Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Hoofdstuk drie

Het halve leven

Shaunaka neemt plaats

Boek 1 · Het huis van de Kuru's · Deel I, Het slangenoffer · 19 min. lezen

Ugrashrava Sauti, de zoon van Lomaharshana, was nog in het Naimisha-woud, bij de rishi's die het twaalfjarige offer van Shaunaka bijwoonden. Shaunaka was hun kulapati, het hoofd van hun gemeenschap. Sauti kende de purana's, de oude overleveringen, door en door. Hij bracht zijn handen tegen elkaar en zei: 'Ik heb u verteld over Utanka, een van de redenen waarom koning Janamejaya zijn slangenoffer hield. Wat wilt u nu horen?'

'Zoon van Lomaharshana,' antwoordden de rishi's, 'we zullen je vragen wat we willen weten, en jij vertelt de verhalen één voor één. Maar Shaunaka, onze meester, is nu bij het heilige vuur. Hij kent de verhalen over de goden en over de asura's, hun oude rivalen, en hij kent de geschiedenissen van mensen, van slangen en van gandharva's, de hemelse muzikanten. Die geleerde brahmaan leidt dit offer. Hij is bekwaam, trouw aan zijn geloften en wijs; hij beheerst de leerboeken en het Aranyaka, de woudleer; hij spreekt de waarheid, hij houdt van vrede, hij bedwingt zijn zinnen en beoefent de ascese zoals de voorschriften die bepalen. We hebben allemaal ontzag voor hem, en daarom moeten we op hem wachten. Als hij op zijn ereplaats zit, geef jij antwoord op wat hij je vraagt.'

'Goed,' zei Sauti. 'Als de meester zit en mij vragen stelt, vertel ik heilige verhalen over allerlei onderwerpen.'

Een tijd later had Shaunaka al zijn plichten volbracht: hij had de goden met lofzangen aangeroepen en de voorouders water geofferd. Hij kwam terug naar de offerplaats, waar de rishi's met hun strenge geloften bijeenzaten, en Sauti tegenover hen. Shaunaka nam plaats te midden van de offerpriesters en de sadasya's, de toezieners van het offer, en begon te spreken.

De getuige

'Kind,' zei Shaunaka, 'zoon van Lomaharshana, je vader heeft vroeger alle purana's gelezen, en de Bharata, samen met Vyasa zelf. Heb jij ze ook bestudeerd? In die oude kronieken staan boeiende verhalen en de geschiedenis van de eerste geslachten van wijzen. Wij hebben ze allemaal uit de mond van je vader gehoord. Eerst wil ik de geschiedenis van het geslacht van Bhrigu horen. Vertel ons die; we zullen aandachtig luisteren.'

'Ik heb mij eigen gemaakt wat de grote brahmanen vroeger bestudeerden en voordroegen, onder hen Vaishampayana, de leerling van Vyasa,' antwoordde Sauti, 'en ook alles wat mijn vader bestudeerde. Luister dan, nazaat van Bhrigu, naar wat er te vertellen is over het verheven geslacht van Bhrigu, dat door Indra en alle goden wordt geëerd, door de scharen van de rishi's en door de Maruts, de stormgoden. Eerst vertel ik u de geschiedenis van deze familie, zoals ze in de purana's staat. Bhrigu, de grote wijze, werd door Brahma, die uit zichzelf bestaat, uit het vuur voortgebracht, bij het offer van Varuna, de god van de wateren. Bhrigu had een zoon, Chyavana, van wie hij veel hield. Chyavana kreeg een deugdzame zoon, Pramati. Pramati kreeg een zoon, Ruru, bij Ghritachi, een apsara, een danseres uit de hemel van de goden. En Ruru kreeg bij zijn vrouw Pramadvara een zoon, Shunaka, naar wie uw geslacht heet. Hij was uw grote voorvader, Shaunaka: deugdzaam, toegewijd aan de ascese, beroemd, thuis in de wet, uitblinkend onder de kenners van de Veda's, rechtvaardig, eerlijk en matig in wat hij at.'

'Zoon van de suta,' zei Shaunaka, 'waarom kreeg de zoon van Bhrigu de naam Chyavana? Vertel me alles.'

'Dat begint bij zijn moeder,' zei Sauti.

En Sauti vertelde.

Bhrigu had een vrouw, Puloma, van wie hij veel hield, en ze was zwanger van hem. Op een dag liet Bhrigu, die als geen ander trouw was aan zijn dharma, haar thuis en ging zijn wassingen doen. Toen kwam er een rakshasa naar Bhrigu's hermitage, een van de mensenetende nachtwezens die de wijzen in hun hermitages belagen, en die rakshasa heette ook Puloma. Hij ging naar binnen en zag de vrouw van Bhrigu, onberispelijk in alles, en bij die aanblik verloor hij zijn verstand. Puloma onthaalde hem als gast, met wortels en vruchten uit het woud. Maar de rakshasa brandde van begeerte. 'Wat ik wilde, is gelukt,' zei hij, en hij besloot haar mee te nemen.

Haar vader had haar namelijk eerst aan hem beloofd, maar later had hij haar met de voorgeschreven riten aan Bhrigu gegeven. Die wond was in de rakshasa blijven schrijnen, en nu vond hij het ogenblik gunstig om haar weg te voeren.

Hij zag de ruimte waar het offervuur helder brandde en richtte zich tot Agni. 'Zeg me, Agni, wiens vrouw zij rechtens is. U bent de mond van de goden; u moet mij antwoorden. Deze stralende vrouw heb ik als eerste tot vrouw aanvaard, maar later heeft haar vader haar aan die valse Bhrigu gegeven. Zeg me naar waarheid of zij als de vrouw van Bhrigu kan gelden. Want nu ik haar alleen heb aangetroffen, heb ik besloten haar met geweld uit de hermitage mee te nemen. Mijn hart brandt van woede als ik bedenk dat Bhrigu haar bezit, deze vrouw met het slanke middel, die eerst aan mij was beloofd.'

Telkens weer vroeg de rakshasa aan Agni of zij de vrouw van Bhrigu was, en Agni zweeg. 'U woont altijd in elk schepsel, Agni,' zei de rakshasa, 'als getuige van het goede en het kwaad dat het doet. Antwoord mij dus naar waarheid. Heeft Bhrigu zich niet de vrouw toegeëigend die ik had gekozen? Zeg naar waarheid of zij door mijn eerste keuze mijn vrouw is. Na uw antwoord neem ik haar mee uit deze hermitage, zelfs voor uw ogen. Antwoord dus naar waarheid.'

Agni, de god met de zeven vlammen, raakte in grote nood: hij was bang om te liegen, en even bang voor de vloek van Bhrigu. Pas na lang aarzelen gaf hij antwoord. 'Deze Puloma werd wel eerst door jou gekozen, rakshasa, maar je hebt haar niet genomen met de heilige riten en aanroepingen. Haar vader heeft haar als geschenk aan Bhrigu gegeven, uit verlangen naar heil. Niet aan jou, rakshasa. De rishi Bhrigu heeft haar met de riten van de Veda tot zijn vrouw gemaakt, in mijn bijzijn. Dit is zij; ik ken haar. Ik durf niet te liegen. Een leugen wordt in deze wereld nooit geëerd.'

Toen nam de rakshasa de gedaante aan van een everzwijn, greep de vrouw en droeg haar weg, snel als de wind, sneller nog: als een gedachte. Maar het kind van Bhrigu, dat in haar schoot lag, werd woedend om dat geweld en viel uit het lichaam van zijn moeder. Daarom kreeg het de naam Chyavana, hij die viel. Toen de rakshasa het kind zag, stralend als de zon, liet hij de vrouw los, viel zelf neer en verging op slag tot as.

Puloma, radeloos van verdriet, nam Chyavana in haar armen en liep weg. Brahma zelf, de Grootvader van allen, zag haar huilen, de vrouw van zijn zoon, en hij troostte haar. De tranen die uit haar ogen rolden, werden een grote rivier, en die rivier volgde haar voetstappen. De Grootvader zelf gaf de rivier een naam: Vadhusara, de rivier van de bruid. Ze stroomt langs de hermitage van Chyavana, de grote asceet.

Bhrigu zag zijn kind Chyavana en diens moeder, en woedend vroeg hij haar: 'Wie heeft jou aan die rakshasa verraden, die jou wilde wegvoeren? De rakshasa kon niet weten dat je mijn vrouw bent. Zeg me wie het hem heeft verteld, zodat ik hem kan vervloeken.'

'Gezegende,' antwoordde Puloma, 'Agni heeft mij aan de rakshasa aangewezen. En de rakshasa droeg mij weg, terwijl ik schreeuwde als een visarend. Alleen door de gloed van deze zoon van jou ben ik gered: toen de rakshasa het kind zag, liet hij mij los, viel zelf op de grond en verging tot as.'

Bhrigu hoorde het, en in zijn drift vervloekte hij Agni: 'Jij zult alles eten.'

Agni werd kwaad om die vloek. 'Waarom zo overhaast, brahmaan? Welke overtreding kun je mij verwijten? Ik deed mijn best om recht te doen en onpartijdig de waarheid te spreken. Mij werd iets gevraagd, en ik gaf het ware antwoord. Een getuige die wordt ondervraagd over wat hij weet en het anders voorstelt dan het is, richt zijn voorouders en zijn nazaten te gronde, tot in het zevende geslacht. En wie alles van een zaak weet en zwijgt als hem iets gevraagd wordt, draagt zonder twijfel een smet. Ook ik kan jou vervloeken. Maar ik heb diep ontzag voor brahmanen.

Je weet het al, brahmaan, maar ik zeg het toch, dus luister: door de kracht van mijn ascese heb ik mij vermenigvuldigd, en ik ben aanwezig in vele gedaanten: bij het dagelijkse vuuroffer, bij offers die jaren duren, bij heilige riten zoals het huwelijk en bij alle andere offers. Met de boter die volgens de voorschriften van de Veda's op mijn vlam wordt gegoten, worden de goden en de voorouders gevoed. De goden zijn de wateren, en de voorouders zijn ook de wateren. Bij de offers van nieuwe en volle maan hebben de goden hetzelfde recht als de voorouders. Daarom zijn de goden de voorouders en de voorouders de goden. Ze zijn één; men vereert hen samen, en ook elk afzonderlijk, bij de wisseling van de maan. Wat op mij wordt gegoten, eten de goden en de voorouders. Daarom noemt men mij de mond van de goden en de voorouders. Bij de nieuwe maan eten de voorouders door mijn mond, bij de volle maan de goden. Als ik hun mond ben, hoe kan ik dan alles eten, rein en onrein?'

Agni dacht een tijd na, en toen trok hij zich overal uit terug: uit de plaatsen van het dagelijkse vuuroffer van de brahmanen, uit alle langdurige offers, uit de plaatsen van de heilige riten en uit alle andere plechtigheden. Zonder het Om en het Vashat, zonder het Svadha en het Svaha, de heilige klanken waarmee de offergaven worden gebracht, raakten alle schepselen in grote nood om het verlies van hun offervuur. De rishi's gingen vol zorg naar de goden. 'Goden zonder smet! De drie werelden zijn in verwarring: het vuur is verdwenen, en de offers en de plechtigheden zijn opgehouden. Zeg wat er moet gebeuren, en laat er geen tijd verloren gaan.'

Toen gingen de rishi's en de goden samen naar Brahma. 'Gezegende,' zeiden ze, 'Bhrigu heeft Agni vervloekt, om welke reden ook, en nu liggen alle plechtigheden stil. Maar Agni is de mond van de goden en de eerste die eet van wat er geofferd wordt; hij eet de offerboter. Hoe kan hij dan alles eten, zonder onderscheid?'

Brahma hoorde hen aan en riep Agni bij zich. Ook Agni is eeuwig, zoals Brahma zelf, en ook hij heet de schepper van alles. En Brahma zei zacht tegen hem: 'Jij bent de schepper van de werelden en jij vernietigt ze. Jij houdt de drie werelden in stand, en door jou komen alle offers en plechtigheden tot stand. Gedraag je dus zo dat de plechtigheden niet worden onderbroken. Waarom doe je zo dwaas, eter van de offerboter, jij, die over alles heerst? Jij alleen bent altijd rein in de wereld, en jij draagt het. Je zult niet met je hele lichaam alles eten zonder onderscheid, jij met je vlammen. Alleen de vlam in je lagere delen zal alles eten; en ook je lichaam dat vlees eet, het vuur in de maag van de roofdieren, zal alles eten, zonder onderscheid. En zoals alles rein wordt wat door de stralen van de zon wordt aangeraakt, zo zal alles rein worden wat door jouw vlammen wordt verbrand. Vuur, jij bent de hoogste kracht, uit je eigen macht geboren. Laat dan met die macht de vloek van de rishi uitkomen, Agni. En blijf je eigen deel ontvangen, en dat van de goden, dat in je mond wordt geofferd.'

'Goed,' zei Agni tegen de Grootvader, en hij ging om diens bevel uit te voeren. De goden en de rishi's keerden blij terug naar waar ze vandaan kwamen, en de rishi's hielden hun plechtigheden en brachten hun offers weer zoals voorheen. In de hemel en op de aarde was er vreugde bij alle schepselen. Ook Agni was blij: er dreigde geen smet meer op hem te vallen.

'Zo heeft Bhrigu lang geleden Agni vervloekt,' zei Sauti. 'Dit oude verhaal heet Pauloma, naar Puloma, de moeder van Chyavana. Het vertelt hoe de rakshasa Puloma ten onder ging en hoe Chyavana werd geboren.'

Het halve leven

'Ik heb u verteld hoe Chyavana werd geboren, Shaunaka,' zei Sauti. 'Hoor nu hoe Ruru, zijn kleinzoon, aan zijn vrouw Pramadvara kwam, van wie u afstamt, en wat het hem kostte.'

En Sauti vertelde.

In die dagen leefde er aan een rivier een groot ziener, Sthulakesha, een man van strenge ascese die alle levende wezens goedgezind was. Daar, dicht bij zijn hermitage, beviel een andere apsara, Menaka, van een dochter. De vader was Vishvavasu, koning van de gandharva's. Menaka liet het pasgeboren kind achter op de oever en ging, zonder medelijden en zonder schaamte.

Sthulakesha vond het meisje op de verlaten oever. Hij zag dat het kind glansde alsof het van een onsterfelijke was, en hij kreeg het lief en nam het mee. Hij voltrok voor haar alle rituelen die de voorschriften eisen, van de geboorteplechtigheid af, en gaf haar een naam toen bleek dat ze alle vrouwen in schoonheid en goedheid vooruit was: Pramadvara, de voortreffelijkste.

Ruru, de zoon van Pramati, zag haar in de hermitage van Sthulakesha, en Kama, de god van de liefde, dreef zijn pijl diep. Via zijn vrienden liet hij zijn vader weten wat er met hem gebeurd was. Pramati vroeg haar voor zijn zoon aan Sthulakesha, en de pleegvader zegde haar toe. De bruiloft werd vastgesteld op de dag dat de ster Purva-phalguni gunstig zou staan.

Een paar dagen voor de bruiloft speelde Pramadvara met haar vriendinnen tussen de bomen. Een slang lag opgerold waar zij liep, en zij zag hem niet; het lot, dat zijn eigen tijden kent, dreef haar voet en dreef de slang. Hij sloeg zijn giftanden in het argeloze meisje. Ze zakte in elkaar, de kleur week uit haar gezicht. Zo, met losgeraakt haar, was ze voor haar vriendinnen te pijnlijk om aan te zien. Maar toen het gif zijn werk gedaan had, lag ze op de kale grond als een slapende, en ze was mooier dan ze in haar leven was geweest. Haar pleegvader en de asceten zagen haar daar liggen, met de glans van een lotus.

Er kwamen vele vermaarde brahmanen, Svastyatreya, Uddalaka, Bharadvaja, Gautama en de anderen uit het woud, en ook Pramati en Ruru zelf, en ze zaten om haar heen en huilden. Ruru hield het daar niet uit. Hij liep het bos in, alleen, tot waar niemand hem horen kon, en daar schreeuwde hij zijn verdriet uit. Zij lag op de kale grond. Zijn Pramadvara, op de grond, als een ding dat iemand had laten vallen.

'Als ik ooit gegeven heb,' riep hij, 'als mijn ascese iets waard is geweest, als ik mijn meerderen heb geëerd, laat de verdienste daarvan mijn geliefde doen opstaan. Als ik mijn zinnen heb beteugeld en mijn geloften heb gehouden van mijn geboorte af, sta dan op, Pramadvara.'

Er kwam een bode van de goden naar hem toe, tussen de bomen. 'Wat je roept, Ruru, is vergeefs,' zei de bode. 'Wie tot deze wereld behoort en wiens dagen verbruikt zijn, keert niet terug. De dagen van dit kind van een gandharva en een apsara waren verbruikt. Geef je dus niet over aan de rouw. Maar de grote goden hebben tevoren in een middel voorzien. Doe jij wat zij beschikt hebben, dan krijg je je Pramadvara terug.'

'Wat hebben de goden beschikt? Zeg het mij, en ik doe het. Bevrijd mij van dit verdriet.'

'Sta de helft van je eigen levensduur af aan je bruid, dan staat Pramadvara op.'

'Die geef ik graag,' zei Ruru. 'De helft van mijn leven, voor mijn bruid. Laat haar opstaan zoals ze was, in haar eigen gedaante.'

Toen gingen de koning van de gandharva's, haar vader, en de bode van de goden samen naar Yama, de koning van de doden, die ook Dharma heet. 'Als het uw wil is, Dharmaraja, laat dan Pramadvara, de bruid van Ruru, opstaan met de helft van zijn levensduur.' En Dharma antwoordde: 'Als het uw wens is, bode van de goden, dan staat Pramadvara, de bruid van Ruru, op met de helft van zijn levensduur.'

Zo stond zij op van de grond, alsof ze uit een slaap kwam. Het halve leven dat Ruru gaf, zou later van zijn eigen dagen afgaan.

Op een gunstige dag gaven de vader van de bruidegom en de pleegvader van de bruid, Pramati en Sthulakesha, hen aan elkaar, met alle riten. Ze waren elkaar toegewijd, en Ruru had een vrouw gekregen zoals er weinig te vinden zijn. Maar Ruru deed een gelofte: de slangen, het hele geslacht, zou hij uitroeien. Van die dag af kwam de woede in hem op bij iedere slang die hij zag, en hij doodde hem, met welk wapen hij ook bij zich had.

Eens liep Ruru diep een uitgestrekt bos in. Daar lag een oude slang van het dundubha-soort languit op de grond. Ruru hief in zijn woede zijn staf, als de staf van de doodsgod zelf.

'Ik heb je niets misdaan, brahmaan,' zei de dundubha. 'Waarom wil je mij dan in je woede doden?'

'Mijn vrouw, die mij zo lief is als mijn leven, is door een slang gebeten. Ik heb een vreselijke gelofte gedaan: iedere slang die ik tegenkom, sla ik dood. Dus sla ik ook jou.'

'Brahmaan, de slangen die mensen bijten zijn van een ander soort. Dundubha's zijn alleen in naam slangen. Wij delen in de rampen van de slangen en niet in hun geluk. Je moet ons niet doden om een vergissing.'

Ruru zag hoe oud het dier was, en hoe bang. Hij liet zijn staf niet neerkomen en stelde het gerust. 'Wie ben jij,' vroeg hij, 'dat je zo veranderd bent?'

'Ik was een rishi, Ruru, een ziener zoals er in deze wouden leven. Sahasrapat heette ik. De vloek van een brahmaan heeft mij tot slang gemaakt.'

'Waarom heeft hij je vervloekt? En hoe lang moet je dit blijven?'

'Ik had een vriend, Khagama. Scherp van tong, en machtig door zijn ascese. Op een dag, toen hij bij het dagelijkse vuuroffer zat, vlocht ik van grashalmen een slang en hield hem die voor, om hem te laten schrikken. Voor de grap. Hij viel flauw. En toen hij bijkwam, die waarheidsprekende, geloftetrouwe man, brandde de woede in hem en hij zei: "Omdat jij een krachteloze slang van gras hebt gemaakt om mij angst aan te jagen, zul je door mijn vloek zelf een slang worden, zonder gif." Ik kende de macht van zijn ascese. Ik boog, ik legde mijn handen tegen elkaar, ik zei: het was een grap, vriend, om je te laten lachen, vergeef me, neem je vloek terug. Hij zag hoe ik eraan toe was en het raakte hem, maar zijn adem kwam nog heet en zwaar. "Wat ik gezegd heb, gebeurt," zei hij. "Maar hoor wat ik je zeg en bewaar het in je hart: wanneer Ruru verschijnt, de zuivere zoon van Pramati, valt de vloek van je af zodra je hem ziet." Jij bent die Ruru, zoon van Pramati. Ik krijg mijn gedaante terug, en dan zeg ik je iets voor je eigen bestwil.'

En Sahasrapat liet het slangenlichaam los en stond in zijn oude gestalte, stralend als voorheen. Hij zei: 'De hoogste dharma van de mens, Ruru, de hoogste orde waaraan hij gebonden is, is het sparen van leven. Daarom neemt een brahmaan nooit het leven van enig schepsel. Mild moet hij zijn, welwillend tegenover alle wezens, eerlijk en vergevingsgezind; zo luidt het heiligste voorschrift van de Veda's. Hij moet thuis zijn in de Veda's en de Vedanga's en alle wezens vrijwaren van angst; het is zijn hoogste plicht de Veda's in zijn geheugen te bewaren. Hard zijn, de strafstaf voeren, de onderdanen regeren: dat is de dharma van de kshatriya, de krijgsman, en die dharma is de jouwe niet. Hoor dan, Ruru, van het slangenoffer van koning Janamejaya, van de doodsangst van de slangen en van hun redding door Astika, sterk in de Veda's en sterk in geestkracht.'

'Waarom wilde de koning de slangen vernietigen?' vroeg Ruru. 'En waarom heeft Astika hen gered? Ik wil het horen, alles.'

'De geschiedenis van Astika zul je uit de mond van brahmanen horen.' En met die woorden verdween hij.

Ruru zocht hem, het hele bos door, en vond hem nergens. Uitgeput viel hij neer. De woorden van de rishi maalden door zijn hoofd tot hij buiten zinnen raakte. Toen hij weer bij zichzelf kwam, ging hij naar huis, zonder zijn staf. Hij vroeg zijn vader om de geschiedenis van Astika, en Pramati vertelde hem alles, van het begin tot het einde.

Astika in het kort

'Waarom besloot koning Janamejaya de slangen te doden, met een offer nog wel?' vroeg Shaunaka. 'Vertel het ons volledig en naar waarheid, Sauti. En waarom heeft Astika de slangen uit het laaiende vuur gered? Wiens zoon was die koning, en wiens zoon was die brahmaan?'

Met dezelfde vragen was Ruru ooit naar zijn vader gegaan.

'Het verhaal van Astika is lang,' zei Sauti. 'Ik zal het u volledig vertellen.'

'Vertel het.'

'Deze geschiedenis is het eerst verteld door Krishna Dvaipayana, dat is Vyasa zelf, de dichter. De brahmanen rekenen haar tot de purana's. Mijn vader Lomaharshana, Vyasa's leerling, heeft haar hier verteld, in dit woud, toen de bewoners van Naimisha erom vroegen. Ik zat erbij en luisterde. Zoals ik haar toen gehoord heb, zo vertel ik haar aan u: het verhaal dat kwaad uitwist. Luister.'

De vader van Astika heette Jaratkaru, en hij was machtig als Prajapati, de heer van de schepselen. Hij had de gelofte van onthouding afgelegd: geen vrouw, geen huis, weinig voedsel, strenge zelfbeheersing. Hij hoorde tot de yayavara's, rondtrekkende brahmanen die geen vaste woonplaats hebben en niets bewaren.

Jaratkaru trok de wereld door van heilig water naar heilig water en sliep waar de nacht hem vond. Zijn ascese werd strenger dan een mens met ongetemde zinnen verdragen kan: hij leefde van lucht alleen, de slaap gaf hij op, voorgoed. Zo ging hij rond als een brandend vuur.

Tot hij op een dag een kuil zag, en in die kuil zijn voorouders: de hoofden omlaag, de voeten omhoog, hingen ze daar aan één touw van gevlochten gras. En aan dat touw knaagde een rat.

'Wie bent u,' vroeg Jaratkaru, 'dat u hier ondersteboven hangt aan een grastouw dat van alle kanten al is aangevreten door de rat die in deze kuil woont?'

'Wij zijn rishi's met strenge geloften, yayavara's,' zeiden de voorouders. 'Wij zinken de aarde in omdat er geen nakomelingen meer bij komen. Eén zoon hebben wij nog, Jaratkaru heet hij, en het is een dwaas: hij heeft alleen de ascese gekozen. Aan trouwen denkt hij niet, aan kinderen denkt hij niet. Daarom hangen wij in deze kuil: ons geslacht sterft uit, en met al ons bezit zijn wij armen geworden. Maar wie ben jij, die om ons treurt als een vriend?'

'U bent mijn vaders en mijn grootvaders,' zei Jaratkaru. 'Ik ben die Jaratkaru. Zeg mij hoe ik u dienen kan.'

'Trouw, kind. Dat is ons bevel: zet je zinnen op een huwelijk en op nageslacht, voor jou en voor ons. Geen vrucht van goede daden, geen opgespaarde ascese weegt op tegen de verdienste van een man die vader wordt. Dat is ons hoogste goed.'

'Voor mijzelf zou ik niet trouwen,' zei Jaratkaru, 'en geen bezit vergaren. Maar voor uw welzijn zal ik het doen. Ik stel voorwaarden, en daarvan wijk ik niet af: de bruid moet mijn eigen naam dragen, en haar verwanten moeten haar mij uit vrije wil als gift afstaan, zoals men een aalmoes geeft. Wie geeft een arme man als ik zijn dochter? Maar geeft iemand mij er een, dan neem ik haar aan naar het voorschrift, en bij haar zal ik het kind verwekken dat u redt, zodat u kunt opstijgen naar de eeuwige werelden en daar in vreugde leven.'

Daarna zwierf de brahmaan over de aarde, en een vrouw vond hij niet. Op een dag ging hij een bos in, dacht aan de woorden van zijn voorouders en vroeg driemaal, met nauwelijks nog stem, om een bruid.

Toen rees Vasuki voor hem op, de koning van de naga's, het slangenvolk, en hij bood hem zijn zuster aan. Jaratkaru aarzelde; hij dacht: draagt zij mijn naam niet, dan neem ik haar niet. 'Zeg mij naar waarheid hoe je zuster heet, slang,' vroeg hij.

'Jaratkaru,' zei Vasuki. 'Zo heet zij, net als u. Ik heb haar voor u bewaard. Neem haar aan.' En hij gaf hem het meisje met het slanke middel, en Jaratkaru trouwde haar volgens de voorgeschreven riten.

De moeder van de naga's had haar eigen kinderen namelijk ooit vervloekt. 'Hij die de wind als wagenmenner heeft, zal jullie allen verbranden bij het offer van Janamejaya,' had ze gezegd. En hij die de wind als wagenmenner heeft, is Agni, het vuur. Om die vloek af te wenden gaf Vasuki zijn zuster aan deze rishi met zijn strenge geloften.

Ze kregen een zoon, Astika: een groot asceet, thuis in de Veda's en hun hulpwetenschappen, die naar iedereen met dezelfde ogen keek en de angst wegnam bij zijn beide ouders.

Lange tijd daarna hield een koning uit de lijn van de Pandava's het grote slangenoffer. Het offer moest de naga's vernietigen, maar toen het eenmaal begonnen was, redde Astika hen: zijn verwanten en de broers van zijn moeder, en de andere slangen met hen. En hij redde ook zijn voorouders, want hij zette hun geslacht voort. Met offers stelde hij de goden tevreden, met zijn leerjaren in de Veda de rishi's en met nageslacht zijn voorouders; zo loste hij alles af wat hij verschuldigd was.

En Jaratkaru, de man met de strenge geloften, had de zware schuld aan zijn voorouders betaald; zij stegen op uit de kuil naar de hemel van de goden, en na een lang leven van verdienste volgde hij hen. Astika bleef achter.

'Dat is de geschiedenis van Astika,' zei Sauti. 'Zeg mij wat ik u verder vertellen moet.'

Boek 1 · Het huis van de Kuru's

  1. Deel I · Het slangenoffer
  2. 1Het woord Jaya
  3. 2De oorringen van de koningin
  4. 3Het halve leven
    1. Shaunaka neemt plaats
    2. De getuige
    3. Het halve leven
    4. Astika in het kort
  5. 4De karning van de oceaan
  6. 5De roof van de amrita
  7. 6De dode slang
  8. 7Het slangenoffer
  9. Deel II · De voorouders
  10. 8Vaishampayana begint
  11. 9Shakuntala
  12. 10Kacha
  13. 11De ouderdom
  14. Deel III · Het huis van de Kuru's
  15. 12De gelofte
  16. 13De drie prinsessen
  17. 14Het kind in het water
  18. 15Het hert
  19. 16De lente

Alles in boek 1 · Alle boeken