Boek 1 · Hoofdstuk één
Het woord Jaya
Om. Wie het woord Jaya, overwinning, wil uitspreken, buigt eerst voor Narayana en voor Nara, de hoogste onder de mensen, en voor Sarasvati, de godin van het woord.
Op een dag kwam Sauti het woud binnen, moe van de weg. Hij was een suta, een man uit het geslacht van barden en wagenmenners dat de oude verhalen bewaart. Zijn eigen naam was Ugrashrava; zijn vader heette Lomaharshana, hij die de haren overeind doet staan.
Het woud heette Naimisha. Shaunaka, het hoofd van een grote gemeenschap van asceten, hield er een offer dat twaalf jaar zou duren. De wijzen die daarvoor waren samengekomen, brahmanen met strenge geloften, zaten bij elkaar nu het werk van de dag gedaan was. Tweemaal geborenen noemden zij zich, omdat hun wijding in de Veda een tweede geboorte was geweest. Sauti naderde hen met gebogen hoofd, groette hen allemaal met de handpalmen tegen elkaar en vroeg hoe het ging met hun ascese, de tapas waarmee een asceet in de loop van jaren kracht opbouwt. Ze ontvingen hem zoals het hoort, en toen iedereen weer zat, nam hij bescheiden de plaats in die ze hem wezen.
Lees het hele verhaal in hoofdstuk één, Het woord Jaya
In hetzelfde hoofdstuk
Sauti komt in het woud van Naimisha en kondigt het verhaal aan; de inhoud van het epos en het veld van de vijf meren van bloed.