Boek 1 · Hoofdstuk elf, De ouderdom
Vijf gouden wagens
'Ik ben Yayati,' zei hij, 'de zoon van Nahusha en de vader van Puru. Ik ben uit de wereld van de goden, de siddha's en de rishi's gestoten omdat ik op alle schepselen neerkeek, en ik val, want mijn verdienste is geslonken. Ik ben ouder dan jullie; daarom heb ik jullie niet het eerst gegroet. Brahmanen eren altijd wie ouder is, of verder in kennis, of in ascese.'
'U zegt, koning, dat wie ouder is, eer verdient,' zei Ashtaka. 'Maar men zegt ook dat vooral wie verder is in kennis en ascese, verering verdient.'
'Men zegt dat één kwade daad de verdienste van vier goede tenietdoet,' zei Yayati. 'In ijdelheid zit al de kiem van de oorden van kwelling. De goeden treden nooit in de voetsporen van de slechten; ze handelen zo dat hun verdienste altijd groeit. Mijn verdienste was groot, maar die is allemaal weg, en zelfs met mijn uiterste inspanning zal ik haar nauwelijks terugwinnen. Wie mijn lot ziet en zijn eigen welzijn zoekt, zal zijn ijdelheid onderdrukken. Niemand moet juichen omdat hij rijkdom heeft verworven, niemand moet trots zijn omdat hij de hele Veda heeft bestudeerd. Het lot is het hoogste; macht en inspanning halen niets uit. Wie weet dat zijn geluk en zijn ongeluk van het lot afhangen, moet niet treuren en niet juichen. Ik laat me nooit door angst overmannen, Ashtaka, en ik ken geen verdriet, want ik weet dat ik in de wereld zal zijn wat de Beschikker, die ieder schepsel zijn deel toemeet, voor mij heeft bepaald. Insecten en wormen, alles wat uit een ei komt, de planten, alles wat kruipt, de vissen in het water, de stenen, het gras, het hout: alle geschapen dingen worden, als ze vrij zijn van de gevolgen van hun daden, één met het hoogste Zelf. Geluk en ellende gaan allebei voorbij. Waarom zou ik dan treuren?'
Lees het hele verhaal in hoofdstuk elf, De ouderdom
In hetzelfde hoofdstuk
Yayati's ouderdom en val, Indra's vraag, de vijf gouden wagens; het huis van Puru tot Shantanu.