Boek 2 · Hoofdstuk negen, Waar Krishna is
Het geluk van de Kuru's
De koningen die voor de svayamvara van Draupadi waren gekomen, hoorden van spionnen die ze vertrouwden dat de mooie Draupadi met de zonen van Pandu was getrouwd. Ze hoorden ook dat de held die de boog had gespannen en het doel had geraakt, niemand anders was dan Arjuna. En het was Bhima die Shalya, de koning van Madra, tegen de grond had gesmeten, die de verzamelde koningen met zijn uitgerukte boom schrik had aangejaagd en die zonder vrees tegenover al zijn vijanden had gestaan. Eén aanraking van hem was genoeg om een vijand het leven te kosten.
De koningen verwonderden zich erover dat de Pandava's zich als vredige brahmanen hadden vermomd. Ze hadden gehoord dat Kunti met al haar zonen in de brand van het huis van lak was omgekomen, en nu kwamen de Pandava's hun voor als mannen die uit het rijk van de doden waren teruggekeerd. Ze dachten aan het wrede plan van Purochana, die het huis van lak had gebouwd, en ze zeiden: 'Schande over Bhishma! Schande over Dhritarashtra, de Kuru!'
Lees het hele verhaal in hoofdstuk negen, Waar Krishna is
In hetzelfde hoofdstuk
Het geheime beraad, de kroonraad, de stichting van Indraprastha.