Boek 2 · Hoofdstuk vier, De grasspriet
Hidimbi
Niet ver van de plek waar de Pandava's sliepen, woonde in een salaboom een rakshasa die Hidimba heette, een van de mensenetende nachtwezens. Hij was enorm en donker van kleur, met lange schenen en een dikke buik, rood haar en een rode baard, brede schouders en oren als pijlen, en zijn lange, scherpe tanden gaven zijn gezicht iets grimmigs. Hij had honger en snakte naar mensenvlees, dat hij boven alles lekker vond. Met zijn rode ogen keek hij om zich heen, en hij zag de zonen van Pandu in het woud liggen slapen. Hij schudde zijn droge, grijzende haar, krabde erin met zijn vingers naar boven gekeerd, en keer op keer keek hij naar de slapers, en af en toe opende hij begerig zijn grote muil. Hij rook mensen, en hij zei tegen zijn zuster Hidimbi:
Lees het hele verhaal in hoofdstuk vier, De grasspriet
In hetzelfde hoofdstuk
Hidimbi; Vyasa in Ekachakra; Baka en de brahmaanse familie.