Boek 1 · Hoofdstuk één, Het woord Jaya
Vijf meren van bloed
'Zoon van de suta,' zeiden de rishi's, 'je noemde een plek die Samantapanchaka heet. Daar willen we alles over horen.'
'Luister dan, brahmanen,' zei Sauti. 'Het is een heilige overlevering, en u bent het waard haar te horen.'
De wereld kent vier tijdperken, de yuga's, die elkaar steeds opnieuw opvolgen, en in elk volgend tijdperk staat de dharma zwakker. In de overgang van het tweede naar het derde, van de Treta- naar de Dvapara-yuga, leefde Rama, de zoon van Jamadagni, uit het geslacht van Bhrigu. Men noemt hem Parashurama, Rama met de bijl, en hij is een ander dan Rama, de zoon van Dasharatha. Geen strijder was groter dan hij. Onrecht kon hij niet verdragen, en keer op keer sloeg hij de kshatriya's neer, tot er van die edelen niemand meer over was. Als een brandende meteoor raasde hij. En bij Samantapanchaka maakte hij vijf meren van bloed.
Lees het hele verhaal in hoofdstuk één, Het woord Jaya
In hetzelfde hoofdstuk
Sauti komt in het woud van Naimisha en kondigt het verhaal aan; de inhoud van het epos en het veld van de vijf meren van bloed.