Boek 2 · Hoofdstuk zes
De huispriester
'Gandharva,' zei Arjuna, 'jij weet alles. Zeg ons dan welke brahmaan die de Veda kent, het waard is onze huispriester te worden.'
'In deze wouden ligt een tirtha die Utkochaka heet, een heilige badplaats waar pelgrims naartoe trekken,' antwoordde de gandharva. 'Daar leeft Dhaumya in ascese, de jongere broer van de rishi Devala. Neem hem als je huispriester, als je wilt.'
Arjuna gaf de gandharva zijn vuurwapen, met de riten die daarbij horen. 'Vriend,' zei hij, 'laat de paarden die je ons geeft, voorlopig bij jou blijven. Als de tijd gekomen is, komen we ze halen. Ik wens je alle goeds.'
De gandharva en de Pandava's groetten elkaar eerbiedig. Ze verlieten de lieflijke oever van de Bhagirathi, en ieder ging waarheen hij wilde. De Pandava's gingen naar de tirtha Utkochaka, naar de hermitage van Dhaumya, om hem aan te stellen als hun purohita, hun huispriester. Dhaumya, die de Veda kende als geen ander, ontving hen met wilde vruchten en eetbare wortels, en hij stemde erin toe.
Lees het hele verhaal in hoofdstuk zes, De huispriester
In hetzelfde hoofdstuk
Vasishtha en Vishvamitra; Kalmashapada; Parashara en Aurva; het vuur in het water; de huispriester Dhaumya.