Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Boek 1 · achteraf

Nawoord

Boek 1 · Het huis van de Kuru's

De bron

Voor zover bekend bestaat er geen volledige Nederlandse vertaling van de Mahabharata. Deze hervertelling berust op de Engelse vertaling van Kisari Mohan Ganguli, die tussen 1883 en 1896 in Calcutta verscheen, uitgegeven door Pratap Chandra Roy. Het is een volledige vertaling van alle achttien parva's, en ze behoort al lang tot het publieke domein.

Ganguli vertaalde de Sanskriettekst zoals die in de negentiende eeuw in de gangbare Indiase drukken stond. Die tekst noemt men de vulgaat. De Mahabharata is in de loop van de eeuwen overgeleverd in een groot aantal handschriften uit alle delen van India, en die handschriften verschillen van elkaar, soms in een woord, soms in een heel verhaal. Het Bhandarkar Oriental Research Institute in Pune heeft ze vergeleken en tussen 1933 en 1966 een kritische editie uitgegeven. Die zoekt de gemeenschappelijke kern van de overlevering; wat maar in een deel van de handschriften voorkomt, staat daar in voetnoten en aanhangsels.

Die kritische editie is alleen geraadpleegd, om te zien waar Ganguli's tekst ervan afwijkt en waar hij als vertaler iets verzachtte of een eigen gedachte inbracht. Op een paar plaatsen volgt dit boek daarom het Sanskriet. Waar Ganguli zegt dat een brahmaan alle schepselen 'geloof in God' moet inboezemen (hoofdstuk 3), zegt het Sanskriet dat hij alle wezens moet vrijwaren van angst. En de grove opdracht die Utanka in hoofdstuk 2 krijgt, staat hier zoals het Sanskriet haar geeft; Ganguli had haar gekuist.

Opnieuw verteld betekent hier: volledig in inhoud, in eigen Nederlandse zinnen. Ganguli's Engels is de bron van wat er gebeurt en gezegd wordt, niet van de formulering. Moderne vertalingen, die niet vrij zijn, zijn nergens als basis gebruikt. Er is geen gebeurtenis, geen personage en geen uitspraak toegevoegd die niet in de bron staat. Wat wel is toegevoegd, zijn korte bijzinnen die uitleggen wie iemand is of wat een woord betekent, en op een handvol plaatsen een zin die helpt de draad of de tijd te volgen.

Wat is ingekort, samengevoegd of verplaatst, is per geval vastgelegd en verantwoord. De grootste ingrepen in dit boek: in de klaagzang van Dhritarashtra in hoofdstuk 1 spreekt de blinde koning zijn refrein in de bron ruim zestig keer uit; hier vijfentwintig keer, en wat in de andere regels staat, wordt op zijn eigen plaats verteld. De samenvattingen per parva die in de bron op de lijst van achttien parva's volgen, zijn een inhoudsopgave van het hele epos; ze komen als bijlage bij het laatste boek. Lange namenlijsten van slangen, priesters, goden en koningen, en een paar hymnen, zijn in het verhaal ingekort en staan achterin volledig. Waar de lof op het werk en op de verdienste van wie ernaar luistert zich herhaalt, is die korter gemaakt, en hier en daar is een beschrijving van natuur of strijd samengevat.

Wat deze bewerking doet en laat

De vertellers blijven zichtbaar. Sauti vertelt aan de wijzen in het woud, Vaishampayana aan koning Janamejaya, en de personages aan elkaar. In de bron spreekt Vaishampayana zijn koning in bijna elke zin aan: 'o koning', 'o Bharata', 'o vorst'. Die aansprekingen zijn hier grotendeels weggelaten, net als die van Sauti. Op een paar plaatsen waar het verhaal een wending neemt, staan ze er nog: dan hoor je dat Janamejaya meeluistert.

U en je. Het Nederlands moet steeds kiezen tussen u en je. Die keuze volgt de rangorde in het verhaal. Een sterveling zegt u tegen een god, een koning of een leraar; een god zegt je tegen een sterveling, een koning tegen een onderdaan, ouders tegen hun kinderen. Broers, vrienden en echtgenoten zeggen je tegen elkaar, maar een koningin spreekt haar man in het openbaar met u aan. Een kind zegt je tegen zijn moeder en u tegen zijn vader. Wie die orde doorbreekt, doet dat met opzet, uit woede of minachting.

Sommige gebeurtenissen worden pas verteld wanneer ze plaatsvinden. In de oorspronkelijke tekst wordt de afloop vaak al vroeg genoemd, in lijsten en samenvattingen. Zo noemt de bron in de opsomming van de goden die op aarde geboren worden (hoofdstuk 8) al de moeder van Karna. Zulke vooruitwijzingen zijn hier verplaatst naar het moment waarop het gebeurt: Karna's afkomst staat nu in hoofdstuk 14, bij zijn geboorte. Twee dingen zijn daarbij bewust gebleven. De grote vooruitblik aan het begin, de klaagzang van de blinde koning en de inhoud van het epos in hoofdstuk 1, staat er zoals de bron hem heeft: dat de lezer de afloop kent, hoort bij het epos. En wat personages zelf voorspellen, in een profetie, een vloek of een stem uit de lucht, blijft altijd staan.

Herhalingen. Sommige verhalen komen twee of drie keer voor. Parashurama, Rama met de bijl, die de kshatriya's uitroeit, komt terug in hoofdstuk 1, 8 en 13. De dood van koning Parikshit wordt in hoofdstuk 6 verteld en in hoofdstuk 7 opnieuw, nu door zijn ministers, met een ooggetuige erbij. Het verhaal van Astika staat eerst kort in hoofdstuk 3 en daarna volledig in hoofdstuk 4 tot en met 7. Satyavati's ontmoeting met Parashara in de mist staat in hoofdstuk 8, en in hoofdstuk 13 vertelt ze het zelf, met schaamte. Yayati's geschiedenis wordt aan het begin van hoofdstuk 10 samengevat voordat ze in hoofdstuk 10 en 11 volledig wordt verteld. Zulke herhalingen horen bij een verhaal dat over vele dagen wordt voorgedragen, in de pauzes van een offer: de verteller keert terug naar wat zijn gehoor al kent en brengt telkens iets nieuws mee.

Soms verschillen de versies in details. Surabhi, de moeder van alle koeien, is in hoofdstuk 8 een dochter van Krodha en in hoofdstuk 12 een dochter van Daksha. In hoofdstuk 14 krijgt Gandhari de gunst van honderd zonen eerst van Shiva en een paar bladzijden later van Vyasa. De rishi Mandavya noemt in hoofdstuk 13 binnen enkele zinnen eerst twaalf en dan veertien jaar als grens; de kritische editie kent alleen de veertien. En het geslacht van Puru wordt twee keer opgesomd, met andere namen; de stambomen achterin geven beide. Zulke verschillen staan in de bron, en ze zijn hier niet gladgestreken.

Wat hard is, blijft hard. Wat Parashara van Satyavati wil, wat Surya van Kunti wil en wat Pandu Madri aandoet, wordt verteld zoals de bron het vertelt, zonder het mooier of lelijker te maken.

Bij een paar moeilijke passages

Een paar passages vragen om achtergrond, die hier zo feitelijk mogelijk volgt. Het epos is op veel plaatsen niet eens met zichzelf, en die spanningen staan in dit boek zoals ze in de bron staan.

Koeien en vlees. In hoofdstuk 8 ontvangt Janamejaya de rishi Vyasa volgens de voorschriften: met water voor zijn voeten en zijn mond, met de arghya en met een koe. Vyasa liet de koe gaan, zegt het Sanskriet, en zo staat het hier; de Engelse vertaling maakt ervan dat hij 'beval dat de koeien niet gedood mochten worden'. Daarachter staat een oude gastrite: volgens de oude handboeken voor het huisritueel kreeg een eregast een koe aangeboden en besliste hij zelf of ze geofferd werd of vrij mocht gaan. De oudste rituele teksten van India kennen dierenoffers, en daar hoorden ook runderen bij. Van koning Bharata zegt de Engelse vertaling in hoofdstuk 9 dat hij 'het koeoffer en het paardenoffer' bracht; de kritische editie spreekt van één paardenoffer met de naam govitata, en dat volgt dit boek. In hoofdstuk 8 jaagt een koning op verzoek van zijn voorouders herten voor hun dodenoffer. Tegelijk geldt in hoofdstuk 11 het eten van vlees al als teken van een onrein volk.

In de eeuwen daarna kregen ahimsa, het niet-schaden van levende wezens, en het vegetarisme steeds meer gewicht, en voor de meeste hindoes van nu is de koe onschendbaar. Ook dat staat in de Mahabharata: in een latere parva, het boek van de voorschriften, worden het schenken van koeien en het afzien van vlees uitvoerig geprezen, en al in hoofdstuk 1 noemt Sauti de koe de eerste onder de viervoeters. In het epos staan de oude offerwereld en wat erna kwam naast elkaar.

De vier standen. Het epos gaat uit van vier varna's, standen: de brahmanen, priesters en geleerden; de kshatriya's, krijgers en koningen; de vaishya's, boeren, veehouders en handelaars; en de shudra's, die de anderen dienen. Dat schema is iets anders dan de vele beroeps- en familiegroepen die later kasten zijn gaan heten, de jati's. In dit boek wordt de brahmaan steeds weer boven alle anderen gesteld. In hoofdstuk 5 noemt Vinata hem 'de voornaamste van de vier standen', en in dezelfde toespraak stuurt ze haar zoon Garuda eropuit om een heel vissersvolk op te eten. In hoofdstuk 13 vervloekt de rishi Mandavya de god Dharma om als shudra geboren te worden, en zo komt Vidura ter wereld. Kort daarna staat de zin dat Vidura geen koning kon worden 'omdat zijn moeder een shudra was'. Geboorte en vloek bepalen hier iemands plaats.

Maar de tekst botst daarover met zichzelf. Dezelfde zin die Vidura van de troon uitsluit, noemt hem de eerste onder de rechtvaardigen. De god van de dharma zelf wordt als shudra geboren. Mandavya, die de vloek uitspreekt, stelt in één adem een milde grens: wat een kind doet, telt niet als kwaad. De brahmaan die Garuda per ongeluk in zijn keel krijgt, vraagt of zijn vrouw met hem mee mag, een vrouw uit het volk dat Garuda net heeft verslonden. Vishvamitra wordt als kshatriya geboren en door zijn ascese een brahmaan (hoofdstuk 9). En verderop in het epos, in het boek van het woud, zegt Yudhishthira tegen een slang die hem op de proef stelt, dat niemand alleen door zijn geboorte brahmaan of shudra is: wie de deugden van een brahmaan heeft, is een brahmaan, en wie ze mist, is het niet. Die stemmen staan naast elkaar. Dit boek laat ze allemaal horen en zet er geen eigen oordeel tussen.

Madri's dood. In hoofdstuk 16 volgt Madri haar man op de brandstapel. De tekst vertelt het als haar keuze. Kunti wil eerst zelf gaan, de twee vrouwen spreken erover, en Madri gaat, terwijl Kunti blijft om de kinderen op te voeden. Niemand verwijt Kunti dat ze blijft. De tekst vertelt hier wat een personage doet; hij maakt er geen voorschrift van. Later werd de weduwverbranding in sommige streken en kringen een gebruik, dat sati ging heten, naar het Sanskrietwoord voor een trouwe vrouw. Indiase hervormers, onder wie Ram Mohan Roy, streden ertegen. Het Britse bestuur verbood de weduwverbranding in 1829 in Bengalen, en in het huidige India is ook het verheerlijken ervan strafbaar.

Arya. In hoofdstuk 11 vervloekt Yayati zijn zoon Turvasu: hij zal koning zijn over mensen 'die geen arya's zijn, geen volk dat de Veda eert'. Arya betekent in het Sanskriet edel, eerbaar, van goede afkomst: iemand die leeft volgens de regels van de Veda. Het woord zegt hier iets over gedrag en herkomst binnen een samenleving, niets over ras. In de negentiende en twintigste eeuw maakten Europese geleerden en ideologen er een naam voor een ras van, de Ariërs, en de nazi's hebben die betekenis misbruikt. Wie in een hindoegemeenschap in Suriname of Nederland is opgegroeid, kent het woord ook uit de naam van de Arya Samaj, een hervormingsbeweging uit de negentiende eeuw.

Krishna. In de meeste hindoetradities is Krishna een avatara, een nederdaling, van Vishnu, en voor velen de hoogste god zelf. Dit boek kondigt dat alleen aan. In hoofdstuk 1 zegt Sauti dat Vyasa de goddelijkheid van Krishna heeft beschreven, en in de klaagzang heet het dat Arjuna en Krishna Nara en Narayana zijn. In hoofdstuk 8 stemt Vishnu ermee in op aarde geboren te worden, en heet Krishna 'een deel van Narayana', van Vishnu dus. Krishna zelf treedt in dit boek nog niet op. Wie de Bhagavad Gita kent, herkent in de klaagzang al de moedeloze Arjuna op zijn wagen en Krishna die hem alle werelden in zijn eigen lichaam laat zien; dat gesprek staat in het boek van Bhishma. In hoofdstuk 1 staat ook dat Krishna, ontstemd, niets deed om de twist rond het dobbelspel te voorkomen. Zo staat het in de bron. Het epos neemt Krishna als mens en als god serieus en laat de vragen staan die zijn handelen oproept; deze hervertelling ook.

Ganesha als schrijver. In hoofdstuk 1 dicteert Vyasa zijn werk en schrijft Ganesha het op, op voorwaarde dat zijn pen geen ogenblik stil hoeft te staan. In de kritische editie staat het niet in de hoofdtekst: omdat het in een deel van de oude handschriften ontbreekt, is het naar een aanhangsel verwezen. De vulgaat, die Ganguli vertaalde, heeft het wel, en daarom staat het hier.

Bharata en de naam Bharat

In hoofdstuk 9 krijgt de zoon van Shakuntala en koning Dushyanta de naam Bharata, en de verteller zegt dat het grote geslacht van de Bharata's naar hem is genoemd. Dat is het geslacht van Janamejaya, van de Kuru's en van de Pandava's. Ook de titel verwijst ernaar: de Bharata is het verhaal van de Bharata's, en de Mahabharata de grote Bharata.

Oude teksten noemen het land Bharatavarsha, het land van de Bharata's, en in het Hindi en veel andere Indiase talen heet India nog altijd Bharat. Het eerste artikel van de grondwet van India luidt: 'India, dat is Bharat, zal een unie van staten zijn.' Veel mensen verbinden die naam met de zoon van Shakuntala. De teksten zijn het daarover niet eens: sommige purana's leiden de naam van het land af van een andere koning Bharata, en een volk dat Bharata's heet, komt al in de Veda voor. De Mahabharata zelf zegt in dit boek alleen dat het geslacht naar hem heet.

Wat je misschien kent, maar hier niet leest

Wie de verhalen kent uit de mandir, de hindoetempel, van grootouders, uit strips of van de televisie, mist hier soms iets. Meestal stamt zo'n detail uit een latere tekst, of wordt het pas verderop in de Mahabharata verteld. Bij elk punt is nagegaan wat de bron heeft.

De schildpad en de betoverende vrouw (hoofdstuk 4). Bij de karning van de oceaan zetten de goden de berg op de rug van 'de koning van de schildpadden'. Dat Vishnu zelf die schildpad is, Kurma, vertellen latere teksten, de purana's, zoals de Bhagavata Purana. Om de asura's de amrita af te nemen, neemt Vishnu de gedaante aan van een betoverend mooie vrouw, maar een naam heeft ze hier niet. Het Sanskriet noemt zijn begoocheling op die plek wel mohini, betoverend; als Mohini, met een naam, kennen we haar uit de purana's.

De ring van Shakuntala (hoofdstuk 9). In het beroemde toneelstuk van de dichter Kalidasa, vermoedelijk uit de vierde of vijfde eeuw, vergeet Dushyanta Shakuntala door de vloek van een rishi, en brengt een ring zijn herinnering terug. In de Mahabharata is er geen ring en geen vloek. Dushyanta herinnert zich alles en zegt toch dat hij zich niets herinnert. Pas als een stem uit de lucht Shakuntala gelijk geeft, neemt hij haar en zijn zoon aan, en hij zegt dat hij haar had afgewezen omdat zijn volk anders aan de zuiverheid van zijn zoon zou twijfelen.

Het mandje van Karna (hoofdstuk 14). Veel mensen kennen het beeld van het kind dat in een mandje over de rivier drijft. Het boek van het begin zegt alleen dat Kunti het kind aan het water overliet en dat de man van Radha het eruit haalde. Het mandje staat wel in de Mahabharata, maar verderop, in het boek van het woud, waar Karna's geboorte een tweede keer en uitvoeriger wordt verteld. Daar legt Kunti hem in een gevlochten kist, bekleed met zachte doeken, en laat die op een rivier drijven.

Parikshit en de zeven dagen (hoofdstuk 6). Wie het verhaal van koning Parikshit uit de Bhagavat-katha kent, weet dat hij zijn laatste zeven dagen luisterde naar Shuka, de zoon van Vyasa, die hem de Bhagavata Purana voordroeg. De Mahabharata vertelt de vloek, de zeven dagen en de beet van Takshaka, maar geen voordracht: Parikshit wacht in een bewaakt huis op één zuil.

Krishna en het gewaad van Draupadi (hoofdstuk 1). In de klaagzang staat dat Duhshasana het ene gewaad van Draupadi van haar lichaam probeerde te trekken en er geen einde aan kwam. Wie haar hielp, zegt de klaagzang niet. In de versie die hier gevolgd wordt, roept Draupadi op dat moment Krishna aan. Dat komt op zijn eigen plaats, in het boek van de vergaderzaal.

Ekalavya (hoofdstuk 8). In de lijst van wie als wie op aarde werd geboren, staat Ekalavya tussen de koningen die uit een geslacht van asura's voortkwamen. Dat kan wringen voor wie hem kent als de trouwe leerling uit het verhaal dat in boek 2 volgt. Zijn eigen verhaal komt daar.

Hoe het verder gaat

Boek 2, De leerjaren, begint waar dit boek ophoudt: in Hastinapura, waar de vijf zonen van Pandu opgroeien met de honderd zonen van Dhritarashtra. Ze krijgen les in de wapens, en tussen de neven groeit de rivaliteit die de voortekenen bij de geboorte van Duryodhana al aankondigden. Veel van wat de blinde koning in hoofdstuk 1 opsomde, komt dan dichtbij: het huis van lak, de bruidskeuze van Draupadi, het Khandava-woud. En Karna treedt naar voren. De lezer weet nu wie zijn moeder is; om hem heen weet bijna niemand het.