Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Boek 1 · Hoofdstuk negen, Shakuntala

De jacht

Verteld door Vaishampayana, aan koning Janamejaya, tijdens het slangenoffer. Ongeveer 7 minuten lezen.

'Brahmaan,' zei Janamejaya, 'ik heb van u gehoord hoe de goden, de danava's, de rakshasa's, de gandharva's en de apsara's elk met een deel van hun wezen werden geboren. Maar nu wil ik het geslacht van de Kuru's horen, vanaf het allereerste begin, hier in het bijzijn van al deze wijzen.'

Uit het huis van Puru kwam Dushyanta voort, een sterke koning die het geslacht groot maakte. Hij beschermde de aarde tot aan de vier zeeën, hij heerste over de vier windstreken en over de eilanden in de zee, en zelfs de landen van de mleccha's, de volken buiten de orde van de Veda, stonden onder zijn gezag. Zolang hij regeerde, vermengden de standen zich niet, en er waren geen mensen die kwaad deden. Niemand hoefde het land te bewerken, want de aarde gaf uit zichzelf haar vruchten, en niemand hoefde in mijnen te werken, want op de grond lag rijkdom genoeg. Iedereen deed het goede, en deed het om het goede. Er was geen angst voor dieven, voor hongersnood of voor ziekte. De vier standen deden graag hun eigen plicht, en niemand bracht offers om er iets voor terug te krijgen. Zijn onderdanen konden op hem steunen en leefden zonder vrees. Parjanya, de god van de regen, liet de regen op de juiste tijd vallen, de vruchten van het veld waren sappig, en de aarde was rijk en zat vol dieren van elke soort. De brahmanen deden wat hun te doen stond en spraken altijd de waarheid.

Lees het hele verhaal in hoofdstuk negen, Shakuntala

In hetzelfde hoofdstuk

Dushyanta's jacht, Shakuntala, het gandharvahuwelijk, Bharata.