Boek 2 · Hoofdstuk elf, De ontvoering
De koeherderin
Terwijl de helden van de Vrishni's zo keer op keer tekeergingen, nam Krishna het woord. 'Met wat hij gedaan heeft, heeft Arjuna ons geslacht niet beledigd. Hij heeft ons aanzien juist vergroot. Hij weet dat wij, het geslacht van Satvata, niet op geld uit zijn. Ook vindt hij de afloop van een svayamvara onzeker. En wie zou ermee instemmen een bruid als een geschenk aan te nemen, alsof ze een dier was? Welke man op aarde verkoopt zijn eigen kind? Ik denk dat Arjuna bij alle andere wegen die bezwaren zag en daarom het meisje met geweld heeft meegenomen, zoals de voorschriften het toestaan. Het is een goede verbintenis. Subhadra is een meisje met een grote naam, en Arjuna heeft ook een grote naam. Misschien heeft hij aan dat alles gedacht toen hij haar meenam. Wie zou hem niet als vriend willen hebben? Hij is geboren in het geslacht van Bharata en van de beroemde Shantanu, en hij is de zoon van de dochter van Kuntibhoja. In alle werelden, bij Indra en de Rudra's, de elf zonen van Sthanu, zie ik niemand die hem in de strijd met geweld kan verslaan, behalve Shiva, de god met de drie ogen. Iedereen kent zijn wagen, en mijn paarden zijn ervoor gespannen. Iedereen kent hem als strijder, iedereen weet hoe snel zijn hand is. Wie is zijn gelijke? Dit is mijn mening: ga Arjuna met een blij gezicht achterna, houd hem met vriendelijke woorden tegen en breng hem terug. Als hij naar zijn stad gaat nadat hij ons met geweld heeft verslagen, is onze roem weg. In een verzoening ligt geen schande.'
Lees het hele verhaal in hoofdstuk elf, De ontvoering
In hetzelfde hoofdstuk
Ulupi, Chitrangada van Manipura, de krokodillen, Raivataka, Subhadra, de koeherderin.