Boek 2 · Hoofdstuk elf, De ontvoering
Manipura
Arjuna, de zoon van Indra, vertelde de brahmanen die daar bij hem woonden alles wat er gebeurd was, en trok daarna naar de hellingen van de Himalaya. Van de plek die Agastyavata heet ging hij naar de top van Vasishtha en de top van Bhrigu. Daar reinigde hij zich met baden en riten, en hij gaf de brahmanen duizenden koeien en huizen. Verder trok hij naar de heilige hermitage Hiranyabindu, waar hij baadde en de heilige plaatsen in de omtrek zag. Met de brahmanen daalde hij van die hoogten af naar het oosten, want hij wilde de streken zien die daar lagen: het woud van Naimisha, de beroemde Kaushiki, de grote rivieren Gaya en Ganga, en de ene tirtha na de andere, de heilige badplaatsen waar pelgrims naartoe trekken. Overal reinigde hij zich met de gebruikelijke riten en gaf hij de brahmanen koeien, en in Anga, Vanga en Kalinga bezocht hij alle tirtha's en heiligdommen en gaf hij veel weg. Bij de poort van het koninkrijk Kalinga namen de brahmanen die hem gevolgd waren afscheid; verder gingen ze niet mee.
Lees het hele verhaal in hoofdstuk elf, De ontvoering
In hetzelfde hoofdstuk
Ulupi, Chitrangada van Manipura, de krokodillen, Raivataka, Subhadra, de koeherderin.