Naar de inhoud
De Mahabharataopnieuw verteld

Boek 2 · Hoofdstuk zeven

Het schot

Verteld door Vaishampayana, aan koning Janamejaya, tijdens het slangenoffer. Ongeveer 6 minuten lezen.

De jonge prinsen, met hun oorringen, stonden op en zwaaiden met hun wapens. Ze wedijverden met elkaar, en ieder vond zichzelf sterk en bedreven in de wapenkunst. Ze waren dronken van trots op hun schoonheid, hun moed, hun afkomst, hun kennis, hun rijkdom en hun jeugd. Kama, de god van de liefde, had hen in zijn macht, en ze keken jaloers naar elkaar, zelfs naar hun beste vrienden. 'Draupadi wordt van mij!' riepen ze, en ze daalden af in het strijdperk om het meisje uit Panchala te winnen.

Ook de goden kwamen in hun wagens, met al hun scharen, de Rudra's en de Aditya's, de Vasu's en de Ashvins, de tweelinggoden, de Sadhya's en alle Maruts, de stormgoden, met Kubera en Yama voorop. Er kwamen daitya's, de zonen van Diti, en suparna's, de vogels met de prachtige veren, grote naga's en rishi's van de goden, guhyaka's, de dienaren van Kubera, en charana's, de zangers die de lof van de goden zingen, Vishvavasu, Narada en Parvata, en de gandharva's, de hemelse muzikanten, met de apsara's. Er kwamen asura's en siddha's, wezens die de volmaaktheid hebben bereikt. De lucht hing vol hemelse geuren en lag bezaaid met hemelse bloemen; ze weergalmde van pauken en van het gegons van ontelbare stemmen, van fluit, vina en trommel, zodat de wagens van de goden nauwelijks een weg door het hemelgewelf vonden.

Lees het hele verhaal in hoofdstuk zeven, Het schot

In hetzelfde hoofdstuk

De boog en het doel; het schot; de koningen.