieuwsgierigheid voortdurend lastigvallen. En de wijzen zeggen dat wie van mijn zoon iets leert zonder dat diens leraar het heeft toegestaan, met die kennis niets kan beginnen.'
De brahmaan en zijn vrouw stemden in met wat Kunti zei. Met de brahmaan ging Kunti naar Bhima, en ze vroeg hem die moeilijke taak te volbrengen. 'Ik doe het,' zei Bhima.
Kort daarna kwamen de andere Pandava's thuis met wat ze die dag hadden gekregen. Yudhishthira hoefde alleen naar Bhima's gezicht te kijken om te vermoeden wat die op zich had genomen. Hij ging naast zijn moeder zitten en vroeg haar zonder dat iemand het hoorde: 'Moeder, wat is dat voor taak die Bhima wil volbrengen? Doet hij het op jouw bevel, of uit zichzelf?'
'Op mijn bevel,' zei Kunti. 'Bhima zal deze daad verrichten voor het welzijn van de brahmaan en om deze stad te bevrijden.'
'Wat heb je voor onbezonnen daad begaan, moeder! Het is haast niet te doen, het komt bijna neer op zelfmoord! De wijzen prijzen het nooit als iemand zijn eigen kind opgeeft. Waarom wil je je eigen kind opofferen voor dat van een ander? Door je kind zo op te geven, heb je niet alleen tegen de gewoonten van de mensen in gehandeld, maar ook tegen de leer van de Veda. Bhima, op wiens armen we vertrouwen als we 's nachts rustig slapen, door wie we hopen het koninkrijk terug te winnen dat de hebzuchtige zoon van Dhritarashtra ons heeft afgenomen; die held met zijn onmetelijke kracht, om wiens kracht Duryodhana en Shakuni de hele nacht geen oog dichtdoen; door wiens kracht we gered zijn uit het huis van lak en uit zoveel andere gevaren; Bhima, door wie Purochana omkwam, op wiens kracht we vertrouwen alsof we de zonen van Dhritarashtra al gedood hebben en de hele aarde met al haar rijkdom al gewonnen: om welke reden, moeder, heb je besloten hem op te geven? Ben je je verstand kwijt? Is je oordeel vertroebeld door alle rampen die je hebt doorstaan?'
'Yudhishthira,' zei Kunti, 'je hoeft je om Bhima geen zorgen te maken. Ik heb dit niet besloten omdat mijn verstand me in de steek laat. We wonen hier geëerd en onbekend in het huis van deze brahmaan, en ons verdriet is verzacht. Om hem dat te vergelden heb ik dit besloten, mijn zoon. Ik heb Bhima's kracht gezien toen we uit het huis van lak ontsnapten, en toen hij Hidimba doodde, en daarom heb ik groot vertrouwen in hem. De kracht van Bhima's armen is gelijk aan die van tienduizend olifanten. Daarom kon hij jullie allemaal, elk zo zwaar als een olifant, uit Varanavata wegdragen. Er is niemand op aarde die zo sterk is als Bhima; hij zou zelfs Indra kunnen overwinnen, die de bliksem draagt. Kort na zijn geboorte viel hij uit mijn schoot op de helling van de berg, en door het gewicht van zijn lichaam brak het rotsblok waarop hij viel in stukken. Ook daaraan heb ik zijn kracht leren kennen. Daarom zet ik hem in tegen de vijand van de brahmaan.
Ik heb dit niet uit dwaasheid gedaan, of uit onwetendheid, of uit winstbejag. Ik doe deze goede daad weloverwogen. Hiermee bereiken we twee dingen, Yudhishthira: we vergelden de diensten van de brahmaan, en we verwerven een grote verdienste. Ik ben ervan overtuigd dat een kshatriya die een brahmaan in iets helpt, na zijn dood de werelden van het geluk bereikt. Een kshatriya die het leven van een kshatriya redt, verwerft grote roem, in deze wereld en in de andere. Een kshatriya die een vaishya op aarde helpt, wordt overal geliefd. En wie uit de stand van de koningen komt, moet zelfs een shudra beschermen die bij hem bescherming zoekt; dan wordt hij in zijn volgende leven in een koningsgeslacht geboren, in welvaart en geëerd door andere koningen. Dat heeft Vyasa me lang geleden gezegd, Vyasa, die zijn wijsheid met zware ascese heeft verworven.'
'Wat je weloverwogen hebt gedaan, moeder, uit medelijden met de brahmaan in zijn nood, is juist,' zei Yudhishthira. 'Bhima komt levend terug, als hij de menseneter heeft gedood, want je bent altijd goed voor brahmanen. Maar zeg tegen de brahmaan dat hij niets mag doen waardoor de mensen van deze stad het te weten komen, en laat hem beloven dat hij doet wat je hem vraagt.'
De volgende ochtend nam Bhima het voedsel voor de rakshasa mee en ging op weg naar de plek waar de menseneter woonde. In het woud van de rakshasa begon hij zelf het voedsel op te eten dat hij bij zich had, en luid riep hij de rakshasa bij zijn naam.
De rakshasa hoorde het en kwam naar buiten, naar de plek waar Bhima was. Hij was reusachtig, en alles aan hem was rood: zijn ogen, zijn baard, zijn haar. Hij stampte zo zwaar dat hij diepe sporen in de aarde achterliet. Zijn mond liep van oor tot oor, en zijn oren stonden recht omhoog. Hij keek dreigend, en op zijn voorhoofd stonden drie diepe rimpels. Hij zag Bhima zijn eten opeten, beet op zijn onderlip, en zijn ogen puilden uit.
'Wie is dat, die zo graag naar het rijk van Yama wil,' zei hij, 'en die voor mijn ogen het voedsel opeet dat voor mij bestemd is?'
Bhima grijnsde alleen, keek niet om en at door. De rakshasa krijste en kwam met geheven armen op hem af om hem te doden. Ook toen trok Bhima zich niets van hem aan. Hij wierp hem één blik toe en at verder van het voedsel van de rakshasa. Van achteren sloeg de rakshasa hem met allebei zijn armen op zijn rug, zo hard hij kon. Bhima keek niet eens op, en hij at door zoals eerst. Nu rukte de rakshasa een boom uit de grond en kwam weer op hem af om opnieuw toe te slaan.
Intussen had Bhima op zijn gemak het hele maal opgegeten. Hij waste zich en ging opgewekt klaarstaan voor het gevecht. Glimlachend ving hij met zijn linkerhand de boom op die de rakshasa naar hem wierp. De rakshasa rukte nog veel meer bomen uit en wierp ze naar Bhima, en Bhima wierp er evenveel terug. Het gevecht met bomen tussen de mens en de rakshasa werd zo hevig dat er al gauw rondom geen boom meer stond. De rakshasa riep dat hij niemand minder was dan Baka, sprong op Bhima af en greep hem met zijn armen vast. Bhima sloeg zijn armen om hem heen en rukte hem naar zich toe, de rakshasa rukte terug, en zo worstelden ze tot Baka doodmoe was. De aarde begon te beven van de kracht die ze allebei inzetten, en de bomen die daar stonden, versplinterden.
Bhima zag dat Baka uitgeput was, en hij drukte hem met zijn knieën tegen de grond en sloeg op hem in. Toen zette hij één knie midden op de rug van de rakshasa, greep met zijn rechterhand zijn nek en met zijn linkerhand de doek om zijn middel, en met al zijn kracht boog hij hem achterover. Baka brulde afschuwelijk, en terwijl hij zo op Bhima's knie werd gebroken, begon hij bloed te braken.
Schreeuwend stierf Baka, die zo groot was als een berg. Van dat geluid schrokken zijn verwanten, en ze kwamen met hun dienaren naar buiten. Bhima zag dat ze zo bang waren dat ze van zinnen waren, en hij stelde hen gerust en liet hen beloven dat ze geen mensen meer zouden eten. 'Dood nooit meer mensen,' zei hij. 'Als jullie mensen doden, zullen jullie sterven zoals Baka.'
De rakshasa's beloofden het. Vanaf die dag zagen de mensen van de stad dat de rakshasa's van die streek hen met rust lieten. Bhima sleepte de dode mee en legde hem bij een van de poorten van de stad, en hij ging weg zonder dat iemand hem zag. De verwanten van Baka zagen hoe hij door Bhima's kracht gedood was, en ze vluchtten alle kanten op.
Bhima ging terug naar het huis van de brahmaan en vertelde Yudhishthira tot in de kleinste bijzonderheden wat er gebeurd was. De volgende ochtend zagen de mensen die de stad uit kwamen de rakshasa dood op de grond liggen, verminkt en onder het bloed, zo groot als hij was, en hun haren gingen overeind staan. Ze gingen terug naar Ekachakra en vertelden het al gauw rond. Toen kwamen de burgers met duizenden, met hun vrouwen, jong en oud, naar de plek om Baka te zien, en ze stonden allemaal verbaasd over die bovenmenselijke daad. Meteen brachten ze hun goden eer. Daarna gingen ze na wiens beurt het de vorige dag was geweest om de rakshasa zijn voedsel te brengen, en ze kwamen allemaal naar de brahmaan en vroegen hem wat er gebeurd was.
Ze vroegen het hem keer op keer, maar de brahmaan wilde zijn gasten verborgen houden. 'Toen ik het voedsel voor de rakshasa moest leveren, zag een grootmoedige brahmaan, bedreven in mantra's, me met mijn familie huilen,' zei hij tegen alle burgers. 'Hij vroeg me waarom, en hij hoorde van de nood van de stad. Toen stelde hij me gerust, en glimlachend zei hij: "Vandaag breng ik het voedsel voor die ellendige rakshasa. Wees niet bang om mij." En hij bracht het voedsel naar het woud van Baka. Hij heeft deze daad verricht, die ons allemaal zo ten goede komt.'
De brahmanen en de kshatriya's van de stad stonden versteld. De vaishya's en de shudra's vierden het, en samen stelden ze een feest in, waarvan de verering van de brahmanen de belangrijkste plechtigheid was.