Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Boek 2 · Hoofdstuk negen

Waar Krishna is

Verteld door Vaishampayana, aan koning Janamejaya, tijdens het slangenoffer. Ongeveer 9 minuten lezen.

Koning Dhritarashtra riep al die raadslieden bij zich en vroeg Bhishma als eerste om zijn mening. 'Een twist met de Pandava's zal ik nooit goedkeuren, Dhritarashtra,' zei Bhishma. 'Pandu was voor mij wat jij voor mij bent. De zonen van Gandhari en de zonen van Kunti zijn mij even lief, en de zonen van Kunti moet ik net zo beschermen als de jouwe. De Pandava's staan even dicht bij mij als bij prins Duryodhana of bij alle andere Kuru's. Daarom wil ik geen twist met hen. Sluit een verdrag met die helden en geef hun de helft van het land. Dit is het koninkrijk van hun vader.

En jij, Duryodhana: jij beschouwt dit koninkrijk als het erfdeel van je vader, maar de Pandava's beschouwen het net zo goed als het hunne. Als de zonen van Pandu het koninkrijk niet krijgen, hoe kan het dan van jou zijn, of van wie ook uit het geslacht van Bharata? Vind jij dat het koninkrijk je rechtmatig toekomt, dan kwam het hun volgens mij al vóór jou rechtmatig toe. Geef hun zonder ophef de helft van het koninkrijk. Dat is goed voor iedereen. Doe je het niet, dan treft het kwaad ons allemaal, en jij zelf zult te schande staan. Zorg voor je goede naam, Duryodhana. Een goede naam is de bron van iemands kracht. Men zegt dat wie zijn naam kwijt is, voor niets leeft. Een man sterft niet zolang zijn roem duurt: hij leeft zolang zijn roem leeft, en hij sterft als zijn roem verdwenen is. Volg het gebruik dat het geslacht van Kuru waardig is, zoon van Gandhari. Doe als je voorouders.

Lees het hele verhaal in hoofdstuk negen, Waar Krishna is

In hetzelfde hoofdstuk

Het geheime beraad, de kroonraad, de stichting van Indraprastha.