Boek 1 · Hoofdstuk vijf, De roof van de amrita
De slavendienst
Garuda was nu bij zijn moeder, aan de overkant van de grote oceaan. Daar leefde Vinata in ellende, als slavin, sinds ze de weddenschap had verloren.
Op een dag riep Kadru haar bij zich. Vinata wierp zich voor haar neer, en in het bijzijn van Garuda zei Kadru: 'Lieve Vinata, midden in de oceaan, ver weg, ligt een heerlijke streek waar de naga's wonen. Draag me erheen.'
De moeder van de vogel droeg de moeder van de slangen op haar schouders, en op bevel van zijn moeder droeg Garuda de slangen op zijn rug. Hij steeg op, naar de zon toe, en de stralen van Surya verschroeiden de slangen tot ze buiten bewustzijn raakten. Kadru zag haar zonen zo liggen en bad tot Indra, de koning van de goden:
Lees het hele verhaal in hoofdstuk vijf, De roof van de amrita
In hetzelfde hoofdstuk
Garuda: slavendienst, olifant en schildpad, de duimgrote rishi's, de amrita; Shesha draagt de aarde.